Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:887

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-03-2018
Datum publicatie
03-04-2018
Zaaknummer
16-3045 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering. Verzwegen GH.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 3045 PW, 17/1871 PW, 17/1874 PW

Datum uitspraak: 20 maart 2018

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Noord-Nederland van 5 april 2016, 15/4660 (aangevallen uitspraak 1), van 24 januari 2017, 16/1750 (aangevallen uitspraak 2) en 16/1749 (aangevallen uitspraak 3), en uitspraak op de verzoeken om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het dagelijks bestuur van de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid Noardwest Fryslân (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.A. van Seumeren, advocaat, hoger beroepen ingesteld tegen aangevallen uitspraken 1 en 2.

Namens appellant heeft mr. R.A. van Seumeren, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen aangevallen uitspraak 3.

Het dagelijks bestuur heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd plaatsgevonden op 6 februari 2018. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Van Seumeren. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door F.B. Visser.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving sinds 16 januari 2012 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Appellante stond ten tijde van belang met haar zoon in de Basisregistratie Personen ingeschreven op het adres [uitkeringsadres] (uitkeringsadres). Appellant stond ten tijde van belang ingeschreven op het adres [adres 2] .

1.2.

Naar aanleiding van anonieme tips van 24 mei 2014 en 21 mei 2015 dat appellante op het uitkeringsadres zou samenwonen, hebben een sociaal rechercheur van de Sociale Recherche Fryslân en een medewerker Bijzonder Onderzoek van de Dienst SoZaWe Noardwest Fryslân (SZW) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader heeft de sociaal rechercheur in de periode van 4 mei 2015 tot en met

10 mei 2015 waarnemingen verricht nabij het uitkeringsadres en hebben de sociaal rechercheur en de medewerker van SZW appellante en appellant op 30 juni 2015 afzonderlijk gehoord en aansluitend een huisbezoek op het uitkeringsadres afgelegd. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 10 juli 2015.

1.3.

Naar aanleiding van het gesprek met appellante op 30 juni 2015 heeft het dagelijks bestuur bij besluit van 10 juli 2015 de uitbetaling van de bijstand met ingang van 1 juli 2015 geblokkeerd.

1.4.

Bij besluit van 27 juli 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 14 oktober 2015 (bestreden besluit 1), heeft het dagelijks bestuur de (algemene en bijzondere) bijstand van appellante met ingang van 1 juli 2015 ingetrokken.

1.5.

Bij besluit van 2 november 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 9 maart 2016 (bestreden besluit 2), heeft het dagelijks bestuur de bijstand van appellante over de periode van 1 mei 2015 tot en met 30 juni 2015 ingetrokken en de in die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 1.873,62 van appellante teruggevorderd.

1.6.

Bij afzonderlijk besluit van 2 november 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van eveneens 9 maart 2016 (bestreden besluit 3), heeft het dagelijks bestuur het in 1.5 genoemde bedrag mede van appellant teruggevorderd.

1.7.

Aan de besluitvorming, zoals genoemd in 1.4 tot en met 1.6, ligt ten grondslag dat appellanten vanaf 1 mei 2015 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd in de woning op het uitkeringsadres, waarvan appellante geen mededeling heeft gedaan aan het dagelijks bestuur. Hiermee heeft appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden.

2.1.

Bij aangevallen uitspraken 1 en 2 heeft de rechtbank de beroepen van appellante tegen bestreden besluit 1 en bestreden besluit 2 ongegrond verklaard.

2.2.

Bij aangevallen uitspraak 3 heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen bestreden besluit 3 ongegrond verklaard.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen aangevallen uitspraak 1 en aangevallen uitspraak 2 gekeerd.

3.2.

In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen aangevallen uitspraak 3 gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In aangevallen uitspraak 1 is per abuis in plaats van het dagelijks bestuur het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [gemeente 1] als verweerder aangemerkt. Aangezien partijen door deze onjuiste vermelding in aangevallen uitspraak 1 niet zijn benadeeld, volstaat de Raad met verbetering van de partijstelling.

Intrekking

4.2.

De hier te beoordelen periode loopt van 1 mei 2015 tot en met 27 juli 2015.

4.3.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.4.

Ingevolge artikel 3, derde lid, van de PW is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. De vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding dient te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. Daarbij zijn omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang.

4.5.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellanten in de te beoordelen periode hun hoofdverblijf hadden in de woning op het uitkeringsadres, zoals ter zitting nog is toegelicht, zodat aan het eerste criterium voor het voeren van een gezamenlijke huishouding is voldaan.

4.6.

Het tweede criterium waaraan voor het aannemen van een gezamenlijke huishouding moet zijn voldaan, is dat van de wederzijdse zorg. Deze kan blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten of omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in zorg voor elkaar voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het zorgcriterium in een concreet geval is voldaan. Voor het aannemen van wederzijdse zorg is niet noodzakelijk dat de door ieder van beiden geboden zorg jegens elkaar dezelfde omvang en intensiteit heeft.

4.7.

