Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:896

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-03-2018
Datum publicatie
29-03-2018
Zaaknummer
16-1142 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de beoordeling, die nog nader is toegelicht in een gesprek op 25 maart 2013, op voldoende gronden berust en de terughoudende toets kan doorstaan. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat de scores hoger hadden moeten zijn. Er bestaat geen aanleiding van het standaardtarief van vergoeding voor de overschrijding van de redelijke termijn af te wijken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/1142 AW

Datum uitspraak: 22 maart 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van
29 januari 2016, 14/1115 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de korpschef van politie (korpschef)

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft S.A.J.T. Hoogendoorn hoger beroep ingesteld.

De korpschef en de Staat der Nederlanden hebben een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaken 16/1185 AW en 16/1204 AW, plaatsgevonden op 8 februari 2018. Appellant is, met bericht van de opvolgend gemachtigde, mr. M. Abdelkader, niet verschenen. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E. Wolthuis. In de gevoegde zaken wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was werkzaam bij de voormalige politieregio [naam politieregio] , laatstelijk in de functie van [naam functie] ( [naam functie] ).

1.2.

Als uitwerking van het Akkoord Arbeidsvoorwaarden sector politie 2005-2007 is op

1 november 2010 de circulaire Harmonisatie arbeidsvoorwaarden politie tweede tranche in werking getreden (Stcrt. 2010, 19782; circulaire). Eén van de te harmoniseren onderwerpen is het in bijlage 6 van de circulaire opgenomen ‘Loopbaanbeleid van assistent A tot en met senior in de GGP’ (loopbaanbeleid). In die bijlage zijn de afspraken vastgelegd over de mogelijkheden tot doorstroming (bevordering) van ambtenaren binnen de GGP naar een volgend niveau of volgende functie. Voor de bevordering van generalist GGP (schaal 7) naar senior GGP (schaal 8) is als vereiste gesteld dat sprake is van ‘vakmanschap blijkend uit een recente beoordeling boven de norm met daarin opgenomen verwachte geschiktheid voor senior GGP’. Vermeld is dat het loopbaanbeleid vanaf 1 november 2010 geldt voor alle medewerkers bij de Nederlandse Politie, dat de Raad van korpschefs i.o. zich aan de circulaire heeft geconformeerd en dat het bevoegd gezag deze circulaire dient te volgen, tenzij een zwaarwegend dienstbelang zich daartegen verzet. Het loopbaanbeleid voor bevordering van schaal 7 naar schaal 8 is met ingang van 1 januari 2013 beëindigd. In april 2013 zijn door de Adviescommissie Loopbaanbeleid GGP van het Centraal Georganiseerd Overleg Politie (CGOP) nadere uitvoeringsafspraken vastgelegd.

1.3.

Het loopbaanbeleid is door de drie korpschefs van de voormalige politieregio’s van Noord-Nederland, te weten Groningen, Drenthe en Fryslân, nader uitgewerkt in het voorgenomen besluit ‘Voorstel Implementatie Loopbaanbeleid GGP (HAP tweede tranche)’ van 11 september 2012 (VB). In het VB is vastgelegd dat de drie korpsen binnen
Noord-Nederland verschillende beoordelingssystemen hanteren en op welke wijze elk korps invulling geeft aan de eis van ‘vakmanschap blijkend uit een recente beoordeling boven de norm met daarin opgenomen verwachte geschiktheid voor senior GGP’. De Politiechef Noord-Nederland heeft het VB definitief vastgesteld op 23 mei 2013.

1.4.

In het Friese beoordelingssysteem worden alle competenties en te behalen resultaten betrokken voor het bepalen van ‘vakmanschap boven de norm’. Voor de competenties wordt een vijfpuntschaal gehanteerd en voor de resultaten een driepuntschaal. Het eindoordeel gebaseerd op de gemiddelde score van de competenties moet zijn ‘overtroffen (gedrag boven niveau behorend bij functie)’ en voor de resultaten moet dat zijn ‘norm is ruim gehaald’.

1.5.

