Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:829

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-03-2018
Datum publicatie
22-03-2018
Zaaknummer
15/5701 WW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2015:3878, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Deze uitspraak is gerectificeerd met ECLI:NL:CRVB:2018:1296. De gerectificeerde tekst is opgenomen in ECLI:NL:CRVB:2018:1295, onderstaande tekst is niet meer geldig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2018/131
NJB 2018/709
RSV 2018/123
JB 2018/86
USZ 2018/156 met annotatie van G.C. Boot
SZR-Updates.nl 2018-0037
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/5701 WW, 15/7162 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

4 juni 2015, 14/3598 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

[betrokkene] (betrokkene)

De Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veilgheid) (Staat)

Datum uitspraak: 21 maart 2018

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en op 16 juli 2015 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.

Namens betrokkene heeft mr. B.J.M. Vernooij, advocaat, een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 maart 2017. Namens appellant is verschenen mr. A.J.J. van der Vlist. Het Uwv is met voorafgaand bericht niet verschenen. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Vernooij.

Naar aanleiding van een verzoek om schadevergoeding door appellant wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.

OVERWEGINGEN

1.1.

Betrokkene is met ingang van 10 mei 2010 aangesteld in de functie van [naam functie] bij de [naam dienst] van de gemeente Rotterdam. Hij is werkzaam geweest op basis van een aanstelling in tijdelijke dienst met een proeftijd van twee jaar. Betrokkene is laatstelijk op

28 oktober 2011 wegens psychische klachten uitgevallen voor zijn werkzaamheden. Bij besluit van 23 december 2011 heeft appellant betrokkene met ingang van 1 januari 2012 eervol ontslag verleend op eigen verzoek uit zijn functie van [naam functie] . In aansluiting daarop heeft het Uwv betrokkene van 2 januari 2012 tot en met 24 oktober 2013 in aanmerking gebracht voor (een voorschot op) een uitkering op grond van de Ziektewet. Vervolgens heeft betrokkene bij het Uwv een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) aangevraagd.

1.2.

Bij besluit van 13 november 2013 heeft het Uwv beslist dat betrokkene vanaf

25 oktober 2013 wel recht heeft op een WW-uitkering, maar dat deze uitkering blijvend geheel wordt geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid omdat betrokkene zelf ontslag heeft genomen zonder dat dit volgens de werkgever nodig was. Betrokkene heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

1.3.

Bij besluit van 22 april 2014 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 13 november 2013 gehandhaafd met een gewijzigde motivering. Aan bestreden besluit 1 is ten grondslag gelegd dat een verzekeringsarts bezwaar en beroep op basis van dossieronderzoek tot de conclusie is gekomen dat er onvoldoende medische grond is om de werkloosheid van betrokkene niet verwijtbaar te achten. Betrokkene heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

2.1.

De rechtbank heeft in haar tussenuitspraak van 6 februari 2015 geconcludeerd dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat betrokkene niet heeft voorkomen dat hij verwijtbaar werkloos is geworden, maar dat het Uwv niet heeft onderzocht of het niet nakomen van die verplichting betrokkene in overwegende mate kan worden verweten. Daarom is het bestreden besluit in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd. Met toepassing van artikel 8:51a van de Awb heeft de rechtbank het Uwv in de gelegenheid gesteld het geconstateerde gebrek te herstellen.

2.2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, bepaald dat het Uwv opnieuw moet beslissen op het bezwaar met inachtneming van haar uitspraak en bepalingen gegeven over de vergoeding van proceskosten en griffierecht. De rechtbank heeft vastgesteld dat het Uwv naar aanleiding van de tussenuitspraak geen nader onderzoek heeft verricht naar de vraag of het niet nakomen van de verplichting tot het voorkomen van verwijtbare werkloosheid betrokkene in overwegende mate kan worden verweten. Daarmee is het geconstateerde gebrek niet hersteld. Naar het oordeel van de rechtbank zijn in de gedingstukken voldoende aanknopingspunten te vinden voor het oordeel dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid. De rechtbank heeft daarbij verwezen naar twee brieven van de psycholoog S. Raja waaruit blijkt dat betrokkene onder grote psychische druk stond vanwege het arbeidsconflict met zijn werkgever. Hoewel deze psycholoog betrokkene niet heeft geadviseerd om zo spoedig mogelijk ontslag te nemen, heeft hij wel geconcludeerd dat het voortduren van het arbeidsconflict zou kunnen leiden tot een verergering van de psychische klachten. Vanuit dit oogpunt heeft de psycholoog betrokkene geadviseerd om naar ander werk uit te kijken. Gelet hierop heeft de rechtbank geoordeeld dat de ontslagname betrokkene niet in overwegende mate kan worden verweten en dat het Uwv de WW-uitkering van betrokkene met toepassing van artikel 27, eerste lid, van de WW niet blijvend geheel had mogen weigeren, maar slechts over ten hoogste een periode van 26 weken over de helft van het aantal uren waarover het recht op uitkering zou zijn geëindigd of niet zou zijn ontstaan.

