Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:874

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-03-2018
Datum publicatie
03-04-2018
Zaaknummer
16/7491 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering garantietoeslag op grond van WTOS.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/7491 PW, 16/7492 PW, 17/8200 PW

Datum uitspraak: 13 maart 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

21 oktober 2016, 16/83, 16/90 en 16/1015 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Amersfoort (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. F.W. Verweij, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Het college heeft op 18 december 2017 een nieuwe beslissing op bezwaar (nader besluit) genomen ter zake van de boete.

Bij brief van 26 juni 2017 heeft mr. E. Ceylan, advocaat, zich als opvolgend gemachtigde van appellante gesteld.

Namens appellante is bij brief van 19 januari 2018 op het nader besluit gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 januari 2018. Namens appellante is verschenen mr. Ceylan. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.P. Ebbinge.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving sinds 13 maart 2008 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet. Tot 25 juni 2012 ontving zij bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder. Met ingang van 25 juni 2012 ontving zij bijstand naar de norm voor een alleenstaande, omdat haar enige, ten laste komende dochter [naam dochter] (dochter) toen de 18-jarige leeftijd bereikte. Bij besluit van 14 september 2012 heeft het college appellante in verband met de normwijziging met ingang van 1 juli 2012 een garantietoeslag van € 297,29 per maand toegekend.

1.2.

Bij besluit van 2 juni 2015 heeft het college de bijstand van appellante met ingang van 28 april 2015 ingetrokken op de grond dat zij niet bij het college heeft gemeld dat zij met ingang van die datum met [naam K] (K) een gezamenlijke huishouding voert op het uitkeringsadres. Bij besluit van 27 november 2015 heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 2 juni 2015 niet-ontvankelijk verklaard wegens niet verschoonbare termijnoverschrijding.

1.3.

Bij besluit van 29 juli 2015 heeft het college de garantietoeslag over de perioden van 1 juli 2013 tot en met 31 maart 2014 (periode 1) en van 1 april 2014 tot en met 31 maart 2015 (periode 2) ingetrokken en tot een bedrag van in totaal € 9.319,15 van appellante teruggevorderd. Bij besluit van 5 januari 2016 (bestreden besluit 1) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 29 juli 2015 gegrond verklaard voor zover het de hoogte van de terugvordering betreft en het terug te vorderen bedrag gewijzigd naar € 8.200,09. Aan de intrekking over periode 1 heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden waardoor het recht op de garantietoeslag niet kan worden vastgesteld. Aan de intrekking over periode 2 heeft het college ten grondslag gelegd dat de dochter met ingang van 1 april 2014 aanspraak op studiefinanciering in het kader van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) kan maken. De toepasselijke bijstandsnorm voor een alleenstaande vermeerderd met het normbedrag ingevolge de Wsf 2000 bedraagt meer dan de bijstandsnorm voor gehuwden, zodat appellante vanaf 1 april 2014 geen aanspraak kan maken op de garantietoeslag.

1.4.

Bij besluit van 12 augustus 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 27 november 2015 (bestreden besluit 2), heeft het college appellante een boete opgelegd van € 50,- op de grond dat zij niet bij het college heeft gemeld dat zij vanaf 28 april 2015 een gezamenlijke huishouding voert met K.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard,

besluit 2 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover daarbij haar beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond zijn verklaard.

3.2.

Hangende het hoger beroep heeft het college bij het nader besluit bestreden besluit 2 herzien en de aan appellante opgelegde boete gewijzigd in een schriftelijke waarschuwing omdat geen sprake is van een benadelingsbedrag.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het nader besluit zal op grond van de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede in de beoordeling worden betrokken.

Garantietoeslag periode 1

4.2.

De dochter ontving van 1 juli 2012 tot 1 juli 2013 een tegemoetkoming op grond van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (Wtos). Niet in geschil is dat appellante niet bij het college heeft gemeld dat haar dochter in periode 1 niet meer naar school ging. Gelet hierop heeft zij de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden.

4.3.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.

4.4.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de enkele stelling van appellante dat de dochter na het stoppen van de opleiding niets is gaan doen en dat zij dit moeilijk kan aantonen, daartoe onvoldoende is. Het betoog van appellante, ter zitting van de Raad, dat het college met nader onderzoek, bijvoorbeeld op basis van het sofi-nummer van de dochter, had kunnen achterhalen dat de dochter in periode 1 geen inkomsten heeft gehad, volgt de Raad niet nu het aan appellante is haar standpunt aannemelijk te maken. Deze beroepsgrond faalt.

