Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:786

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-03-2018
Datum publicatie
16-03-2018
Zaaknummer
16/3732 ANW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Svb heeft terecht geweigerd aan appellante een ANW-uitkering toe te kennen omdat zij minder dan 45% arbeidsongeschikt is. Geen twijfel aan de juistheid van de door de verzekeringsarts van het Uwv in acht genomen medische beperkingen. Toereikend gemotiveerd dat appellante geschikt is voor de geselecteerde functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 3732 ANW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 mei 2016, 15/7980 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 15 maart 2018

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 november 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar [broer A]. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Marijnissen.

Het onderzoek ter zitting is geschorst.

De Svb heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 1 februari 2018. Appellante is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Marijnissen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 15 april 2011 heeft de Svb aan appellante meegedeeld dat de aan haar toegekende nabestaandenuitkering met ingang van 1 juli 2011 wordt beëindigd, omdat haar jongste kind op 4 juni 2011 de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. Daarbij is aan appellante meegedeeld dat zij contact moet opnemen met de Svb als er sprake is van arbeidsongeschiktheid in de zin van de Algemene nabestaandenwet (ANW).

1.2.

Op 11 december 2014 heeft appellante een aanvraag om een nabestaandenuitkering ingediend en daarbij vermeld dat zij arbeidsongeschikt is.

1.3.

De Svb heeft bij besluit van 11 februari 2015 geweigerd een nabestaandenuitkering toe te kennen omdat appellante niet arbeidsongeschikt is in de zin van de ANW.

1.4.

Het bezwaar van appellante tegen het besluit van 11 februari 2015 is bij besluit van

1 december 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. De Svb heeft onder verwijzing naar artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) overwogen dat het besluit van

15 april 2011 in rechte onaantastbaar is en dat appellante geen nieuwe feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die nopen tot het terugkomen van dat besluit. Verder is uit de beschikbare gegevens niet gebleken dat appellante vanaf 1 juli 2011 voor ten minste 45% arbeidsongeschikt was.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de aanvraag van appellante van 11 december 2014 een herhaalde aanvraag in de zin van artikel 4:6 van de Awb is. In het geval van een

ANW-uitkering is sprake van een duuraanspraak en dient er een onderscheid te worden gemaakt tussen de periode vóór het herzieningsverzoek van 11 december 2014 en de periode vanaf die datum. Over de periode voorafgaand aan het herzieningsverzoek heeft de rechtbank overwogen dat appellante geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd. Over de periode vanaf de indiening van het herzieningsverzoek heeft de rechtbank overwogen dat de Svb terecht zonder nader medisch onderzoek heeft geoordeeld dat appellante op 1 juli 2011 niet voor ten minste 45% arbeidsongeschikt was, zodat de aanvraag voor een ANW-uitkering terecht is afgewezen.

3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat de Svb had moeten (laten) onderzoeken of zij per 1 juli 2011 arbeidsongeschikt was.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Svb heeft ter zitting erkend dat in het bestreden besluit de aanvraag van appellante van 11 december 2014 ten onrechte als een herhaalde aanvraag is aangemerkt. De aanvraag van 11 december 2014 is een nieuwe aanvraag die inhoudelijk aan de hand van de artikelen van de ANW dient te worden behandeld. Reeds hierom kunnen de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit niet in stand blijven. Onderzocht zal worden of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven.

4.2.

In geschil is of de Svb met recht heeft geweigerd aan appellante een nabestaandenuitkering toe te kennen omdat zij op 1 juli 2011 minder dan 45% arbeidsongeschikt is.

4.3.1.

Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de ANW heeft de nabestaande die arbeidsongeschikt is recht op een nabestaandenuitkering. Het begrip arbeidsongeschiktheid is nader gedefinieerd in artikel 11 van de ANW.

4.3.2.

Artikel 11 van de ANW luidt:

1. Arbeidsongeschikt is degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken niet in staat is om met arbeid 55% te verdienen van hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen.

2. In het eerste lid wordt onder de eerstgenoemde arbeid verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe die persoon met zijn krachten en bekwaamheden in staat is.

4.4.

Op verzoek van de Svb heeft het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in hoger beroep een medisch en arbeidskundig onderzoek verricht naar de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante op 1 juli 2011. Op grond van rapporten van de verzekeringsarts van 11 januari 2018 en de arbeidsdeskundige van 17 januari 2018 heeft het Uwv de Svb op 18 januari 2018 geadviseerd om appellante niet aan te merken als arbeidsongeschikt in de zin van de ANW. Uit het rapport van de verzekeringsarts blijkt dat deze arts op basis van eigen onderzoek en de beschikbare medische informatie tot de conclusie komt dat het aannemelijk is dat er bij appellante rond de datum in geding sprake was van pijnklachten in de nek, schouders, rechterarm en onderrug. Eveneens is aannemelijk dat toen bij appellante enige psychische beperkingen aanwezig waren. De verzekeringsarts heeft daarbij opgemerkt dat appellante ondanks haar klachten bleef werken in haar eigen functie gedurende 32 uur per week. De voor appellante geldende beperkingen zijn vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Vervolgens is in het rapport van de arbeidsdeskundige van 17 januari 2018 aan de hand van geselecteerde voorbeeldfuncties vastgesteld dat er geen relevant verlies aan verdiencapaciteit is. Verder bedroeg de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante op grond van de praktische verdiencapaciteit veel minder dan 45%.

4.5.

Er is geen grond voor twijfel aan de juistheid van de door de verzekeringsarts van het Uwv in acht genomen medische beperkingen van appellante, zoals neergelegd in de FML van 11 januari 2018. Van belang daarbij is dat het medisch oordeel over de beperkingen van appellante is gebaseerd op een zorgvuldig medisch onderzoek. Appellante heeft in hoger beroep niet gereageerd op de FML van 11 januari 2018 en van enige objectieve medische gegevens die twijfel doen rijzen aan de juistheid van deze FML is niet gebleken.

4.6.

De Svb heeft door middel van het rapport van de arbeidsdeskundige van 17 januari 2018 toereikend gemotiveerd waarom appellante – uitgaande van de juistheid van de FML van

11 januari 2018 – in staat moet worden geacht de werkzaamheden te verrichten die zijn verbonden aan de voor haar geselecteerde functies.

4.7.

Het onder 4.2 tot en met 4.6 overwogene leidt tot het oordeel dat de Svb terecht heeft geoordeeld dat appellante met ingang van 1 juli 2011 niet arbeidsongeschikt is in de zin van de ANW. Dit betekent dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen worden gelaten.

5. Aanleiding bestaat om de Svb te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 15,20 aan reiskosten in hoger beroep.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 1 december 2015;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

- veroordeelt de Svb in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 15,20;

- bepaalt dat de Svb aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 169,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries, in tegenwoordigheid van S.L. Alves als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2018.

(getekend) T.L. de Vries

(getekend) S.L. Alves

UM