Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:790

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-02-2018
Datum publicatie
20-03-2018
Zaaknummer
16/4512 WWAJ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wajong-aanvraag terecht afgewezen. Zorgvuldig medisch onderzoek. Geen twijfel aan de juistheid van de bevindingen van de verzekeringsarts

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 4512 WWAJ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

30 mei 2016, 15/4055 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 22 februari 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.P. Spanjer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nog stukken ingediend.

Het Uwv heeft een vraag van de Raad beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 januari 2018. Appellante is in persoon verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Roele.

OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voor de leesbaarheid van de uitspraak het volgende voorop.

Op 1 januari 1998 is in werking getreden de Wet van 24 april 1997 (Stb. 1997, 177) houdende voorziening tegen geldelijke gevolgen van langdurige arbeidsongeschiktheid voor jonggehandicapten. Volgens artikel 79 van die wet was de citeertitel van de wet: Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten. De Raad duidt deze wet aan als Wajong 1998. Bij de Wet van 3 december 2009 (Stb. 2009, 582) is de Wet van 24 april 1997 met ingang van 1 januari 2010 gewijzigd en is de tekst vernummerd. Volgens artikel 8:12 was de citeertitel van de gewijzigde wet: Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten. De Raad duidt deze met ingang van 1 januari 2010 gewijzigde wet aan als Wajong 2010. Bij de Wet van 3 december 2014 (Stb. 2014, 495) is de Wet van 24 april 1997 met ingang van

1 januari 2015 gewijzigd. Zo is een aantal artikelen gewijzigd en is Hoofdstuk 1A toegevoegd. Volgens artikel 8:12 is ook de citeertitel gewijzigd in: Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten. De Raad duidt deze met ingang van

1 januari 2015 gewijzigde wet aan als Wajong 2015. Voor zover het verschil in tekst van de Wajong 1998, de Wajong 2010 en de Wajong 2015 niet relevant is, wordt hierna de Wajong zonder jaaraanduiding genoemd.

2.1.

Appellante is geboren [in] 1990. Zij heeft op 27 februari 2013 een Wajong-aanvraag gedaan. Bij besluit van 22 mei 2013 heeft het Uwv deze aanvraag afgewezen. Het door appellante tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van

24 oktober 2013 ongegrond verklaard omdat appellante met de bij haar bestaande beperkingen in staat wordt geacht op 19 juni 2013 (de dag dat de arbeidsondersteuning mogelijk zou kunnen ingaan) in algemeen geaccepteerde arbeid een inkomen te verdienen van meer dan 75% van het minimumloon. Het beroep tegen het besluit van 24 oktober 2013 is door de rechtbank Noord-Holland bij uitspraak van 16 april 2014 (13/4609) ongegrond verklaard.

2.2.

Op 29 december 2014 heeft appellante opnieuw een Wajong-aanvraag ingediend wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid binnen vijf jaar. Appellante heeft vermeld dat de klachten verband houdend met haar huidallergie zijn toegenomen en dat voor die klachten medio 2014 de diagnose urticariële vasculitis (UV) is gesteld. Bij besluit van 4 maart 2015 heeft het Uwv de aanvraag afgewezen, omdat appellante ondanks haar beperkingen niet duurzaam geen arbeidsmogelijkheden heeft. Het door appellante tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 29 juli 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat de beoordeling van de aanvraag dient plaats te vinden aan de hand van de bepalingen van de Wajong 2010. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat sprake is van een zorgvuldig medisch onderzoek, omdat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een medisch onderzoek heeft verricht, zij naast dossieronderzoek tevens medische informatie heeft ingewonnen bij de behandelend internist en een medische website heeft geraadpleegd met overzichten van de wetenschappelijke stand van zaken over de huidaandoening waaraan appellante lijdt. De rechtbank heeft geen reden gezien voor twijfel aan de juistheid van het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, dat van toegenomen beperkingen bij appellante geen sprake is en dat de bestaande beperkingen evenmin duurzaam zijn.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat zij steeds meer beperkingen ervaart door haar huidaandoening, dat er geen sprake is van een medisch stabiele situatie en dat wel degelijk sprake is van duurzaamheid. In de brief van de behandelend internist van 8 mei 2015, waarop de verzekeringsarts bezwaar en beroep haar standpunt baseert, wordt weliswaar gesproken van een op dat moment bestaande stabiele situatie waarbij de medicatie (prednison) was afgebouwd en gestopt, maar dit betrof volgens appellante slechts een korte opleving. Begin juni 2015 is appellante weer helemaal teruggevallen en is zij weer gestart met prednison. Appellante heeft verwezen naar een brief van de behandelend internist van

