Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:910

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-03-2018
Datum publicatie
29-03-2018
Zaaknummer
16/5173 WMO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak is aan appellant vier uur per week praktische thuisondersteuning in natura toegekend. Medische beoordeling in de lijn van de door de rechtbank geraadpleegde deskundige geconstateerde beperkingen. De enkele niet nader onderbouwde stelling van appellant dat de toegekende praktische thuisondersteuning voor vier uur per week niet volstaat, is onvoldoende voor het oordeel dat de aan hem toegekende voorziening ontoereikend is. Overschrijding redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2018/146
AB 2018/179 met annotatie van A. Tollenaar
USZ 2018/152
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 5173 WMO, 17/7098 WMO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

4 juli 2016, 08/2400 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Leeuwarden (college)

de Staat der Nederlanden, de minister van Justitie en Veiligheid (Staat)

Datum uitspraak: 28 maart 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.R. van der Pol, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Staat heeft een verweerschrift ingediend.

Het college heeft verweerschriften en nadere stukken ingediend.

Het college heeft een nieuwe beslissing op bezwaar van 30 augustus 2017 ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 oktober 2017. Namens appellant is

mr. Van der Pol verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. T.C.M. van Hooff. De Staat heeft zich met kennisgeving niet laten vertegenwoordigen.

De Raad heeft het onderzoek heropend.

Appellant heeft zijn zienswijze op de nieuwe beslissing op bezwaar van 30 augustus 2017 gegeven en nadere stukken ingediend.

Het college heeft op deze zienswijze een reactie gegeven.

Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 14 februari 2018. Appellant en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. H. van der Hoef. De Staat heeft zich met kennisgeving niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Bij besluit van 8 april 2008 heeft het college de aanvraag van appellant om hulp bij het huishouden op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning afgewezen. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

1.2.

Bij besluit van 30 september 2008 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard. Appellant heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

1.3.

Hangende beroep heeft de rechtbank dr. A. Wunderink, psychiater, als deskundige benoemd. Wunderink heeft zijn bevindingen neergelegd in een rapport van 30 september 2015, aangevuld bij brief van 21 april 2016.

1.4.

De rechtbank heeft bij uitspraak van 4 juli 2016 (zaaknummers 07/2255 en 08/2657) inzake een door appellant gevraagde vervoersvoorziening, voor zover hier van belang, wegens overschrijding van de redelijke termijn het college en de Staat veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding aan appellant van respectievelijk € 971,- en € 3.529,-.

2. Bij de aangevallen uitspraak van eveneens 4 juli 2016 heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat het college een nieuwe beslissing op bezwaar neemt met inachtneming van de aangevallen uitspraak. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het bestreden besluit niet zorgvuldig is voorbereid en ondeugdelijk is gemotiveerd. Gelet op de bevindingen van Wunderink en van de medisch adviseur van het college, G. Spijker, te weten dat betwijfeld kan worden of appellant de regie over zijn huishouden kan voeren, dient het college er vooralsnog van uit te gaan dat appellant in elk geval niet in redelijkheid in staat is de regie over zijn huishouden, inclusief de administratie, te voeren. Het college zal dus moeten onderzoeken op welke wijze appellant hiervoor gecompenseerd moet worden. De rechtbank heeft het verzoek van appellant om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden afgewezen. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat de redelijke termijn met 74 maanden is overschreden, waarvan 34 maanden zijn toe te rekenen aan partijen. De overige overschrijding van 40 maanden moet geheel aan de Staat worden toegerekend. Omdat bij uitspraak van de rechtbank in de beroepsprocedures 07/2255 en 08/2657 al een schadevergoeding is toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn en die beroepen vanaf 6 mei 2009 gezamenlijk met het onderhavige beroep zijn behandeld en in die beroepen grotendeels vergelijkbare rechtsfeiten en rechtsvragen spelen, is volgens de rechtbank geen sprake van extra spanning en frustratie door de onderhavige beroepsprocedure. Dit betekent dat in deze procedure kan worden volstaan met de vaststelling dat de redelijke termijn is overschreden. De rechtbank heeft ten slotte ook het verzoek van appellant om een materiële schadevergoeding afgewezen, omdat niet gezegd kan worden dat tussen het op 8 april 2008 onthouden van een voorziening en het in 2015 niet tijdig betalen van de huur causaal verband bestaat. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat het niet structureel tijdig betalen van de huur eerst zeven jaar na de afwijzing van de voorziening heeft plaatsgevonden.

3. Bij nieuwe beslissing op bezwaar van 30 augustus 2017 heeft het college, voor zover van belang, ter uitvoering van de aangevallen uitspraak aan appellant vier uur per week praktische thuisondersteuning in natura toegekend voor de periode van 1 oktober 2017 tot en met

30 september 2018.

