Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:882

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-03-2018
Datum publicatie
03-04-2018
Zaaknummer
16/5335 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijzondere bijstand voor inrichtingskosten. Verhuizing was voorzienbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 5335 PW

Datum uitspraak: 20 maart 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

7 juli 2016, 16/636 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Arnhem (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.O. Wattilete, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 februari 2018. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Wattilete. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

W.A.A. van Wees.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante is na verbreking van een relatie verhuisd van [plaatsnaam] naar de gemeente Arnhem. Zij is in [woonplaats] ingetrokken bij haar dochter, die een woning in eigendom had op het adres [adres A] te [woonplaats] (uitkeringsadres). Appellante heeft zich op 11 augustus 2014 bij de gemeente Arnhem gemeld voor een aanvraag om bijstand. Met ingang van die datum verleent het college appellante algemene bijstand, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW). Appellante heeft op 23 september 2015 bij het college een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand voor verhuiskosten, bestaande in de kosten van een vloer, een kookplaat, een koelkast en gordijnen.

1.2.

Bij besluit van 6 oktober 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 18 december 2015 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen. Het college heeft daaraan ten grondslag gelegd dat geen sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan in de zin van artikel 35, eerste lid, van de PW, nu appellante voor de gestelde kosten heeft kunnen reserveren.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De gevraagde kosten van woninginrichting moeten worden gerekend tot de periodiek dan wel incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Deze kosten dienen in beginsel te worden bestreden uit een inkomen op bijstandsniveau, hetzij door middel van reservering, hetzij door middel van gespreide betaling achteraf. Afzonderlijke bijstandsverlening is niet mogelijk, tenzij de kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden in het individuele geval, die ertoe leiden dat die kosten niet uit de algemene bijstand en de aanwezige draagkracht kunnen worden voldaan. De omstandigheid dat de alleenstaande of het gezin al dan niet de mogelijkheid heeft gehad om te reserveren voor de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt aangevraagd, is een aspect dat moet worden beoordeeld in het kader van de vraag of de zich voordoende, noodzakelijk kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden.

4.2.

Tussen partijen is in geschil of appellante voor de verhuiskosten heeft kunnen reserveren. Zij verschillen in dat kader van mening over het antwoord op de vraag of de verhuizing van appellante voorzienbaar was. Het college stelt zich op het standpunt dat de kosten voorzienbaar waren. Uit de zich bij de stukken bevindende huurovereenkomst tussen appellante en haar dochter blijkt dat op 28 augustus 2014 een huurovereenkomst is opgesteld voor de duur van een jaar, tot 1 september 2015. Uit de overeenkomst blijkt dat de verhuur tijdelijk is in verband met de voorgenomen verkoop van de woning. Appellante heeft aangevoerd dat deze huurovereenkomst slechts is opgemaakt met terugwerkende kracht om appellante in aanmerking te doen komen voor een door woningcorporatie [C] bij brief van 14 augustus 2015 aangeboden huurwoning in Rheden. Daarvoor moest appellante een acceptatieformulier, een eigen schriftelijke verklaring, een verhuurdersverklaring en een huurovereenkomst aan [C] overleggen. De dochter heeft appellante buiten haar medeweten ingeschreven voor die woning en heeft ook de huurovereenkomst zonder haar medeweten opgemaakt. Onder de huurovereenkomst heeft de dochter haar eigen handtekening en de handtekening van appellante gezet. De verhuizing op 21 september 2015 was daarom niet voorzienbaar, zodat appellante daarvoor niet heeft kunnen reserveren.

4.3.

De stelling van appellante dat haar verhuizing niet voorzienbaar was wordt niet onderschreven, reeds omdat deze geen steun vindt in verifieerbare en controleerbare bewijsstukken. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat de huurovereenkomst valselijk door de dochter is opgemaakt. Gelet op de beschikbare gegevens van de woningbouwvereniging [C] was immers niet nodig een huurovereenkomst over te leggen. [C] heeft slechts om een ingevulde verhuurdersverklaring gevraagd. De grond dat de verhuizing niet voorzienbaar was - en appellant om die reden niet heeft kunnen reserveren - slaagt derhalve al niet omdat appellant haar stelling onvoldoende heeft onderbouwd.

4.4.

Uit 4.2 en 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen, in tegenwoordigheid van L.V. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2018.

(getekend) P.W. van Straalen

(getekend) L.V. van Donk

HD