25 februari 2016, waarin gesproken wordt van een ernstige toename van de huidklachten, waarbij de klachten met een hoge dosis prednison gedurende enkele weken langzaam minder zijn geworden. De internist heeft geconcludeerd dat appellante een ernstige vorm van UV lijkt te hebben, waarbij er een indicatie is voor langdurige prednison therapie. Ten slotte heeft appellante medische informatie in geding gebracht waaruit blijkt dat inmiddels bij haar psychische klachten zijn ontstaan, waarvoor zij in december 2016 naar een psycholoog is verwezen. Zij is van 17 februari 2017 tot en met 20 maart 2017 opgenomen geweest op de afdeling psychiatrie van [naam intelling] in [woonplaats] in verband met een toenemende depressie met suïcidale klachten.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4.1.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1.

Op grond van artikel 2:4, eerste lid, van de Wajong 2010 is volledig en duurzaam arbeidsongeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid niet meer te verdienen dan 20% van het maatmaninkomen. Op grond van het tweede lid wordt in het eerste lid onder duurzaam verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie en het blijvend ontbreken van mogelijkheden tot arbeidsparticipatie. Op grond van het derde lid wordt onder een medisch stabiele of verslechterende situatie mede verstaan een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat.

4.1.2.

De Raad heeft op 6 september 2017 diverse uitspraken gedaan in zaken als die van appellante, waarin een verzekerde, die vóór 1 januari 2015 achttien jaar is geworden, een aanvraag heeft gedaan om ondersteuning op grond van de Wajong na 10 september 2014, maar vóór 1 januari 2015, terwijl het besluit op die aanvraag genomen is op of na

1 januari 2015 (ECLI:NL:CRVB:2017:2994 en 3201 tot en met 3205). In deze uitspraken heeft de Raad met betrekking tot deze aanvragen een oordeel gegeven over het toepasselijk recht en wat onder volledig en duurzaam arbeidsongeschikt in de zin van de Wajong 2010 moet worden verstaan.

4.1.3.

Over het toepasselijk recht heeft de Raad geoordeeld dat op grond van wat is bepaald bij of krachtens de Wajong 2010 voor het ontstaan van het recht op ondersteuning of uitkering bepalend is de dag waarop de aanvraag wordt ingediend, met dien verstande dat dit recht niet eerder kan ontstaan dan met ingang van de dag waarop de jonggehandicapte achttien jaar wordt. Voor deze groep verzekerden, waarbij de aanvraag is gedaan na 10 september 2014 en vóór 1 januari 2015, betekent dit dat de beoordeling van de aanvraag om het recht op ondersteuning moet plaatsvinden aan de hand van de Wajong 2010 en dat er geen ruimte is voor beoordeling van de aanvraag op grond van Hoofdstuk 1A van de Wajong 2015. De Raad heeft onder verwijzing naar de geschiedenis van de totstandkoming van de Invoeringswet Participatiewet (Kamerstukken 2011/12, 33 161, nr. 3 blz. 34 e.v. en nr. 107 blz. 128) verder geoordeeld dat voor een aanvraag, ingediend na 10 september 2014 maar vóór 1 januari 2015, slechts recht op uitkering op grond van de Wajong 2010 kan ontstaan, in het geval de verzekerde aan te merken is als volledig en duurzaam arbeidsongeschikt in de zin van artikel 2:4, eerste lid, van de Wajong 2010.

4.1.4.

Over de vraag wat moet worden verstaan onder volledig en duurzaam arbeidsongeschikt in de zin van artikel 2:4, eerste lid, van de Wajong 2010 heeft de Raad overwogen dat, zoals hij eerder heeft geoordeeld, de Wajong 2010 in vergelijking met de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen met het oog op een strikte interpretatie van het begrip duurzaamheid een aanvullende voorwaarde kent. Voor de vraag of de bij de verzekerde vastgestelde volledige arbeidsongeschiktheid duurzaam is, moet op grond van artikel 2:4, tweede lid, van de Wajong 2010 worden voldaan aan de voorwaarde dat sprake is van een situatie van het blijvend ontbreken van mogelijkheden tot arbeidsparticipatie, waaronder moet worden verstaan dat de verzekerde niet tot het verrichten van betaalde arbeid in staat is, nu niet en in de toekomst niet, ook niet na of met behulp van ondersteuning of in de vorm van beschut werk.