3.1.

Het Uwv heeft berust in de aangevallen uitspraak en ter uitvoering daarvan op

16 juli 2015 opnieuw beslist op het bezwaar van betrokkene (bestreden besluit 2), waarbij het bezwaar van betrokkene alsnog gegrond is verklaard en met ingang van 25 oktober 2013 een maatregel is opgelegd inhoudende een verlaging van het uitkeringspercentage naar 35% gedurende 26 weken.

3.2.

Het Uwv heeft een afschrift van bestreden besluit 2 verzonden naar appellant. De rechtbank heeft op 18 augustus 2015 een afschrift van de aangevallen uitspraak naar appellant gefaxt. Diezelfde dag heeft appellant per fax hoger beroep ingesteld.

3.3.

Appellant stelt zich op het standpunt dat de aangevallen uitspraak onzorgvuldig tot stand is gekomen omdat de rechtbank hem, als overheidswerkgever, ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld om als partij aan het geding deel te nemen. Hierdoor heeft appellant niet de gelegenheid gehad om zijn zienswijze op de door betrokkene ingediende gronden in beroep kenbaar te maken. De rechtbank heeft de zienswijze dan ook niet kunnen betrekken in de beoordeling van het geschil. Volgens appellant komt de aangevallen uitspraak reeds hierom voor vernietiging in aanmerking.

3.4.

Appellant kan zich ook inhoudelijk niet verenigen met de aangevallen uitspraak. Appellant stelt zich op het standpunt dat het Uwv bij bestreden besluit 1 op goede gronden heeft besloten de WW-uitkering van appellant blijvend geheel te weigeren wegens verwijtbare werkloosheid. Volgens appellant heeft de rechtbank niet gemotiveerd waarom het oordeel van de behandelend psycholoog Raja in dit geval zwaarder dient te wegen dan het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv. Voorts heeft appellant erop gewezen dat de bedrijfsarts heeft vastgesteld dat betrokkene ondanks zijn beperkingen nog arbeidsmogelijkheden had, dat er een aanbod voor mediation lag waar betrokkene geen gebruik van heeft gemaakt en dat betrokkene tijdens een gesprek op 21 december 2011 is gewezen op de gevolgen van een ontslag op eigen verzoek.

3.5.

Betrokkene heeft in zijn schriftelijke uiteenzetting betoogd dat appellant niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn hoger beroep, omdat het te laat is ingediend. Volgens betrokkene is deze termijnoverschrijding niet verontschuldigbaar omdat appellant al op, of vlak na, 16 juli 2015 op de hoogte is gebracht van bestreden besluit 2 en binnen twee weken na het bekend worden met dat besluit hoger beroep had moeten instellen, hetgeen niet is gebeurd. Inhoudelijk kan betrokkene zich verenigen met de aangevallen uitspraak. Betrokkene erkent dat hij als gevolg van het ontslag op eigen verzoek verwijtbaar werkloos is geworden, maar is van mening dat de werkloosheid hem niet in overwegende mate valt te verwijten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

4.1.1.

Op grond van artikel 6:24 van de Awb in samenhang met de artikelen 6:7, 6:8, 6:9 en 6:11 van die wet geldt het volgende. De termijn voor het indienen van een hoger beroepschrift bedraagt zes weken. Deze termijn gaat in op de dag na die waarop de aangevallen uitspraak door middel van de toezending van een afschrift aan partijen is bekendgemaakt. Een beroepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Bij verzending per post is een beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. Ten aanzien van een na afloop van de beroepstermijn ingediend beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

4.1.2.

