Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:890

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-03-2018
Datum publicatie
03-04-2018
Zaaknummer
16/7350 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afgewezen aanvraag. Niet wonen op uitkeringsadres.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 7350 PW

Datum uitspraak: 27 maart 2018

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

24 oktober 2016, 16/1481 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant], zonder vaste woon- of verblijfplaats (appellant)

het dagelijks bestuur van de regionale sociale dienst Kromme Rijn Heuvelrug

(dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S. Wortel, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 februari 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Wortel. Als tolk is verschenen M. Kada. Het dagelijks bestuur heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft zich op 11 september 2015 bij het dagelijks bestuur gemeld om bijstand ingevolge de Participatiewet (PW) aan te vragen. Op 1 oktober 2015 heeft hij de aanvraag ingediend. Op het aanvraagformulier heeft appellant vermeld dat hij woont op het [adres]

te [plaatsnaam] (opgegeven adres), dat hij gescheiden is en dat zijn ex-partner met hun kinderen elders woont.

1.2.

Naar aanleiding van de aanvraag om bijstand heeft een handhaver van de Regionale Sociale Dienst Kromme Rijn Heuvelrug (handhaver) een onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van appellant. In dat kader heeft de handhaver onder meer op 29 oktober 2015 getracht een huisbezoek af te leggen aan de woning op het opgegeven adres en heeft

hij waarnemingen verricht. Verder heeft de handhaver samen met een collega op

19 november 2015 een gesprek gevoerd met appellant. Aansluitend op dit gesprek hebben de handhaver en een collega een huisbezoek afgelegd aan de woning op het opgegeven adres.

De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in het rapport van 9 november 2015.

1.3.

Naar aanleiding van de resultaten van het onderzoek heeft het dagelijks bestuur bij

besluit van 9 december 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 1 maart 2016

(bestreden besluit), de aanvraag van appellant afgewezen. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij woont op het opgegeven adres en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank - samengevat - het volgende overwogen. Hoewel gezien de verklaringen van appellant en de onderzoeksbevindingen niet valt uit te sluiten dat appellant zo nu en dan op het opgegeven adres aanwezig was, heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat hij in de te beoordelen periode - die loopt van 11 september 2015 tot en met 9 december 2015 - zijn hoofdverblijf op het opgegeven adres had. Daarbij komt in de eerste plaats betekenis toe aan het feit dat uit het onderzoek is gebleken dat appellant tijdens een onaangekondigd huisbezoek op 29 oktober 2015 niet thuis was en evenmin bij controles op 2 november 2015 en 5 november 2015. Met behulp van een stokje tussen de deur hebben de handhavers geconstateerd dat appellant in elk geval in de periode van 29 oktober tot

5 november 2015 en in de periode van 2 december tot 7 december 2015 niet in de woning is geweest. Dat appellant zijn woning door het raam naar binnen ging omdat hij, zoals hij heeft gesteld, ruim een maand zijn sleutel kwijt was, acht de rechtbank niet aannemelijk gemaakt. Ten tijde van het afleggen van het huisbezoek heeft appellant verklaard dat hij geen sleutel van de woning had. Hij is met behulp van een schroevendraaier via het raam de keuken van