4.1.

Appellant heeft in hoger beroep de aangevallen uitspraak gemotiveerd bestreden. Appellant heeft aangevoerd dat de rechtbank zijn verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn ten onrechte heeft afgewezen. Volgens appellant kunnen het onderhavige beroep en het onder 1.4. genoemde beroep niet met elkaar gelijk worden gesteld. In de zaken spelen immers verschillende wetten, rechtsvragen en feitencomplexen. Ook het verzoek om een materiële schadevergoeding is ten onrechte door de rechtbank afgewezen. Door appellants problemen bij het voeren van zijn administratie zijn betalingsachterstanden ontstaan. Omdat het college heeft nagelaten hem een voorziening toe te kennen is gevolgschade ontstaan die het college volgens appellant moet vergoeden. Ten slotte heeft appellant, op nader te bespreken gronden, de nieuwe beslissing op bezwaar van

30 augustus 2017 bestreden.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


de beslissing op bezwaar van 30 augustus 2017

5.1.

De nieuwe beslissing op bezwaar van 30 augustus 2017 wordt, gelet op de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht, mede in de beoordeling betrokken.

5.2.

Het betoog van appellant dat dit besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen omdat het college geen verzekeringsgeneeskundige heeft ingeschakeld, slaagt niet. De medische beperkingen van appellant waren immers al beoordeeld door deskundige Wunderink. De Raad ziet in dit geval geen rol voor een verzekeringsgeneeskundige, wat hier verder ook van zij, bij de beoordeling van de vraag op welke wijze het college appellant in deze beperkingen moet compenseren.

5.3.

Het betoog dat het college volgens een overeengekomen stappenplan eerst de nieuwe beslissing op bezwaar had moeten voorleggen aan [naam X] , slaagt evenmin. Dit stappenplan ziet niet op de aanvraag om hulp bij het huishouden.

5.4.

De enkele niet nader onderbouwde stelling van appellant dat de toegekende praktische thuisondersteuning voor vier uur per week niet volstaat, is onvoldoende voor het oordeel dat de aan hem toegekende voorziening ontoereikend is.

5.5.

Voor zover appellant gronden heeft gericht tegen de vervoersvoorziening, komt de Raad aan een bespreking daarvan niet toe omdat deze vallen buiten de omvang van het geding.


de verzoeken om schadevergoeding

5.6.

In de kern komt het geschil tussen partijen over het verzoek om immateriële schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn, neer op de vraag of de onder 1.4 genoemde beroepsprocedure en onderhavige beroepsprocedure in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp.

5.7.

Als de redelijke termijn is overschreden, moet voor de schadevergoeding als uitgangspunt een tarief worden gehanteerd van € 500,- per half jaar waarmee die termijn is overschreden. In gevallen waarin meerdere zaken van één belanghebbende gezamenlijk zijn behandeld, moet in dit verband worden beoordeeld of die zaken in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp. Als hiervan sprake is, wordt per fase van de procedure waarin sprake is geweest van gezamenlijke behandeling, voor die zaken gezamenlijk slechts eenmaal het tarief van € 500,- per half jaar gehanteerd (zie Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, overwegingen 3.10.1 en 3.10.2).

5.8.

De beroepsprocedure over de vervoersvoorziening is gezamenlijk behandeld met het onderhavige beroep tegen het bestreden besluit. De onderwerpen van beide procedures, namelijk het al dan niet toekennen van verschillende voorzieningen ter compensatie van de beperkingen van appellant, staan niet in een zo ver verwijderd verband tot elkaar dat aannemelijk is dat door het beroep tegen het bestreden besluit extra spanning en frustratie bij appellant is veroorzaakt. De rechtbank heeft daarom terecht volstaan met de vaststelling dat de redelijke termijn is overschreden en heeft het verzoek om een immateriële schadevergoeding terecht afgewezen.

5.9.

De rechtbank heeft ook het verzoek om een materiële schadevergoeding terecht afgewezen. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank dat tussen het op 8 april 2008 onthouden van een voorziening en het niet in 2015 tijdig betalen van de huur geen causaal verband bestaat en onderschrijft de overwegingen daartoe.

6. Gelet op wat hiervoor is overwogen, slaagt het hoger beroep niet en komt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten voor bevestiging in aanmerking. Het beroep tegen de nieuwe beslissing op bezwaar van 30 augustus 2017 wordt ongegrond verklaard.

7. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- verklaart het beroep tegen de beslissing op bezwaar van 30 augustus 2017 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap als voorzitter en D.S. de Vries en N.R. Docter als leden, in tegenwoordigheid van R.P.W. Jongbloed als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 maart 2018.

(getekend) A.J. Schaap

(getekend) R.P.W. Jongbloed

UM