Garantietoeslag periode 2

4.5.

Appellante heeft aangevoerd dat het college beleid hanteert inzake het (al dan niet) verstrekken van een garantietoeslag en bij de bepaling van het recht op de toeslag ten onrechte het gehele normbedrag van € 484,48, zoals destijds opgenomen in artikel 3:18 van de Wsf 2000, heeft meegeteld als gezinsinkomen. Appellante stelt zich daarnaast op het standpunt dat dit beleid niet redelijk is. Deze beroepsgronden slagen niet in verband met het volgende.

4.6.

Het college hanteert in gevallen van een alleenstaande ouder van wie het (jongste) kind 18 jaar wordt het beleid dat de inkomensachteruitgang door middel van bijzondere bijstand in de vorm van een toeslag wordt opgevangen. De toeslag kan alleen worden verstrekt wanneer het gezamenlijk inkomen van ouder en kind onder de bijstandsnorm voor gehuwden zit. Indien het kind studeert en het inkomen uit Wsf of Wtos bestaat, wordt het voor levensonderhoud bestemde deel als inkomen in aanmerking genomen. Het recht op toeslag vervalt wanneer het gezamenlijke inkomen de echtparennorm overtreft, één van beiden verhuist of het kind de leeftijd van 21 jaar bereikt.

4.7.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het onder 4.6 weergegeven beleid moet worden gekwalificeerd als buitenwettelijk begunstigend beleid. Dit betekent volgens vaste rechtspraak dat de aanwezigheid en de toepassing van dit beleid als gegeven wordt beschouwd, met dien verstande dat wordt getoetst of het beleid op een consistente wijze wordt toegepast (uitspraak van 17 juli 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX1735). Eveneens volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 26 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2297) zijn vragen of het beleid de grenzen van een redelijke beleidsbepaling te buiten gaat, of het beleid onredelijk is, dan wel of er sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 (slot) van de Awb daarom niet aan de orde.

4.8.

Zoals bevestigd namens het college ter zitting van de Raad, sluit het college in het kader van het onder 4.6 weergegeven beleid, voor de vaststelling van het inkomen van het kind dat studeert, aan bij het in artikel 3.18 van de Wsf 2000 genoemde bedrag dat bestemd is voor levensonderhoud. De rechtbank heeft terecht overwogen dat ten tijde hier van belang in voornoemd wetsartikel is bepaald dat dit normbedrag € 484,48 bedraagt en dat dit bedrag dan ook in overeenstemming met het ter zake gevoerde beleid door het college geheel is meegeteld bij de berekening van het gezamenlijk inkomen van appellante en de dochter om de hoogte van de garantietoeslag te bepalen. Uit het onder 4.7 genoemde toetsingskader volgt, tot slot, dat niet kan worden getreden in de beoordeling van de vraag of het beleid onredelijk is.

4.9.

Uit 4.2 tot en met 4.8 volgt dat het hoger beroep voor zover dat ziet op bestreden besluit 1 niet slaagt.

Boete

4.10.

Uit 3.2 volgt dat het college bestreden besluit 2 niet langer handhaaft. Dit besluit moet dan ook worden vernietigd. Als gevolg hiervan kan ook de aangevallen uitspraak voor zover het de boete betreft, niet in stand blijven. De Raad zal dan ook het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond verklaren en dat besluit vernietigen voor zover daarbij een boete is opgelegd en het besluit van 12 augustus 2015 in zoverre herroepen. Tegen het nader besluit heeft appellante geen beroepsgronden aangevoerd, zodat het beroep tegen dat besluit ongegrond zal worden verklaard.

5. Anders dan het college meent, bestaat aanleiding het college te veroordelen in de kosten van appellante. Deze worden begroot op € 501,- in bezwaar (bij bestreden besluit 1 reeds één punt vergoed voor het verschijnen op de hoorzitting op 19 november 2015), € 1.002,- in beroep en € 1.002,- in hoger beroep, voor verleende rechtsbijstand, derhalve in totaal

€ 2.505,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover het de boete betreft;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 27 november 2015 gegrond en vernietigt dat

besluit;

- herroept het besluit van 12 augustus 2015;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 18 december 2017 ongegrond;

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

- veroordeelt het college in de kosten van appellante tot een bedrag van € 2.505,-;

- bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 170,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van F. Dinleyici als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2018.

(getekend) E.C.R. Schut

(getekend) F. Dinleyici

HD