de woning binnen gegaan en heeft - toen ook de keukendeur op slot bleek te zijn - met behulp van de schroevendraaier het glas uit die deur gehaald om de keukendeur te openen. Niet aannemelijk is dat appellant elke keer dat hij de woning wilde betreden dat op deze omslachtige wijze zou doen. Dat appellant niet zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres had vindt ook steun in wat tijdens het huisbezoek in de woning is aangetroffen. Zo was in de woning nauwelijks kleding aanwezig en zijn ook geen persoonlijke bezittingen of administratie van appellant aangetroffen. Verder is van belang dat de door appellant tijdens het gesprek op 19 november 2015 gegeven beschrijving van de inboedel op bepaalde punten niet overeenkwam met wat daarna tijdens het huisbezoek is aangetroffen. Zo heeft appellant verklaard dat zijn administratie bij de kleding in de kast in de slaapkamer lag, maar tijdens het huisbezoek kon appellant zijn administratie desgevraagd niet tonen. Appellant had tevens verklaard dat in de woonkamer een eethoek met vier stoelen stonden, die evenmin aanwezig waren. Voorts komt betekenis toe aan de omstandigheid dat appellant geen consistente verklaringen heeft afgelegd over de frequentie van zijn verblijf op het opgegeven adres en er evenmin een duidelijk beeld is ontstaan bij wie en waar appellant in de te beoordelen periode verder heeft verbleven. Appellant heeft zich in beroep op het standpunt gesteld dat hij vanwege psychische klachten niet de hele dag thuis kon zitten en hij daarom ook weleens bij vrienden en kennissen verbleef, maar bij het inleveren van stukken op 9 november 2015 heeft appellant te kennen gegeven dat hij tot dan toe maar af en toe op het opgegeven adres heeft verbleven en hij er vanaf die dag wel verblijft. Het standpunt van appellant dat hij door psychische problemen niet in staat was vaak aanwezig te zijn op het opgegeven adres leidt niet tot een ander oordeel. Die problemen doen namelijk geen afbreuk aan de onderzoeksbevindingen omtrent de feitelijke woonsituatie. Uit de door appellant overgelegde brief van zijn behandelaar bij Noagg blijkt verder niet dat appellant vanwege psychische problemen regelmatig niet thuis at en sliep. In deze brief heeft de behandelaar overigens ook vermeld dat appellant naar Utrecht is verhuisd en met hulp van zijn sociale netwerk een balans probeert te vinden. Uit deze brief kan worden afgeleid dat appellant zijn sociale netwerk - ook - in Utrecht heeft. Ten slotte heeft appellant met de door hem in bezwaar overgelegde verklaringen van buurtbewoners uit de omgeving van het opgegeven adres niet aannemelijk gemaakt dat hij in de te beoordelen periode feitelijk woonachtig was op het opgegeven adres. Deze verklaringen bevatten onvoldoende concrete feiten en omstandigheden over de feitelijke woonsituatie van appellant in de te beoordelen periode. Door geen duidelijkheid te verschaffen over zijn woon- en leefsituatie heeft appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden, waardoor het recht op bijstand in de te beoordelen periode niet kan worden vastgesteld. Het dagelijks bestuur heeft de aanvraag om bijstand dan ook terecht op die grond afgewezen.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft aangevoerd dat hij in de te beoordelen periode wel zijn hoofdverblijf op het opgegeven adres had. Dat hij tijdens het huisbezoek gemakkelijk op alternatieve wijze de woning op het opgegeven adres kon betreden, laat zien dat hij vaker op die manier de woning is binnen gegaan. Bovendien heeft appellant verklaard dat de woning zeer minimaal was ingericht omdat zijn ex-vrouw na de echtscheiding vrijwel de gehele inboedel had meegenomen. Daarnaast kampt appellant met psychische problemen, waardoor hij niet goed in staat is voor zichzelf te zorgen. Verder heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat de verklaringen van buurtbewoners onvoldoende concreet zijn. Van buurtbewoners kan immers niet worden verlangd dat zij gedetailleerde verklaringen afleggen over wat zij op welke dagen en tijdstippen hebben waargenomen. Ten slotte heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte niet heeft beoordeeld op basis van welke feiten en omstandigheden is gebleken dat het sociaal en maatschappelijk leven van appellant elders gevestigd is.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, zijn in wezen een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. Appellant heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van de in beroep aangevoerde gronden in de aangevallen uitspraak onjuist dan wel onvolledig is. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen, zoals onder 2 weergegeven, waarop dat oordeel rust. Hieraan voegt de Raad nog toe dat de beroepsgrond van appellant dat de rechtbank onvoldoende heeft gemotiveerd op basis van welke feiten en omstandigheden is gebleken dat zijn sociaal en maatschappelijk leven elders is gevestigd, berust op een onjuiste lezing van de aangevallen uitspraak.

4.2.

Uit 4.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen als voorzitter en Y.J. Klik en E.C.R. Schut als leden, in tegenwoordigheid van F. Dinleyici als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2018.

(getekend) P.W. van Straalen

(getekend) F. Dinleyici

LO