Appellant heeft verzocht om bevordering naar de functie van senior GGP. Naar aanleiding van dit verzoek is op 13 mei 2013 over de periode van 1 januari 2010 tot en met

1 december 2012 een beoordeling vastgesteld, waarbij, voor zover van belang, voor vijf competenties de norm is gehaald en voor één competentie de norm is overtroffen. De beoordeling heeft als eindresultaat: ‘goed (competenties zijn overwegend boven niveau behorend bij functieschaal)’. Er is geen toekomstverwachting opgemaakt.

1.6.

Bij besluit van 16 mei 2013 heeft de korpschef het verzoek om bevordering afgewezen. Hiertegen en tegen de vastgestelde beoordeling heeft appellant bezwaar gemaakt. De bezwarenadviescommissie Politie Noord-Nederland (BAC) heeft geadviseerd de bezwaren tegen de beoordeling en de afwijzing ongegrond te verklaren onder aanvulling van de motivering in die zin dat een oordeel over de verwachte geschiktheid voor senior GGP in de beoordeling dient te worden opgenomen.

1.7.

Bij besluit van 15 januari 2014 (bestreden besluit) heeft de korpschef de bezwaren tegen de vaststelling van de beoordeling en de afwijzing van het verzoek om bevordering ongegrond verklaard. De korpschef heeft het advies van de BAC om alsnog een beoordeling over de verwachte geschiktheid voor de functie van senior GGP op te maken niet overgenomen, omdat deze niet van invloed zal zijn op zijn besluit om het verzoek om bevordering af te wijzen.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de rechtsgevolgen daarvan in stand gelaten, met bepalingen over griffierecht en proceskosten. Hiertoe is, samengevat, het volgende overwogen. Nu niet is gebleken van een inzichtelijke heroverweging op de grondslag van het bezwaar als vereist volgens artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), kan het bestreden besluit niet in stand blijven. Er is echter aanleiding de rechtsgevolgen in stand te laten. De ondernemingsraad heeft met het beoordelingsbeleid ingestemd. Met de uitleg die in de politieregio Fryslân aan het begrip boven de norm is gegeven, is binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling gebleven. De toelichting op de scores geeft onvoldoende aanknopingspunten om de beoordeling inconsistent en daarmee onhoudbaar te achten. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn werk, behalve op de competentie kwaliteitsgerichtheid, ook op de competenties besluitvaardigheid, reflectie, samenwerken, gezag en klantgerichtheid als ‘overtroffen’ moet worden aangemerkt. Met verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 19 november 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:4117) kan een oordeel over de verwachte geschiktheid achterwege blijven in het geval geen beoordeling boven de norm voorligt. Verder heeft de rechtbank de Staat der Nederlanden veroordeeld tot betaling aan appellant van een schadevergoeding van
€ 500,- wegens schending van de redelijke termijn in de rechterlijke fase.

3. De Raad komt naar aanleiding van wat partijen in hoger beroep hebben aangevoerd tot de volgende beoordeling.

3.1.

De gemachtigde van appellant heeft de Raad op de avond voor de zitting via het digitale loket meegedeeld niet te verschijnen ter zitting en heeft in dit bericht tevens nieuwe stellingen betrokken. Voor zover dit bericht ziet op deze nieuwe stellingen, laat de Raad dit bericht op grond van artikel 8:58 van de Awb buiten beschouwing.

3.2.

Het hoger beroep richt zich niet tegen de vernietiging van het bestreden besluit, maar tegen de bepaling van de rechtbank dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven. Dit betekent dat de door appellant aangevoerde argumenten die ertoe strekken dat het bestreden besluit vernietigd dient te worden buiten beschouwing kunnen blijven.

3.3.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 8 februari 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:AZ8746) hoeft de bestuursrechter niet op alle aangevoerde gronden in te gaan, maar kan hij zich beperken tot de kern daarvan.

3.4.

Met verwijzing naar de uitspraken van 19 november 2015 en 29 juni 2017 (ECLI:NL:CRVB:2015:4117 en ECLI:NL:CRVB:2017:2266) is de Raad met de rechtbank van oordeel dat de invulling van het begrip boven de norm binnen de voormalige politieregio Fryslân niet onredelijk is en dat niet gebleken is dat de ondernemingsraad niet met het beoordelingsbeleid heeft ingestemd. Van strijd met het vereiste van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is geen sprake. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak eerst geoordeeld dat het bestreden besluit moet worden vernietigd op de grond dat niet is gebleken van een inzichtelijke heroverweging op de grondslag van het bezwaar en heeft vervolgens uitvoerig en aan de hand van de door appellant aangevoerde gronden gemotiveerd waarom de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand worden gelaten. Dat appellant zich niet kan vinden in het oordeel van de rechtbank, betekent niet dat van een eerlijk proces geen sprake is geweest.

