Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:861

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-03-2018
Datum publicatie
27-03-2018
Zaaknummer
17/3738 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WGA-uitkering terecht beëindigd. Afdoende rekening gehouden met de beperkingen van appellant. Geschiktheid voor de geselecteerde functies is afdoende gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 3738 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

19 april 2017, 15/6396 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 22 maart 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.M.H. Geubbels hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens heeft het Uwv nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 februari 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Geubbels. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. R.E.J.P.M. Rutten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Aan appellant is een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend met ingang van 11 april 2013, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 38% en de einddatum van de loongerelateerde uitkering is vastgesteld op 11 december 2014. Met ingang van 11 december 2014 heeft het Uwv aan appellant een WGA-vervolguitkering toegekend, waarbij de arbeidsongeschiktheidsklasse is vastgesteld op 35 tot 45%.

1.2.

Naar aanleiding van een melding van appellant van toegenomen arbeidsongeschiktheid heeft het Uwv, na een medische en arbeidskundige beoordeling, bij besluit van 3 maart 2015 vastgesteld dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is en dat daarom de

WGA-uitkering met ingang van 4 mei 2015 wordt beëindigd. Bij beslissing op bezwaar van

9 oktober 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellant tegen het besluit van

3 maart 2015 gemaakte bezwaar gegrond verklaard en vastgesteld dat de WGA-uitkering niet met ingang van 4 mei 2015 wordt beëindigd, maar met ingang van 23 november 2015. De in bezwaar gemaakte proceskosten zijn hierbij vergoed aan appellant.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellant tegen het bestreden besluit ingestelde beroep gegrond verklaard en dit besluit vernietigd wegens een gebrekkige motivering en onzorgvuldige voorbereiding van zowel de medische als de arbeidskundige grondslag. De rechtbank heeft aanleiding gezien om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. Hiertoe heeft zij overwogen dat met de in beroep gegeven nadere motivering van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de aangepaste Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) de geconstateerde gebreken in de medische grondslag zijn hersteld en dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep overtuigend heeft gemotiveerd dat in de aangepaste FML van 30 maart 2016 in afdoende mate rekening is gehouden met de psychische en lichamelijke beperkingen van appellant. Voor de door appellant gestelde (sterkere) beperkingen op vasthouden en verdelen van de aandacht, geheugen, verwerkingssnelheid, omgaan met conflicten, uiten van eigen gevoelens en samenwerken ziet de rechtbank geen objectief medische grondslag. De rechtbank is niet overtuigd van de geschiktheid van appellant voor de geselecteerde functie van medewerker intern transport (Sbc-code 111220), gelet op de in die functie voorkomende trillingsbelasting. Vervolgens heeft de rechtbank alle geselecteerde functies beoordeeld en geconcludeerd dat door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep overtuigend is gemotiveerd dat de overige twee aan de schatting ten grondslag gelegde functies van machinebediende inpak-/verpakkingsmachine (Sbc-code 271093) en procesoperator (Sbc-code 471101) geschikt zijn te achten voor appellant, evenals de reservefunctie van inpakker (Sbc-code 111190). De rechtbank volgt de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in haar standpunt dat het gebruik van gehoorbescherming geen overschrijding van de belastbaarheid van appellant oplevert en dat de functie van machinebediende dan ook, eventueel met gehoorbescherming, voor appellant geschikt is te achten. Bij een schatting op basis van deze drie functies blijft de mediane loonwaarde hetzelfde, waardoor het wegvallen van de functie van medewerker intern transport geen invloed heeft op het arbeidsongeschiktheidspercentage. Ten slotte heeft de rechtbank geen grond gezien voor toewijzing van het verzoek van appellant om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), omdat er weliswaar sprake was van overschrijding van de redelijke termijn met één maand en twee dagen maar dat, nu appellant in de bezwaarfase toestemming heeft gegeven voor verlenging van de beslistermijn met vier weken, deze overschrijding niet wordt meegenomen bij de berekening. De resterende overschrijding van twee dagen is zo minimaal dat de rechtbank hieraan geen gevolgen heeft verbonden.

3.1.

Het hoger beroep is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven. Appellant heeft hiertoe aangevoerd dat de gang van zaken, waarbij het Uwv de FML zowel in bezwaar als in beroep heeft aangepast en functies heeft laten vervallen en andere functies aan de schatting ten grondslag heeft gelegd, getuigt van onzorgvuldige besluitvorming. Bovendien zijn de beperkingen voor het verdelen en vasthouden van de aandacht onderschat. Appellant heeft niet alleen last van geluidsprikkels, maar ook van andere prikkels in de werkomgeving. Daarom heeft appellant de Raad verzocht om inschakeling van een onafhankelijk medisch deskundige om de beperkingen van appellant voor het verrichten van arbeid vast te stellen. De geselecteerde functies van machinebediende, procesoperator en inpakker zijn niet geschikt voor appellant, gelet op de in deze functies voorkomende wisselende diensten of wisselende werkomgeving, mondelinge instructies en vereiste mate van concentratie. Ook ten aanzien van de beoordeling van de geschiktheid voor appellant van de geselecteerde functies heeft appellant verzocht om inschakeling van een onafhankelijke deskundige. Verder heeft appellant de juistheid van de bij de functies gehanteerde uurlonen betwist, onder verwijzing naar een volgens hem onverklaarbaar verschil tussen het in 2013 en 2015 gehanteerde uurloon van twee geselecteerde functies met

Sbc-code 315020. Ten slotte heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM heeft afgewezen.

