Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:903

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-03-2018
Datum publicatie
29-03-2018
Zaaknummer
16/271 WIA
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2015:9270, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Besluit III is niet op de voorgeschreven wijze bekendgemaakt, doordat ondanks de samenhang met besluiten I en II, besluit III niet aan gemachtigde is toegestuurd, maar uitsluitend aan appellant in persoon. Het Uwv heeft het bezwaar tegen primair besluit III ten onrechte wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard.

Besluiten I en II ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken procesbelang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2018/147
USZ 2018/151
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/271 WIA, 16/275 WIA en 16/276 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van

18 december 2015, 14/3234 (aangevallen uitspraak I), 14/6991 (aangevallen uitspraak II) en van 4 december 2015, 15/3472 (aangevallen uitspraak III) en uitspraak op de verzoeken om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 28 maart 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat, hoger beroepen ingesteld en verzocht om veroordeling tot vergoeding van schade.

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

De zaken zijn aan de orde gesteld ter zitting van 20 december 2017, gevoegd met de zaak 16/273. Partijen zijn – met bericht – niet verschenen. In de zaak 16/273 is heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant heeft een uitkering aangevraagd op grond van de Werkloosheidswet (WW) ter zake van de beëindiging van een dienstverband per 6 maart 2012 als administratief medewerker bij [naam B.V.] Appellant heeft zich op 27 april 2012 vanuit de WW ziek gemeld waarna hij in aanmerking is gebracht voor een uitkering op grond van de Ziektewet.

1.2.

Bij besluit van 10 maart 2014 heeft het Uwv appellant met ingang van 25 april 2014 voorlopig in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) (primair besluit I). Appellant heeft tegen dat besluit, voor wat betreft het aan die uitkering ten grondslag gelegde dagloon, bezwaar gemaakt.

1.3.

Bij besluit van 23 april 2014 (primair besluit II) heeft het Uwv de WIA-uitkering van appellant met ingang van 1 mei 2014 geschorst in verband met een onderzoek naar de rechtmatigheid van de toekenning van zijn uitkering.

1.4.

Bij besluit van 1 mei 2014 (bestreden besluit I) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen primair besluit I ongegrond verklaard.

1.5.

Bij besluit van 4 september 2014 (primair besluit III) heeft het Uwv primair besluit I ingetrokken, omdat appellant niet verzekerd was voor de Wet WIA. Daarom heeft appellant per 25 april 2014 geen recht op een WIA-uitkering.

1.6.

Bij besluit van 29 september 2014 (bestreden besluit II) is het bezwaar van appellant tegen primair besluit II ongegrond verklaard.

1.7.

Bij besluit van 2 juni 2015 (bestreden besluit III) is het bezwaar tegen primair besluit III niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn.

2. In de aangevallen uitspraak III heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit III ongegrond verklaard. In de aangevallen uitspraken I en II heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten I en II wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk verklaard.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep tegen aangevallen uitspraak III, in essentie, aangevoerd dat zijn bezwaar tegen primair besluit III ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard nu dit besluit destijds door appellant niet is ontvangen en zijn gemachtigde niet eerder dan op
6 mei 2015 kennis heeft kunnen nemen van het betreffende besluit. In het verlengde daarvan acht appellant ten aanzien van zijn beroepen tegen de bestreden besluiten I en II onveranderd procesbelang aanwezig.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraken bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad ziet zich allereerst ambtshalve gesteld voor de vraag of primair besluit III op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt.

4.2.

Ingevolge artikel 2:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mag een ieder zich ter behartiging van zijn belangen in het verkeer met bestuursorganen laten bijstaan of door een gemachtigde laten vertegenwoordigen.

4.2.1.

Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken.

4.2.2.

Ingevolge artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt deze termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Ingevolge artikel 3:41, eerste lid, van de Awb geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.

4.3.

Op 14 mei 2014 heeft mr. De Jonge zich als gemachtigde van appellant gesteld in het bezwaar tegen primair besluit II. Het Uwv heeft dit bezwaar bij bestreden besluit II van

29 september 2014 ongegrond verklaard. Terwijl dit bezwaar liep heeft het Uwv op

4 september 2014 primair besluit III genomen. Niet in geschil is dat primair besluit III niet aan mr. De Jonge is toegezonden, maar uitsluitend aan appellant in persoon.

