Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:841

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-03-2018
Datum publicatie
27-03-2018
Zaaknummer
16/7229 PW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:6766, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het bezwaar is niet-ontvankelijk verklaard vanwege niet-verschoonbare termijnoverschrijding. Buiten termijn per post bezorgd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 7229 PW-PV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 26 oktober 2016, 16/3458 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Tilburg (college)

Datum uitspraak: 6 maart 2018

Zitting heeft: W.H. Bel

Griffier: P.C. de Wit

Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen:

1. Appellant ontving sinds 21 mei 2012 bijstand, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW), naar de norm voor een alleenstaande.

2. Bij besluit van 8 december 2015 heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 21 mei 2012 ingetrokken en de over de periode van 21 mei 2012 tot en met 30 november 2015 gemaakte kosten van bijstand van hem teruggevorderd. Het hiertegen gerichte bezwaarschrift is gedateerd op 18 januari 2016 en door het college ontvangen op 21 januari 2016. Bij besluit van 7 april 2016 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 8 december 2015 niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Het geschil tussen partijen is beperkt tot het antwoord op de vraag of appellant het bezwaarschrift, gelet op artikel 6:9, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, voor het einde van de bezwaartermijn van zes weken ter post heeft bezorgd.

4. De rechtbank heeft, samengevat, met juistheid het volgende overwogen. Op de envelop staat een poststempel van 20 januari 2016. Volgens vaste rechtspraak wordt bij de vaststelling van de dag waarop een brief ter post is bezorgd, uitgegaan van de op de envelop geplaatste poststempel, tenzij de verzender aannemelijk maakt dat de brief op een eerdere datum ter post is bezorgd. Appellant is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat hij het bezwaarschrift op een eerdere datum dan de poststempel vermeldt, ter post heeft bezorgd. De enkele verklaring van de gemachtigde van appellant dat het op zijn kantoor gebruikelijk is dat poststukken op de dag van datering worden verzonden, is niet toereikend.

5. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat sprake is van een ongerechtvaardigd onderscheid tussen de wijze en de betrouwbaarheid van de postverzending op het kantoor van de gemachtigde van appellant enerzijds en bijvoorbeeld die van het college anderzijds. In het algemeen wordt aangenomen dat een bepaalde wijze van postverzending door een overheidsorgaan betekent dat het ‘er voor moet worden gehouden’ dat deze handelwijze ook in een specifiek geval is toegepast. Als het gaat om de handelwijze van het kantoor van zijn gemachtigde gebeurt dit juist niet. Dit betoog, wat daarvan ook zij, slaagt niet, reeds omdat appellant in zijn specifieke geval niet betwist dat het college het besluit, waartegen hij bezwaar maakt, op de voorgeschreven wijze heeft bekendgemaakt.

6. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier De voorzitter

(getekend) P.C. de Wit (getekend) W.H. Bel

Voor eensluidend afschrift

de griffier van de

Centrale Raad van Beroep

IJ