Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:895

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-03-2018
Datum publicatie
28-03-2018
Zaaknummer
16-6432 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitgangspunt is en blijft dat opheffing van een functie dient plaats te vinden door middel van een daartoe strekkend besluit waartegen vervolgens rechtsmiddelen kunnen worden aangewend. Zo’n besluit is er nog steeds niet en de overgelegde formatieoverzichten kunnen daar ook niet voor doorgaan. Daarom volgt de Raad de rechtbank in haar oordeel dat het ontslagbesluit geen stand kan houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2018/85
ABkort 2018/167
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/6432 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

6 september 2016, 16/825 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Delft (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

Datum uitspraak: 22 maart 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.H.M. Wesseling, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. I.O.D.V. Wetzels, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Appellant en betrokkene hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 september 2017. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Wesseling. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door

mr. Wetzels.

Het onderzoek ter zitting is geschorst in afwachting van overleg tussen partijen. Dit overleg heeft niet tot een minnelijke regeling geleid. Partijen hebben toestemming gegeven een nader onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Betrokkene was sinds 1993 in dienst van de gemeente Delft. Vanaf mei 2008 vervulde hij de functie van [functie 1] . Begin 2011 is de benaming van de functie van betrokkene gewijzigd in [functie 2] . Op 20 september 2011 is betrokkene mondeling meegedeeld dat zijn functie is opgeheven en dat hij zijn taken niet langer hoeft te vervullen. Betrokkene is heengezonden. In de periode daarna heeft betrokkene in deeltijd werkzaamheden buiten de gemeente verricht en heeft hij zijn werk voor de [naam overlegorgaan] voortgezet.

1.2.

In een notitie van de directeur van [afdeling 1] van 12 januari 2012 is uiteengezet

dat [afdeling 1] al enkele jaren een tekort op de begroting heeft en dat het zaak is op korte termijn maatregelen te nemen. De maatregelen vinden in de huidige constellatie plaats,

dus binnen de gemeente Delft. Regels en procedures zijn vastgelegd in het reorganisatietraject “Koers voor Delft”. Een aantal maatregelen kan [afdeling 1] op korte termijn nemen. Het gaat daarbij in eerste instantie om een formatiereductie. Concreet gaat het om het opheffen van vijf functies.

1.3.

Op 4 oktober 2012 heeft de herplaatsingscommissie die in het leven is geroepen in het kader van “Koers voor Delft”, betrokkene in kennis gesteld van haar voornemen om positief te adviseren over het voornemen van appellant om betrokkene, vanwege een vermindering van de formatie voor de functie van [functie 2] bij [afdeling 1] , ontslag te verlenen uit die functie.

1.4.

Na een eerder negatief advies vanwege het ontbreken van voldoende onderbouwing heeft de OR op 20 december 2012 positief geadviseerd over de voorgenomen bezuinigingen bij [afdeling 1] .

1.5.

Op 8 februari 2013 heeft de herplaatsingscommissie betrokkene laten weten te hebben besloten appellant positief te adviseren over het voorgenomen ontslag van betrokkene. Op

12 februari 2013 heeft appellant betrokkene in kennis gesteld van zijn voornemen om tot dit ontslag over te gaan.

1.6.

In vervolg op het ontslagvoornemen heeft appellant betrokkene bij besluit van

16 april 2013 met ingang van genoemde datum boventallig verklaard. Vanwege de inwerkingtreding per 1 april 2013 van het nieuwe hoofdstuk 10d van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling van de gemeente Delft (CAR) is het eerder kenbaar gemaakte ontslagvoornemen niet uitgevoerd. Betrokkene heeft op grond van artikel 10d:12 van de CAR eerst recht op een Van werk naar werk-traject (VWNW-traject), dat maximaal twee jaar duurt.

1.7.

Betrokkene heeft tegen het besluit van 16 april 2013 bezwaar gemaakt. Bij besluit van

6 november 2013 heeft appellant dit bezwaar ongegrond verklaard.

1.8.