3.5.

Vaste rechtspraak is dat de toetsing van de inhoud van een beoordeling beperkt is tot de vraag of die beoordeling op voldoende gronden berust. Bij negatieve oordelen moet het bestuursorgaan dit met concrete feiten onderbouwen (uitspraak van 13 maart 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:905). Niet doorslaggevend is dan of elk feit juist is vastgesteld of geduid; het gaat erom of het totale beeld van de beoordeling deze toetsing doorstaat. De bewijslast bij betwisting van een positieve beoordeling, zoals in het onderhavige geval, ligt bij de betrokkene. Dat de beoordeling niet goed genoeg is voor bevordering naar de functie van senior GGP levert geen grond op om de bewijslast bij de korpschef te leggen (uitspraak van 20 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2547).

3.6.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de beoordeling, die nog nader is toegelicht in een gesprek op 25 maart 2013, op voldoende gronden berust en de terughoudende toets kan doorstaan. Dat appellant zich met de toegekende scores niet kan verenigen en meent voor hogere scores in aanmerking te komen, maakt dit niet anders. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat de scores hoger hadden moeten zijn. Nu het gaat om een beoordeling van de competenties en werkzaamheden in de functie van generalist GGP, komt aan andere door appellant verrichte werkzaamheden, zoals de werkzaamheden als [functie] van [naam politieonderdeel] , niet de betekenis toe die hij daaraan toegekend wenst te zien.

3.7.

De Raad is met de rechtbank en de korpschef, en anders dan appellant, van oordeel dat, nu het niet voldoen aan het vereiste van een beoordeling boven de norm al tot afwijzing van het verzoek om bevordering leidt, er geen advies over de verwachte geschiktheid hoefde te worden opgemaakt. Het enkele feit dat de Raad hierover in een andere zaak uitspraak heeft gedaan (uitspraak van 19 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4117) nadat het onderzoek ter zitting bij de rechtbank in de zaak van appellant al was gesloten, betekent, anders dan appellant meent, niet dat de rechtbank voor haar oordeel op dit punt niet naar die uitspraak heeft mogen verwijzen.

3.8.

Het standpunt van appellant dat de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit ten onrechte in stand heeft gelaten omdat de korpschef niet heeft bezien of het advies van de BAC vrij van gebreken was, volgt de Raad niet. Het advies van de BAC is door de korpschef overgenomen, behoudens de in het bestreden besluit genoemde onderdelen. Hiermee heeft de korpschef het advies als voldoende deugdelijk beschouwd en mogen beschouwen om aan het bestreden besluit ten grondslag te kunnen leggen.

3.9.

De rechtbank heeft gelet op wat in 3.4 tot en met 3.8 is overwogen terecht geoordeeld dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven.

3.10.

Appellant heeft verder aangevoerd dat de vergoeding voor de overschrijding van de redelijke termijn op een hoger bedrag dan € 500,- per half jaar of deel daarvan zou moeten worden gesteld. Ter ondersteuning van zijn betoog heeft appellant verwezen naar onder meer het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 26 oktober 2000, 30210/96, ECLI:NL:XX:2000:AD5181, Kudla tegen Polen. De Raad volgt appellant hierin niet. Zoals al eerder is overwogen (uitspraak van 6 april 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1314) kan uit dit arrest niet worden afgeleid dat het door de Raad en de andere hoogste bestuursrechters toegepaste standaardtarief van € 500,- voor elke zes maanden dat de redelijke termijn is overschreden, met een afronding naar boven, niet in overeenstemming is met de rechtspraak van het EHRM. Er bestaat geen aanleiding in dit geval van dit standaardtarief af te wijken.

3.11.

De conclusie is dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs, in tegenwoordigheid van A. Mansourova als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 maart 2018.

(getekend) E.J.M. Heijs

(getekend) A. Mansourova

IJ