4.2.1.

Appellante heeft haar Wajong-aanvraag ingediend op grond van artikel 2:3, tweede lid, van de Wajong 2010. Op grond van deze bepaling wordt een persoon alsnog als jonggehandicapte aangemerkt, als binnen vijf jaar na afloop van de periode van 52 weken, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of b, niet meer in staat is om meer dan 75% van het maatmaninkomen te verdienen als gevolg van een oorzaak die reeds aanwezig was na afloop van de termijn van 52 weken, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of b, terwijl niet aannemelijk is dat de ingezetene binnen een jaar volledig zal herstellen. Omdat appelante haar aanvraag na 10 september 2014, maar vóór 1 januari 2015, heeft ingediend kan appellante, gelet op wat onder 4.1.1 tot en met 4.1.4 is overwogen, alleen nog rechten ontlenen aan de Wajong 2010 als op de datum van haar aanvraag sprake is van toegenomen beperkingen als bedoeld in artikel 2:3, tweede lid, van de Wajong, en wel in die mate, dat zij als volledig en duurzaam arbeidsongeschikt als bedoeld in artikel 2:4, eerste en tweede lid, van de Wajong 2010 kan worden aangemerkt.

4.2.2.

Omdat bepalend is of appellante op 29 december 2014 (datum in geding) volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is in de zin van de Wajong 2010, zal de Raad zich beperken tot een beoordeling hiervan. Het oordeel van de rechtbank dat het medisch onderzoek dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt zorgvuldig is verricht, wordt onderschreven. De conclusie van de rechtbank dat er geen reden is om te twijfelen aan de juistheid van de bevindingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep wordt, voor zover die ziet op de duurzaamheid, eveneens gevolgd. Er zijn geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende heeft gemotiveerd dat bij appellante op 29 december 2014 geen sprake was van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid. In de gedingstukken wordt geen steun gevonden voor het oordeel dat op basis van de gestelde diagnose en de voorhanden zijnde medische situatie niet kan worden gesteld dat in het geval van appellante op 29 december 2014 geen verbetering van de belastbaarheid mogelijk was. Dat de situatie van appellante nadien is verslechterd, maakt de beoordeling van de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid op 29 december 2014 niet onjuist. Daarbij wordt betrokken, dat in de brief van de behandelend internist van 24 februari 2015 is vermeld dat bij sommige patiënten volledige genezing optreedt na maanden tot jaren. Bij andere patiënten is sprake van een meer chronisch beloop met grotere morbiditeit in verband met systemische symptomen. In zijn brief van 8 mei 2015 heeft de internist weergegeven dat bij appellante sprake is van een normocomplementaire UV, waarbij meestal volledige genezing optreedt binnen maanden tot jaren. Deze informatie komt overeen met de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep geraadpleegde wetenschappelijke informatie waaruit blijkt dat de aandoening bij patiënten met een normaal complement, zoals bij appellante, meestal een mild verloop kent zonder blijvende verschijnselen. In de betreffende brief is verder onder meer opgemerkt dat het goed gaat met appellante na het starten met prednison en hydroxychloroquine, dat de huidafwijkingen duidelijk minder zijn geworden en dat de prednison wordt afgebouwd. Uit deze informatie, in samenhang met de dossiergegevens en de gegevens uit eigen onderzoek, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep kunnen concluderen dat de aandoening van appellante niet blijvend zal zijn dan wel niet blijvend zal leiden tot zodanige beperkingen in de belastbaarheid dat sprake is van een situatie van het blijvend ontbreken van mogelijkheden tot arbeidsparticipatie als bedoeld in artikel 2:4 van de Wajong 2010. De brief van de internist van 25 februari 2016, waaruit blijkt van een verergering van de huidklachten na de datum in geding, doet aan de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep gemaakte prognose, die mede gebaseerd is op medische inzichten en wetenschappelijk onderzoek naar het verloop van de ziekte van appellante, niet af. Het gaat immers om de prognose over de datum in geding. Voor het inschakelen van een deskundige wordt geen aanleiding gezien omdat voldoende medische informatie, ook van de behandelaars van appellante, beschikbaar is.

5. Wat in 4.2.1 en 4.2.2 is overwogen leidt tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen als voorzitter en E.J.J.M. Weyers en

D. Hardonk-Prins als leden, in tegenwoordigheid van I.G.A.H. Toma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2018.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) I.G.A.H. Toma

OS