Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:794

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-03-2018
Datum publicatie
27-03-2018
Zaaknummer
17/1887 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitvoering geven aan uitspraak Raad. Rekenkundige uitwerking. Bevoegdheid intrekken en terugvorderen niet meer aan orde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 1887 WWB

Datum uitspraak: 13 maart 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

7 februari 2017, 16/3262 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Gemert-Bakel (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. K.E. van den Ing, advocaat, hoger beroep ingesteld. Tevens heeft hij een verzoek om schadevergoeding ingediend.

Het college heeft een verweerschrift en, op een vraag van de Raad, een reactie en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 januari 2018. Namens appellante is

mr. Van den Ing verschenen. Het college is, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

De Raad verwijst met betrekking tot de voorgeschiedenis van deze zaak naar zijn, tussen partijen gewezen, uitspraak van 14 juni 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2374. In deze uitspraak heeft de Raad geoordeeld dat het besluit waarbij de bijstand van appellante over de periode van 12 november 2009 tot en met 31 mei 2012 is ingetrokken, in rechte onaantastbaar is. De Raad heeft verder geoordeeld dat het college bewust langdurig heeft stilgezeten, waar geboden was onderzoek te laten doen naar de juistheid van de sterke, intern aanwezige en concrete aanwijzingen dat de verlening van bijstand aan appellante geheel of gedeeltelijk ten onrechte geschiedde. De bij het besluit van 6 juni 2013 na bezwaar gehandhaafde terugvordering kan daarom alleen over de periode van 12 november 2009 tot en met 31 december 2010 in stand blijven. Het college dient een nieuwe berekening te maken van het terug te vorderen bedrag over deze periode. De Raad heeft de destijds bestreden uitspraak vernietigd, het beroep tegen het besluit van 6 juni 2013 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd, en het college opgedragen om met inachtneming van de uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met betrekking tot de terugvordering over de periode van 12 november 2009 tot en met 31 december 2010.

1.2.

Ter uitvoering van die uitspraak heeft het college bij besluit van 10 augustus 2016 (bestreden besluit) het besluit van 6 juni 2013 herroepen, in die zin dat de teveel ontvangen bijstand als gevolg van de (onherroepelijke) intrekking van de bijstand over de periode van 12 november 2009 tot 1 juni 2012 wordt gematigd tot de teveel ontvangen bijstand over de periode van 12 november 2009 tot en met 31 december 2010 tot een bedrag van € 20.045,45 bruto.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft aangevoerd dat zij voor het nemen van het bestreden besluit ten onrechte niet is gehoord. Voorts heeft appellante aangevoerd dat het college bij het nemen van het bestreden besluit had moeten meenemen dat over de herziene periode van terugvordering alle uitgaven met de door haar aangetoonde middelen zijn onderbouwd. Verder had het college een nieuwe taxatie van de waarde van de woonwagen van 18 maart 2015 moeten meenemen, nu daaruit een veel lagere waarde blijkt. Voorts heeft het stilzitten van het college tot nadelige gevolgen voor appellante geleid, nu zij daardoor in een nadelige bewijspositie is komen te verkeren.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad ziet zich geplaatst voor de vraag of de aangevallen uitspraak in stand kan blijven, meer in het bijzonder voor de vraag of het college met het bestreden besluit een juiste uitvoering heeft gegeven aan de onder 1.1 vermelde uitspraak. Evenals de rechtbank beantwoordt de Raad die vraag bevestigend.

4.2.

In de onder 1.1 vermelde uitspraak is een definitief oordeel gegeven over de schending van de inlichtingenverplichting, over de intrekking en over de bevoegdheid tot terugvordering over de periode van 12 november 2009 tot en met 31 december 2010. Blijkens de uitspraak van de Raad was de opdracht aan het college slechts een rekenkundige. Daarom ligt hier alleen de nieuwe berekening van het over deze periode terug te vorderen bedrag ter beoordeling voor en bestaat geen ruimte om de bevoegdheid tot intrekking van de bijstand en de wijze van uitoefening van die bevoegdheid en de bevoegdheid tot terugvordering van de bijstand over de periode van 12 november 2009 tot en met 31 december 2010 nog ter discussie te stellen. Appellante heeft tegen de berekening van het terugvorderingsbedrag geen beroepsgronden gericht.

4.3.

De beroepsgrond dat appellante vóór het nemen van het bestreden besluit ten onrechte niet is gehoord, treft geen doel. Artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht houdt naar vaste rechtspraak (uitspraak van 7 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9829)

niet tevens een algemene verplichting in tot het opnieuw horen bij het nemen van een nieuw besluit op bezwaar ter uitvoering van een rechterlijke uitspraak waarbij het eerste besluit

op bezwaar is vernietigd. Weliswaar kan het onder omstandigheden uit een oogpunt van zorgvuldigheid noodzakelijk zijn om de belanghebbende bij het nemen van een nieuw besluit op bezwaar opnieuw te horen, maar in dit geval doet zich een zodanige situatie niet voor. Daarbij is van belang, zoals hiervoor onder 4.2 overwogen, dat de onder 1.1 vermelde uitspraak van de Raad geen ruimte meer liet om de bevoegdheid tot intrekking van de bijstand en de wijze van uitoefening van die bevoegdheid en de bevoegdheid tot terugvordering van

de bijstand over de periode van 12 november 2009 tot en met 31 december 2010 nog ter discussie te stellen.

4.4.

Uit 4.2 en 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Voor een veroordeling tot vergoeding van schade bestaat onder deze omstandigheden geen ruimte, zodat het verzoek daartoe moet worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door J.T.H. Zimmerman, in tegenwoordigheid van F. Demiroǧlu als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2018.

(getekend) J.T.H. Zimmerman

(getekend) F. Demiroǧlu

LO