Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:875

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-02-2018
Datum publicatie
03-04-2018
Zaaknummer
16/1387 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken en terugvorderen. Verkoop via marktplaats. Niet wonen op uitkeringsadres. Samenwonen op ander adres. Geen dringende redenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 1387 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

28 januari 2016, 15/2541 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Noordenkwartier (dagelijks bestuur)

Datum uitspraak: 27 februari 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.A. Jansen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 januari 2018. Namens appellant is

mr. Jansen verschenen. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. R. Tellinga.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant staat sinds 1 januari 2004 in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, thans basisregistratie personen, ingeschreven op het adres [uitkeringsadres] te [woonplaats] (uitkeringsadres). Hij ontving sinds 1 januari 2011 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande, vermeerderd met een gemeentelijke toeslag van 20%.

1.2.

Naar aanleiding van op 12 juli 2011 en 20 september 2012 ontvangen anonieme meldingen, onder meer inhoudende dat appellant bij zijn vriendin, [naam vriendin] (H), woont op haar adres [Adres B] te [woonplaats] en dat appellant via internet op de website marktplaats.nl (Marktplaats) handel drijft, hebben medewerkers van ISD Noordenkwartier (medewerkers) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader hebben de medewerkers onder meer dossieronderzoek verricht, diverse systemen, waaronder Suwinet, geraadpleegd en internetonderzoek gedaan. Verder hebben zij de bewoner van het adres [Adres C] te [woonplaats] op 2 april 2013 en 20 augustus 2013 als getuige gehoord. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van 14 oktober 2013.

1.3.

Op 14 oktober 2013 heeft het dagelijks bestuur het dossier van appellant voor verder onderzoek overgedragen aan de Sociale Recherche Fryslân (sociale recherche). In dat kader heeft de sociale recherche onder meer verder dossieronderzoek verricht, H en de vader van appellant als getuigen gehoord en appellant als verdachte verhoord. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in rapportages van 12 december 2014 en 8 januari 2015.

1.4.

De onderzoeksresultaten zijn voor het dagelijks bestuur aanleiding geweest om bij besluit van 30 december 2014 de bijstand van appellant met ingang van 1 december 2014 in te trekken en bij besluit van 25 februari 2015 de bijstand van appellant over de periode van

1 januari 2011 tot en met 30 november 2014 in te trekken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 58.034,05 van appellant terug te vorderen. Het dagelijks bestuur heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd, voor zover hier van belang, dat appellant heeft nagelaten het dagelijks bestuur juiste inlichtingen te verstrekken over zijn woon- en leefsituatie en zijn activiteiten op Marktplaats en de inkomsten hieruit. Als gevolg van deze schending van de inlichtingenverplichting kan het dagelijks bestuur het recht van appellant op bijstand vanaf januari 2011 niet vaststellen.

1.5.

Op 8 januari 2015 heeft appellant zich gemeld voor het aanvragen van bijstand. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft het dagelijks bestuur een onderzoek ingesteld. In dat kader hebben medewerkers van ISD Noordenkwartier op 4 februari 2015 een huisbezoek afgelegd op het uitkeringsadres. Tijdens het huisbezoek heeft appellant verklaard dat hij nog niet op het uitkeringsadres woont, omdat het daar een chaos is en niet schoon, maar dat hij voornemens is daar per 1 maart 2015 te gaan wonen. Verder heeft appellant verklaard dat zijn administratie, zijn post en het grootste deel van zijn kleding bij H in de woning liggen. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van 16 februari 2015. In de resultaten van het onderzoek heeft het dagelijks bestuur aanleiding gezien bij besluit van 19 februari 2015 de aanvraag af te wijzen op de grond dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden, als gevolg waarvan het recht op bijstand niet is vast te stellen.

1.6.

Bij besluit van 8 juni 2015 (bestreden besluit) heeft het dagelijks bestuur de bezwaren tegen de besluiten van 30 december 2014, 25 februari 2015 en 19 februari 2015 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft op de hierna te bespreken gronden hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, komt erop neer dat onvoldoende grond bestaat voor het in stand laten van de na bezwaar gehandhaafde besluiten van 30 december 2014 en 25 februari 2015. Met betrekking tot het besluit van 19 februari 2015 heeft appellant geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd.

