Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:894

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-03-2018
Datum publicatie
29-03-2018
Zaaknummer
16-6797 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellant heeft betrokkene in wezen ontheven uit zijn functie. Na dit besluit is betrokkene naar zijn werk blijven komen terwijl hij, na 1 februari 2014, geen werkzaamheden heeft kunnen verrichten, omdat deze hem niet meer werden opgedragen. Betrokkene is gedurende een aanzienlijke periode gaan “zweven”, wat volgens vaste rechtspraak van de Raad niet aanvaardbaar is (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 16 maart 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:BA3313). Reeds hierom kan het bestreden besluit geen stand houden. Dat aan betrokkene met besluit 2 alsnog - maanden na de ontheffing - andere werkzaamheden zijn opgedragen, kan dat evenmin anders maken als het door appellant gehanteerde mobiliteitsbeleid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2018/80
ABkort 2018/166
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/6797 AW

Datum uitspraak: 22 maart 2018

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

30 september 2016, 15/1777 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van bestuur van de Universiteit Twente (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.J. Boiten, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft dr. mr. F.J. van der Vaart, advocaat, een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 oktober 2017. Appellant werd vertegenwoordigd door mr. Boiten, ir. J.M. Sluijs en prof. dr. G.P.M.R. de Wulf. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door dr. mr. Van der Vaart en mr. I.L. van der Woude.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 3 maart 2008 is betrokkene met ingang van 1 maart 2008 voor onbepaalde tijd aangesteld als [naam functie 1] bij de Universiteit Twente (UT) en voor vijf jaar geplaatst bij de afdeling [afdeling 1] van de faculteit [naam faculteit] van de UT. Bij besluit van 5 maart 2013 is deze periode verlengd tot 1 januari 2014.

1.2.

Nadat appellant het voornemen daartoe bekend had gemaakt en betrokkene op

20 december 2013 zijn zienswijze had ingediend, heeft appellant bij besluit van

9 januari 2014 (besluit 1) aan betrokkene te kennen gegeven dat zijn benoeming als [naam functie 1] met ingang van 1 januari 2014 niet wordt verlengd. Daarbij is tevens bepaald dat betrokkene wordt aangemeld bij de herplaatsingscommissie, dat naar een andere passende functie zal worden gezocht binnen de UT en dat betrokkene met ingang van 1 augustus 2014 zal worden ontslagen, als hij daarvoor niet is herplaatst in een andere functie dan wel daarvoor niet zelf ontslag heeft genomen.

1.3.

Bij besluit van 10 juli 2014 (besluit 2) is betrokkene tijdelijk belast met andere werkzaamheden voor de [afdeling 2] ( [afdeling 2] ), vooralsnog tot

1 juni 2016.

1.4.

Op 1 december 2014, bevestigd bij e-mailbericht van 2 december 2014, is aan betrokkene meegedeeld dat hij zijn werkplek bij [naam faculteit] dient te ontruimen en dat een werkplek bij [afdeling 2] voor hem beschikbaar is.

1.5.

Bij besluit van 7 juli 2015 (bestreden besluit) heeft appellant de bezwaren van betrokkene tegen besluit 2 en de mededeling van 1 december 2014 ongegrond verklaard. Het bezwaar van betrokkene tegen besluit 1 is gegrond verklaard, voor zover het was gericht tegen de daarin opgenomen passages over ontslag en aanmelding bij de herplaatsingscommissie, welke passages zijn herroepen en het bezwaar is voor het overige ongegrond verklaard. Het niet verlengen van de benoeming als [naam functie 1] is in stand gelaten, onder aanvulling van de motivering.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Voorts heeft de rechtbank besluiten 1, 2 en de mededeling van 1 december 2014 herroepen en bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellant als redelijke grond aan het niet verlengen van betrokkenes benoeming als [naam functie 1] ten grondslag heeft gelegd dat betrokkene - anders dan wegens ziekte - onbekwaam of ongeschikt is voor het vervullen van die functie. Verwezen is naar vaste rechtspraak van de Raad inzake een ongeschiktheidsontslag. Volgens de rechtbank gelden in dit geval dezelfde criteria als ware sprake van een ontslag wegens ongeschiktheid. Aan deze criteria is niet voldaan. Niet is aangetoond dat betrokkene ongeschikt is voor het vervullen van zijn functie, terwijl hij pas in oktober 2013 voor het eerst is aangesproken op disfunctioneren en hij niet in de gelegenheid is gesteld om zijn functioneren te verbeteren. Daarom heeft de rechtbank besluit 1 herroepen en bepaald dat betrokkenes rechtspositie, zoals die onmiddellijk voorafgaand aan dat besluit bestond, herleeft. De rechtbank heeft besluit 2 en de mededeling van 1 december 2014, omdat ze op dezelfde (onjuiste) grondslag berusten, ook herroepen.

3. Appellant heeft op hierna te bespreken gronden hoger beroep ingesteld.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 1.10 van de CAO Nederlandse Universiteiten 2015-2016, voor zover van belang, is de werknemer verplicht een andere functie te aanvaarden, mits sprake is van een passende functie, wanneer het belang van de instelling dit vordert.

4.2.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 10 oktober 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2009) bestaat een overplaatsing uit twee componenten, namelijk het ontheffen uit de eigen functie en het opdragen van een andere functie. De nieuwe functie moet passend zijn.

4.3.

Betrokkene is voor onbepaalde tijd aangesteld als [naam functie 1] . Partijen hebben ter zitting meegedeeld dat bij aanvang van de aanstelling afgesproken is dat betrokkene om de vijf jaar geplaatst zou worden op een andere [functie] bij de UT, omdat mobiliteit op dit soort sleutelfuncties wenselijk wordt geacht.

4.4.

Bij besluit 1 heeft appellant betrokkene in wezen ontheven uit zijn functie van [naam functie 1] . Na dit besluit is betrokkene naar zijn werk blijven komen terwijl hij, na

1 februari 2014, geen werkzaamheden heeft kunnen verrichten, omdat deze hem niet meer werden opgedragen. Betrokkene is gedurende een aanzienlijke periode gaan “zweven”, wat volgens vaste rechtspraak van de Raad niet aanvaardbaar is (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 16 maart 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:BA3313). Reeds hierom kan het bestreden besluit geen stand houden. Dat aan betrokkene met besluit 2 alsnog - maanden na de ontheffing - andere werkzaamheden zijn opgedragen, kan dat evenmin anders maken als het door appellant gehanteerde mobiliteitsbeleid.

4.5.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt, gelet op wat is overwogen in 4.2 tot en met 4.4 met verbetering van gronden, voor bevestiging in aanmerking.

5. Er bestaat aanleiding appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene voor in hoger beroep verleende rechtsbijstand tot een bedrag van € 1.002,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 1.002,-;

- bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 503,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman als voorzitter en B.J. van de Griend en

H. Benek als leden, in tegenwoordigheid van C.A.E. Bon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 maart 2018.

(getekend) J.J.A. Kooijman

(getekend) C.A.E. Bon

IJ