3.2.

Het Uwv heeft bij verweer het in beroep ingenomen standpunt gehandhaafd, waarbij de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep bij rapporten van 24 juli 2017 en 18 januari 2018 een nadere toelichting heeft gegeven op de geschiktheid van de geselecteerde functies op de door appellant aangedragen punten. De verschillen in uurlonen in de door appellant bedoelde functies van magazijnmedewerker zijn volgens het Uwv te verklaren omdat het verschillende functies betreft die onder dezelfde Sbc-code vallen. Bij de functie met het lagere loon gaat het om een magazijnmedewerker bij een constructiebedrijf en bij de functie met het hogere loon om een medewerker technisch magazijn.

4.1.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2.

Met juistheid heeft de rechtbank overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep met het nadere rapport van 30 maart 2016 en de aangepaste FML van 30 maart 2016 afdoende rekening heeft gehouden met de beperkingen van appellant. Door de verzekeringsarts bezwaar en beroep is overtuigend gemotiveerd dat, mede gelet op de beschikbare medische informatie, waaronder de door appellant ingebrachte informatie van GGZ [locatie] , voor verder gaande beperkingen geen grond is. Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd doet hieraan niet af, omdat hij geen nieuwe medische informatie heeft ingediend ter onderbouwing van zijn standpunt. Voor inschakeling van een onafhankelijk medisch deskundige bestaat dan ook geen grond.

4.3.

Uitgaande van de FML van 30 maart 2016 wordt het oordeel van de rechtbank onderschreven dat de geschiktheid voor appellant van de door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep bij rapport van 17 september 2015 geselecteerde (en in het rapport van 8 april 2016 gehandhaafde) functies van machinebediende inpak/-verpakkingsmachine, procesoperator niet-voedingsmiddelenindustrie en inpakker afdoende is gemotiveerd. In het rapport van

11 januari 2018 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de door appellant in hoger beroep ingebrachte gronden ten aanzien van de belasting in de functies overtuigend weerlegd. Het door appellant geconstateerde verschil in uurloon bij de in 2013 en 2015 voorkomende functies onder Sbc-code 315020 is verklaard met de toelichting van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep dat het verschillende functies onder dezelfde Sbc-code betreft. Voor inschakeling van een onafhankelijk geregistreerd arbeidsdeskundige ziet de Raad dan ook evenmin aanleiding.

4.4.

Appellant heeft ten slotte aangevoerd dat de rechtbank zijn verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn ten onrechte niet heeft gehonoreerd. Voor de wijze van beoordeling van een verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 van het EVRM, wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009). Voor het voorliggende geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst door het Uwv op 17 maart 2015 van het bezwaarschrift van appellant tot de datum van de aangevallen uitspraak van 19 april 2017 zijn twee jaar, één maand en twee dagen verstreken. Dit is meer dan twee jaar, zodat per instantie dient te worden bezien of sprake is van een langere behandelingsduur dan gerechtvaardigd. Vanaf 17 maart 2015 tot aan de datum van het bestreden besluit van 9 oktober 2015 zijn zes maanden, twee weken en zes dagen verstreken. Dit betekent dat de redelijke termijn van zes maanden in de bezwaarfase is overschreden. De omstandigheid dat appellant heeft ingestemd met een verdagingsverzoek van het Uwv van vier weken voor het nemen van het bestreden besluit, maakt niet dat de overschrijding van de redelijke termijn (mede) aan de opstelling van appellant te wijten is. Vanaf de datum van ontvangst van het beroepschrift van 16 november 2015 tot aan de datum van de aangevallen uitspraak van 19 april 2017 zijn minder dan

18 maanden verstreken. Dit betekent dat de redelijke termijn in de beroepsfase niet is overschreden. Het voorgaande leidt tot een schadevergoeding van € 500,-, waarbij de Raad in aanmerking neemt dat niet is gebleken van bijzondere feiten of omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat geen sprake is geweest van spanning en frustratie die als immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt. Omdat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaarfase dermate minimaal is dat hieraan geen gevolgen worden verbonden, slaagt het hoger beroep op dit punt en zal de aangevallen uitspraak worden vernietigd voor zover daarbij het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn is afgewezen. Het Uwv, waaraan deze overschrijding moet worden toegerekend, zal alsnog worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 500,- aan appellant.

4.5.

Gelet op de overwegingen 4.2 tot en met 4.4 slaagt het hoger beroep slechts voor zover het betreft het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

4.6.

Er is aanleiding het Uwv onder toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 501,- (2 punten x factor 0,5) wegens verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn is afgewezen;

- bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor het overige;

- veroordeelt het Uwv tot betaling aan appellant van een schadevergoeding ten bedrage van

€ 500,-;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van

€ 501,-;

- bepaalt dat het Uwv de door appellant betaalde griffierechten van in totaal € 169,- aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.E. Bakker als voorzitter en A.I. van der Kris en

E.J.J.M. Weyers als leden, in tegenwoordigheid van L.H.J. van Haarlem als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 maart 2018.

(getekend) R.E. Bakker

(getekend) L.H.J. van Haarlem

UM