Op grond van artikel 8:26 van de Awb kan de bestuursrechter tot na de sluiting van het onderzoek ter zitting ambtshalve, op verzoek van een partij of op eigen verzoek, belanghebbenden in de gelegenheid stellen als partij aan het geding deel te nemen.

4.1.3.

Op grond van artikel 8, eerste lid, van de Procesregeling bestuursrecht 2013 stelt de rechtbank indien aanstonds blijkt van een derde-belanghebbende hem binnen twee weken na ontvangst van het beroepschrift en de gronden van het beroep ambtshalve in de gelegenheid als partij aan het geding deel te nemen.

4.2.

Appellant heeft als derde belanghebbende in de bezwaarfase een zienswijze ingebracht ten aanzien van de aanvraag van betrokkene om een WW-uitkering en heeft daarin tot uitdrukking gebracht dat appellant geen recht op een WW-uitkering heeft. Het belang van appellant was duidelijk en bleek zonder meer en aanstonds. Niettemin heeft de rechtbank appellant, in strijd met artikel 8:26 van de Awb en artikel 8, eerste lid, van de Procesregeling 2013 niet in de gelegenheid gesteld om aan het geding deel te nemen. Appellant moet daarom in de situatie worden gebracht waarin hij zou hebben verkeerd als de rechtbank deze fout niet had gemaakt. Dat betekent dat in dit geval de termijn voor het instellen van hoger beroep eerst is gaan lopen op de dag nadat de aangevallen uitspraak aan appellant bekend is gemaakt.

4.3.

Vaststaat dat appellant op 18 augustus 2015 een afschrift van de aangevallen uitspraak heeft ontvangen van de rechtbank. Appellant heeft nog diezelfde dag per fax hoger beroep ingesteld. Het hoger beroep is daarmee tijdig ingediend.

Omvang van het geding in hoger beroep

4.4.

Bestreden besluit 2 wordt, gelet op het bepaalde in de artikelen 6:19 en 6:24 van de Awb, mede in de beoordeling betrokken.

Artikel 8:26 Awb

4.5.

Op grond van artikel 8:26 van de Awb kan de bestuursrechter een belanghebbende in de gelegenheid stellen als partij aan het geding deel te nemen. Artikel 79, eerste lid, van de WW bepaalt, voor zover hier van belang, dat het Uwv op de overheidswerkgever tot wie de dienstbetrekking bestond uit hoofde waarvan de overheidswerknemer de WW-uitkering ontvangt, de uitkering verhaalt. Gelet op deze bepaling dient appellant, als overheidswerkgever, als belanghebbende te worden aangemerkt bij een besluit met betrekking tot de aanspraken van een van zijn werknemers op een uitkering op grond van de WW. In het onderhavige geval is sprake van een dergelijk besluit. Appellant heeft terecht aangevoerd dat het op de weg van de rechtbank had gelegen toepassing te geven aan artikel 8:26 van de Awb en om appellant, als overheidswerkgever, in de gelegenheid te stellen als partij aan het geding deel te nemen. Omdat de zaak geen nadere behandeling door de rechtbank behoeft, zal de zaak niet worden teruggewezen naar de rechtbank.

Verwijtbare werkloosheid

4.6.

Artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW legt op de werknemer de verplichting te voorkomen dat hij verwijtbaar werkloos wordt. Volgens artikel 24, tweede lid, aanhef en onder b, van de WW is de werknemer verwijtbaar werkloos indien de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de werknemer zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren zijn verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd. Als de werknemer de verplichting om werkloosheid te voorkomen niet is nagekomen, weigert het Uwv op grond van artikel 27, eerste lid, van de WW de uitkering blijvend geheel, tenzij het niet nakomen van de verplichting de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten. In dat geval weigert het Uwv de uitkering niet over de volledige uitkeringsduur, maar over ten hoogste een periode van 26 weken over de helft van het aantal uren waarover het recht op uitkering zou zijn geëindigd of niet zou zijn ontstaan.