4.2.

Met ingang van 1 januari 2015 is de WWB ingetrokken en vervangen door de Participatiewet (PW). De besluiten van 25 februari 2015 en 19 februari 2015 zijn na 1 januari 2015 genomen, zodat ten aanzien van de formele bevoegdheidsgrondslag van die besluiten wordt beslist met toepassing van de PW. Uit het ontbreken van nadere bepalingen van overgangsrecht voor de situatie dat na 1 januari 2015 een bezwaarschrift wordt ingediend tegen een besluit dat is genomen op grond van de WWB volgt dat ook ten aanzien van de formele bevoegdheidsgrondslag van het besluit van 30 december 2014 wordt beslist met toepassing van de PW.

Intrekking

4.3.

De te beoordelen periode loopt in dit geval van 1 januari 2011 tot en met 30 december 2014. Deze periode is te onderscheiden in twee, hierna te markeren, perioden.

De periode van 1 januari 2011 tot en met 31 december 2012 (periode 1)

4.4.

Vaststaat dat appellant in de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 december 2012 in totaal 292 keer heeft geadverteerd op Marktplaats en dat in deze periode geregeld advertentiekosten voor Marktplaats aan appellant in rekening zijn gebracht. Gelet hierop en gelet op de overige onderzoeksbevindingen is het aannemelijk dat appellant in deze periode goederen heeft verkocht via Marktplaats, dat het niet om incidentele verkopen ging en dat appellant daaruit substantiële inkomsten heeft verkregen. Appellant heeft van deze opbrengsten van zijn Marktplaatsactiviteiten aan het dagelijks bestuur geen mededeling gedaan. Appellant heeft voorts van de in- en verkoop geen deugdelijke administratie of boekhouding bijgehouden. Gelet op het verhandelde ter zitting betwist appellant niet langer dat als gevolg hiervan het recht op bijstand over periode 1 niet is vast te stellen en het dagelijks bestuur daarom gehouden was om de bijstand over die periode in te trekken.

De periode van 1 januari 2013 tot en met 30 december 2014 (periode 2)

4.5.1.

Appellant betwist in hoger beroep niet langer dat hij vanaf 1 juli 2012 feitelijk niet woonachtig was op het uitkeringsadres en dat hij, door dit niet te melden bij het dagelijks bestuur, de inlichtingenverplichting heeft geschonden.

4.5.2.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor beëindiging of intrekking van de bijstand, indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat in het geval wel aan de inlichtingenverplichting zou zijn voldaan, over de betreffende periode recht op (aanvullende) bijstand bestond.

Indien ondanks de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand toch kan worden vastgesteld, ook al is dit nihil, dient het bijstandverlenend orgaan daartoe volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 20 september 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BB6243) over te gaan. Er is dan geen plaats voor intrekking van de bijstand op de grond dat als gevolg van de schending het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.5.3.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat over periode 2 - ondanks de schending van de inlichtingenverplichting - het recht op bijstand kan worden vastgesteld, aangezien hij in die periode niet actief was op Marktplaats en hij in die periode zijn hoofdverblijf had bij H en hij moet worden aangemerkt als een alleenstaande die woonkosten kon delen met H. Hij had in zoverre recht op bijstand.

4.5.4.

In reactie op de onder 4.5.3 weergegeven beroepsgrond van appellant is namens het dagelijks bestuur ter zitting toegelicht dat de gedingstukken tevens een toereikende grondslag bieden voor de conclusie dat de woon- en leefsituatie van appellant en H in periode 2 voldoet aan de criteria voor een gezamenlijke huishouding, zodat appellant in die periode niet als een zelfstandig subject van bijstand recht had op bijstand naar de norm voor een alleenstaande.

4.5.5.

Het dagelijks bestuur heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de gedingstukken een toereikende grondslag bieden voor het standpunt dat de woon- en leefsituatie van appellant en H in periode 2 voldoet aan de criteria voor een gezamenlijke huishouding. Daarbij is het volgende van belang.

4.5.6.

Ingevolge het in periode 2 geldende artikel 3, derde lid, van de WWB is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

4.5.7.