Bij uitspraak van 7 april 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:1284) heeft de Raad de uitspraak van 13 november 2014 van de rechtbank Den Haag op het ingestelde beroep vernietigd. De Raad heeft het beroep tegen het besluit van 6 november 2013 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het primaire besluit van 16 april 2013 herroepen en bepaald dat de uitspraak treedt in de plaats van het vernietigde besluit. De Raad kwam tot de conclusie dat niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 10d:2, aanhef en onder d, van de CAR omdat, nog los van het gegeven dat nimmer een reorganisatiebesluit is genomen, evenmin enig besluit is genomen waarbij de functie van betrokkene is opgeheven, zodat het er voor moet worden gehouden dat de functie van betrokkene ten tijde van de boventalligverklaring nog bestond. Het besluit tot boventalligverklaring kan derhalve geen standhouden.

1.9.

Bij besluit van 27 maart 2015, na bezwaar gehandhaafd bij het besluit van

15 september 2015 (bestreden besluit) heeft het college betrokkene op grond van artikel 8:3 van de CAR met ingang van 22 april 2015 eervol ontslag verleend. Daaraan is ten grondslag gelegd dat op 22 april 2015 een einde komt aan het VWNW-traject en er geen aanleiding is om dit nog voort te zetten.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het besluit van 27 maart 2015 herroepen. Daartoe is overwogen dat er geen opheffingsbesluit is noch een reorganisatiebesluit, waarmee de grondslag voor het ontslag ontbreekt.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 8:3, eerste lid, van de CAR kan aan de ambtenaar ontslag worden verleend wegens opheffing van zijn functie of wegens verandering in de inrichting van het dienstonderdeel waarbij hij werkzaam is of van andere dienstonderdelen, dan wel wegens verminderde behoefte aan arbeidskrachten.

Op grond van artikel 10d:2, onder d, van de CAR wordt voor de toepassing van dit hoofdstuk verstaan onder boventalligheid: de situatie dat een ambtenaar wegens reorganisatie niet kan terugkeren in de formatie na de reorganisatie.

4.2.

Het ontslag van betrokkene is gebaseerd op de - door de Raad op 7 april 2016 herroepen - boventalligverklaring, het daaropvolgende VWNW-traject en het beëindigen daarvan. Zoals in genoemde uitspraak is overwogen en van de kant van appellant ter zitting van de Raad is erkend, heeft appellant voorafgaand aan het ontslagbesluit geen reorganisatiebesluit genomen en evenmin een besluit waarbij de functie van betrokkene is opgeheven, en zijn dergelijke besluiten nog steeds niet genomen. Appellant stelt zich op het standpunt dat de functie van betrokkene ondanks het ontbreken van een formeel reorganisatiebesluit en een opheffingsbesluit voorafgaand aan het ontslagbesluit feitelijk als opgeheven moest worden beschouwd. Tijdens de reorganisatie van 2014 is volgens appellant blijkens in hoger beroep overgelegde formatieoverzichten (gefaseerd) besloten de functie van [functie 2] niet langer deel te laten uitmaken van de directie en de formatieruimte op nul te stellen, zodat aan betrokkene reorganisatieontslag met toepassing van artikel 8:3 van de CAR kon worden verleend. De Raad herhaalt dat uitgangspunt is en blijft dat opheffing van een functie dient plaats te vinden door middel van een daartoe strekkend besluit waartegen vervolgens rechtsmiddelen kunnen worden aangewend. Zo’n besluit is er nog steeds niet en de overgelegde formatieoverzichten kunnen daar ook niet voor doorgaan. Daarom volgt de Raad de rechtbank in haar oordeel dat het ontslagbesluit geen stand kan houden.

4.3.

Uit 4.1 tot en met 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. Er bestaat aanleiding om appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene. Deze worden begroot op € 1.002,- in hoger beroep wegens verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag

van € 1.002,-;

- bepaalt dat van appellant griffierecht wordt geheven tot een bedrag van € 503,-.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en M. Kraefft en R.P.T. Elshoff als leden, in tegenwoordigheid van L.V. van Donk als griffier. De beslissing

is uitgesproken in het openbaar op 22 maart 2018.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) L.V. van Donk

LO