4.7.

Tussen partijen is niet meer in geschil dat betrokkene verwijtbaar werkloos is geworden als bedoeld in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, en artikel 24, tweede lid, aanhef en onder b, van de WW. Partijen worden alleen nog verdeeld gehouden over het antwoord op de vraag of betrokkene het niet nakomen van de verplichting om te voorkomen dat hij verwijtbaar werkloos wordt, niet in overwegende mate kan worden verweten.

4.8.

Psycholoog Raja heeft in zijn brief van 5 juni 2012 vermeld dat bij betrokkene sprake was van ernstige spanningsklachten, stemmingsklachten en slaapproblemen nadat er problemen waren ontstaan op de werkvloer. Omdat de klachten het directe gevolg van het arbeidsconflict lijken te zijn, is in meerdere gesprekken met de psycholoog naar voren gekomen dat het wegvallen van de stress veroorzakende factor – het arbeidsconflict – zou leiden tot vermindering van klachten. Het voortduren van het arbeidsconflict zou mogelijk leiden tot een verergering van psychische klachten. Vanuit het oogpunt van herstel is betrokkene geadviseerd te kijken naar andere arbeidsmogelijkheden. Betrokkene heeft mede op basis van dit advies besloten ontslag te nemen om de invloed van de stress veroorzakende factor tot een minimum te beperken en zijn psychische klachten te verminderen.

4.9.

Gelet hierop, en mede gelet op het feit dat het Uwv alleen dossieronderzoek naar de psyche van betrokkene heeft verricht, heeft de rechtbank op goede gronden geoordeeld dat de werkloosheid betrokkene niet in overwegende valt te verwijten. In wat appellant heeft aangevoerd is geen grond gelegen voor een ander oordeel. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat er voor betrokkene objectief bezien wellicht nog mogelijkheden waren het dienstverband voort te zetten, maar dat betrokkene zich, op basis van het advies van zijn behandelend psycholoog, genoodzaakt heeft gevoeld om ontslag te nemen.

Conclusie

4.10.

Uit wat in 4.6 tot en met 4.9 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. Het beroep dat ingevolge artikel 6:19 van de Awb is gericht tegen het besluit van 16 juli 2015 is ongegrond.

4.11.

Appellant heeft terecht geklaagd dat de rechtbank hem niet als belanghebbende in de gelegenheid heeft gesteld om als partij aan het geding deel te nemen. Er is daarom aanleiding het Uwv te veroordelen tot vergoeding van het door appellant betaalde griffierecht. Van voor vergoeding in aanmerking te nemen proceskosten aan de zijde van appellant is niet gebleken. Er is tevens aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1002,-. aan kosten van rechtsbijstand.

Overschrijding van de redelijke termijn

5.1.

Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009, is de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen. In die uitspraak is verder overwogen dat de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar mag duren. Doorgaans zal geen sprake zijn van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. Verder heeft de Raad in die uitspraak overwogen dat in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast is van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.

5.2.

Appellant heeft op 18 december 2013 bezwaar gemaakt tegen het besluit van

13 november 2013. Op het moment waarop in deze zaak uitspraak wordt gedaan, zijn, uitgaande van 18 december 2013, meer dan vier jaar, maar minder dan vier en een half jaar verstreken. Noch in de zaak zelf, noch in de opstelling van appellant zijn aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaren zou mogen bedragen. Dit betekent dat de redelijke termijn is overschreden met minder dan een half jaar. De behandeling in de rechterlijke fase heeft in totaal meer dan drie en een half jaar geduurd, waarvan meer dan twee jaar door de Raad. Dat betekent dat de overschrijding van de redelijke termijn voor rekening van de Staat komt. De Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellant tot een bedrag van € 500,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 16 juli 2015 ongegrond;

  • -

    veroordeelt de Staat tot betaling aan appellant van een vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn tot een bedrag van € 500,-;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van in € 1.002,-;

  • -

    bepaalt dat het Uwv aan appellant het door hem in hoger beroep betaalde griffierecht van

€ 497,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en A.I. van der Kris en E. Dijt als leden, in tegenwoordigheid van N. van Rooijen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2018.

(getekend) H.G. Rottier

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

GdJ