Gelet op 4.5.3 is niet in geschil dat aan het eerste criterium van een gezamenlijke huishouding voldaan. Ook aan het criterium van de wederzijdse zorg is voldaan. Daarbij komt zwaarwegende betekenis toe aan de verklaringen die appellant tijdens het verhoor tegenover de sociale recherche heeft afgelegd. Appellant heeft onder meer verklaard dat hij de honden van H verzorgt, dat hij H waar mogelijk financieel steunt door het doen van (kleine) boodschappen en dat hij in de woning van H lichte huishoudelijke taken verricht. Verder heeft appellant verklaard dat H voor hem zorgt door het (avond)eten klaar te maken, de vuile was te doen, hem een slaapplek te geven en hem financieel te steunen waar dat kan.

4.5.8.

Uit wat in 4.5.5 tot en met 4.5.7 is overwogen volgt dat appellant en H in periode 2 als een gezin als bedoeld in artikel 4, aanhef en onder c, van de WWB moesten worden beschouwd. Het dagelijks bestuur heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat appellant derhalve niet als een zelfstandig subject van bijstand recht had op bijstand naar de norm voor een alleenstaande, zodat het gehouden was ook over periode 2 de bijstand van appellant in te trekken.

Terugvordering

4.6.1.

Het dagelijks bestuur was vervolgens op grond van artikel 58, eerste lid, van de PW gehouden om de over periode 1 en periode 2 aan appellant verleende kosten van bijstand van hem terug te vorderen.

4.6.2.

Appellant heeft aangevoerd dat dringende redenen bestaan om van terugvordering af te zien. Deze zijn volgens appellant in de eerste plaats gelegen in het feit dat het dagelijks bestuur de vordering onnodig heeft laten oplopen, nu uit de rapportage van 14 oktober 2013 blijkt dat toen al duidelijk sprake was van een vermoeden van fraude. Pas eind 2014 heeft het dagelijks bestuur vervolgens actie ondernomen.

4.6.3.

Op grond van artikel 58, eerste lid, van de PW is het dagelijks bestuur in beginsel gehouden de als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting ten onrechte of tot een te hoog bedrag ontvangen bijstand van appellant terug te vorderen. Op grond van vaste rechtspraak (onder meer de uitspraak van

19 april 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1457) kunnen dringende redenen, op grond waarvan het bestuursorgaan met toepassing van artikel 58, achtste lid, van de PW kan besluiten om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien, slechts zijn gelegen in onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen voor de betrokkene. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt. Degene die zich beroept op dringende redenen om geheel of ten dele van terugvordering af te zien, zal het bestaan van de gestelde dringende redenen in de hiervoor bedoelde zin aannemelijk moeten maken.

4.6.4.

Nog daargelaten wat er zij van de vraag of het dagelijks bestuur in dit geval te lang heeft gewacht met het nemen van een intrekkingsbesluit, bestaat in wat appellant heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het dagelijks bestuur op grond van dringende

redenen had dienen af te zien van terugvordering, alleen al omdat dit niet ziet op de (onaanvaardbare) consequenties van de terugvordering (zie bijvoorbeeld de uitspraak van

20 mei 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ5733).

4.6.5.

Voor zover appellant in dit kader heeft aangevoerd dat hij maandelijks aflost en structureel over een minimuminkomen beschikt, heeft hij daarmee niet aannemelijk gemaakt dat de invordering voor hem heeft geleid tot onaanvaardbare gevolgen in de in 4.6.3 vermelde zin. De Raad benadrukt hier dat zich vele personen in de omstandigheid bevinden dat zij al langdurig op een schuld aflossen, zonder dat zij uitzicht hebben op het volledig aflossen van de verschuldigde hoofdsom. Appellant heeft, net als die anderen, de bescherming van de regels inzake de beslagvrije voet, zodat hij steeds de beschikking zal houden over een inkomen ter hoogte van 90% van de toepasselijke bijstandsnorm.

Slotoverwegingen

4.7.

Gelet op 4.4 tot en met 4.6.5 slaagt het hoger beroep van appellant niet. De aangevallen uitspraak zal om die reden worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen als voorzitter en M. Hillen en J.C.F. Talman als leden, in tegenwoordigheid van J. Tuit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2018.

(getekend) P.W. van Straalen

(getekend) J. Tuit

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

HD