4.4.

Op grond van vaste rechtspraak van de Raad dient bij een nauwe verwevenheid tussen besluiten een opvolgend besluit (ook) aan de reeds bij het bestuursorgaan bekende gemachtigde te worden toegezonden (zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Raad van

18 november 2003, ECLI:NL:CRVB:2003:AN9715, en van 17 december 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2959). Zolang dit niet is gebeurd, is het besluit niet op de voorgeschreven wijze bekendgemaakt en is de bezwaar- of beroepstermijn niet gaan lopen.

4.5.

Het bezwaar tegen primair besluit II zag op de schorsing van de WIA-uitkering van appellant in verband met de bij het Uwv gerezen twijfel over het dienstverband van appellant bij [naam B.V.] Primair besluit III zag op de intrekking van de

WIA-uitkering vanwege het ontbreken van verzekeringsplicht op diezelfde grond. Gelet hierop is sprake van nauwe verwevenheid tussen de primaire besluiten II en III. Nu het Uwv bekend was met het feit dat mr. De Jonge zich gesteld had als gemachtigde in het nog lopende bezwaar tegen primair besluit II, had primair besluit III ook aan mr. De Jonge toegezonden moeten worden. De toezending van dat besluit als bijlage bij de gedingstukken voor een eerdere beroepsprocedure vormt in dit verband evenmin een toereikende wijze van bekendmaking (zie de uitspraak van de Raad van 28 september 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AR3437).

4.6.

Nu primair besluit III niet op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, is de bezwaartermijn niet gaan lopen. Het Uwv heeft het bezwaar tegen primair besluit III dan ook ten onrechte wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard.

4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6 vloeit voort dat het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak III slaagt en dat die aangevallen uitspraak en het bestreden besluit III moeten worden vernietigd.

4.8.

Nu het Uwv alsnog inhoudelijk op het bezwaar tegen primair besluit III dient te beslissen, heeft appellant – anders dan de rechtbank oordeelde – procesbelang bij een oordeel over het aan de WIA-uitkering ten grondslag gelegde dagloon (bestreden besluit I) en de schorsing van de WIA-uitkering met ingang van 1 mei 2014 (bestreden besluit II). Het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraken I en II slaagt daarom en ook deze uitspraken moeten worden vernietigd. Gelet op de samenhang tussen de bestreden besluiten acht de Raad het daarbij geraden de bestreden besluiten I en II eveneens te vernietigen.

5. Het Uwv dient opnieuw op de bezwaren van appellant te beslissen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Tevens zal daarbij een besluit genomen moeten worden over het verzoek om schadevergoeding, bestaande uit de wettelijke rente.

6. De Raad ziet op grond van wat onder 4.7 en 4.8 is overwogen aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Gelet op de samenhangende aspecten in de zaken – een gezamenlijke reactie in alle zaken in beroep en een gezamenlijke behandeling ter zitting bij de rechtbank – worden deze kosten begroot voor 3 procespunten in bezwaar,

4 procespunten voor de beroepschriften en reacties, 1 procespunt voor zitting bij de rechtbank en 3 procespunten voor de beroepschriften en aanvullingen daarop in hoger beroep, totaal

11 procespunten, zodat deze kosten in totaal worden begroot op € 5.511,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraken;

- verklaart de beroepen gegrond en vernietigt de besluiten van 29 september 2014, 1 mei 2014

en 2 juni 2015;

- draagt het Uwv op een nieuwe beslissing op de bezwaren te nemen met inachtneming van

deze uitspraak;

- veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van € 5.511,-;

- bepaalt dat het Uwv aan appellant de in de beroepen en in de hoger beroepen betaalde

griffierechten van in totaal € 507,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk als voorzitter en E.W. Akkerman en

E.J.J.M. Weyers als leden, in tegenwoordigheid van L. Boersma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 maart 2018.

(getekend) J.S. van der Kolk

(getekend) L. Boersma

KS