Appellanten hebben aangevoerd dat er weliswaar sprake was van zorg, maar dat deze zorg overwegend eenzijdig van aard was. Appellante was zorgbehoevend vanwege haar gezondheidstoestand en appellant voorzag daar in. Bovendien was de door appellant aan appellante verleende zorg evident tijdelijk van aard. Deze tijdelijkheid blijkt uit de verklaring van appellant, waarin hij toelicht dat hij om veiligheidsredenen niet in zijn eigen woning maar slechts tijdelijk bij appellante op het uitkeringsadres verbleef. Ter ondersteuning hiervan hebben appellanten gewezen op de overgelegde huurovereenkomst die appellant heeft gesloten met ingang van 30 juli 2015 voor een eigen woning in [gemeente 2]. Volgens appellanten is er daarom geen sprake geweest van wederzijdse zorg. Deze beroepsgrond slaagt niet.

4.7.1.

Uit de verklaringen van appellanten van 30 juni 2015 blijkt dat tevens sprake was van het verlenen van zorg door appellante aan appellant. Zo heeft appellante verklaard: “Ik doe mijn eigen boodschappen. Als [appellant] bij mij is, eet hij wel mee. Hij betaalt niet mee aan de boodschappen. […] Vanaf mei 2015 is [appellant] dagelijks bij mij.”. Appellant heeft in dit verband verklaard: “We doen gezamenlijk boodschappen, maar ik betaal er niet aan mee” en “[appellante] kookt”. Uit deze verklaringen volgt dat appellante de boodschappen betaalde en ook voor appellant kookte. Verder heeft appellante appellant onderdak geboden in de woning op het uitkeringsadres. Niet gebleken is dat de zorg in dit geval louter eenzijdig is geweest.

4.7.2.

Dat de wederzijdse zorg, zoals hiervoor in 4.7.1 besproken, slechts een (zeer) tijdelijk karakter had, blijkt niet uit de door appellanten afgelegde verklaringen. Evenmin hebben appellanten dit op andere wijze aannemelijk gemaakt. Uit de onder 4.7 genoemde huurovereenkomst kunnen geen concrete feiten en omstandigheden worden afgeleid die tot een ander oordeel over de wederzijdse zorg zouden moeten leiden.

4.8.

Uit 4.5 tot en met 4.7.2 volgt dat appellanten een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. De door appellante overgelegde ongedateerde verklaring van haar achterneef, [achterneef] , en de brief van haar huisarts van 14 augustus 2015 - met als strekking dat geen sprake is geweest van een gezamenlijke huishouding - leiden niet tot een ander oordeel, alleen al omdat die heel algemeen zijn en concrete feiten en omstandigheden ontberen die zien op de hier te beoordelen periode. Dit betekent dat appellante als gehuwd moet worden aangemerkt. Appellante kon om die reden niet langer worden beschouwd als zelfstandig subject van bijstand en had dan ook geen recht op bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder.

4.9.

Voor zover appellante heeft betoogd dat de besluitvorming onzorgvuldig is geweest omdat het college niet direct na de waarnemingen in de periode van 4 tot en met 10 mei 2015 een besluit heeft genomen en dat daardoor de terugvordering onnodig is opgelopen, houdt die stelling alleen al geen stand omdat appellante in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting geen melding gemaakt van de gezamenlijke huishouding.

4.10.

Uit 4.8 en 4.9 volgt dat het dagelijks bestuur gehouden was de bijstand over de hier te beoordelen periode in te trekken.

(Mede-)terugvordering

4.11.

Appellante heeft nog aangevoerd dat er dringende redenen bestaan op grond waarvan het dagelijks bestuur van terugvordering had moeten afzien. Dringende redenen kunnen naar vaste rechtspraak (zie de uitspraak van 15 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:952) slechts zijn gelegen in onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen van een terugvordering voor de betrokkene. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt. Degene die zich beroept op dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien, zal het bestaan van de gestelde dringende redenen in de hiervoor bedoelde zin aannemelijk moeten maken. Hierin is appellante niet geslaagd. Zij heeft in dit verband gewezen op de moeilijke financiële situatie waarin zij en appellant zich bevinden, maar deze niet nader onderbouwd. Daarbij doen financiële gevolgen van een besluit tot terugvordering zich in het algemeen pas voor indien daadwerkelijk tot invordering wordt overgegaan en heeft appellante als schuldenaar bescherming, of kan zij deze zo nodig inroepen, van de regels over de beslagvrije voet als bedoeld in de artikelen 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

4.12.

Tegen de mede-terugvordering zijn geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd.

Conclusie

4.13.

Uit 4.5 tot en met 4.12 volgt dat de hoger beroepen niet slagen, zodat de aangevallen uitspraken moeten worden bevestigd. Gelet hierop bestaat voor veroordeling tot vergoeding van schade geen grond. De verzoeken daartoe zullen daarom worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraken;

- wijst de verzoeken om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door G.M.G. Hink als voorzitter en A.M. Overbeeke en

M. Schoneveld als leden, in tegenwoordigheid van F. Dinleyici als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2018.

(getekend) G.M.G. Hink

(getekend) F. Dinleyici

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding.

IJ