Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:780

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-03-2018
Datum publicatie
19-03-2018
Zaaknummer
16/5547 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gevraagde bankafschriften zijn niet binnen de gestelde hersteltermijn ingeleverd en niet is aannemelijk gemaakt dat appellanten van dit verzuim geen verwijt kan worden gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2018/96
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 5547 PW

Datum uitspraak: 13 maart 2018

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 27 juli 2016, 15/3597 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante), beiden te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Venlo (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. J.H.M. Verstraten, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 30 januari 2018. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvingen sinds 19 februari 2014 bijstand naar de norm voor gehuwden, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW).

1.2.

Bij brief van 27 juli 2015 heeft het college appellant in verband met zijn arbeidsinschakeling uitgenodigd voor een gesprek op 30 juli 2015. Het college heeft appellant verzocht een actueel CV en een ingevulde vragenlijst mee te nemen naar die afspraak. Appellant is zonder bericht van verhindering niet verschenen.

1.3.

Omdat appellant geen gehoor had gegeven aan de onder 1.2 genoemde oproep, heeft het college appellant bij brief van 30 juli 2015 uitgenodigd voor een gesprek op 14 augustus 2015. Daarbij heeft het college appellant verzocht tijdens dit gesprek, naast de reeds eerder gevraagde gegevens, een sollicitatieoverzicht van de afgelopen vier weken en bankafschriften van alle betaal- en spaarrekeningen over de periode van 1 mei 2015 tot en met 31 juli 2015 over te leggen. Appellant is wederom zonder bericht van verhindering niet verschenen.

1.4.

Bij besluit van 14 augustus 2015 heeft het college het recht op bijstand met ingang van

14 augustus 2015 opgeschort op de grond dat appellant door niet te verschijnen op het gesprek van 14 augustus 2015 de voor de vaststelling van het recht op bijstand benodigde informatie niet heeft verstrekt. Tevens heeft het college appellant opgeroepen voor een gesprek op

21 augustus 2015 en hem verzocht alsnog alle onder 1.2 en onder 1.3 genoemde gegevens mee te brengen naar dit gesprek. Aan appellanten is meegedeeld dat hen hiermee nog een kans wordt geboden om mee te werken en dat zij daarmee voorkomen dat het college de bijstand beƫindigd. Appellanten hebben tegen het opschortingsbesluit geen rechtsmiddelen aangewend.

1.5.

Appellant is verschenen op het gesprek van 21 augustus 2015 zonder daarbij de gevraagde gegevens over te leggen. Dit is voor het college aanleiding geweest bij besluit van 25 augustus 2015 de bijstand met ingang van 14 augustus 2015 in te trekken.

1.6.

Bij besluit van 9 november 2015 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 25 augustus 2015 ongegrond verklaard en daaraan onder meer het volgende ten grondslag gelegd. Appellanten hebben niet voldaan aan het gestelde in het opschortingsbesluit van 14 augustus 2015 en dit kan appellanten worden verweten. Als gevolg hiervan heeft het college het recht op bijstand niet kunnen vaststellen. Het college was daarom bevoegd met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de PW de bijstand met ingang van

14 augustus 2015 in te trekken. In wat appellanten hebben aangevoerd is geen grond gelegen voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Van dringende redenen om van intrekking af te zien is het college niet gebleken.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank onder meer overwogen dat appellant de gevraagde bankafschriften, zijnde gegevens die onmiskenbaar van belang zijn voor de verlening van bijstand, niet binnen de gestelde hersteltermijn heeft ingeleverd en dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hem van dit verzuim geen verwijt kan worden gemaakt. Dat appellante in [plaatsnaam] bij familie verbleef en alleen zij de beschikking had over de pinpas, is onvoldoende. Gelet op de gegevens die het college van appellanten verlangde en de in het opschortingsbesluit gestelde termijn moet het voor appellanten duidelijk zijn geweest dat zij uiterlijk op het gesprek de gevraagde gegevens moesten overleggen. Indien appellant meer tijd nodig had om de bankafschriften over te leggen dan de door het college gestelde termijn, had hij binnen de gestelde termijn om verlenging van de termijn kunnen verzoeken. Het feit dat hij dit niet heeft gedaan, dient voor zijn rekening en risico te komen. Verder heeft de rechtbank overwogen dat voor de stelling van appellant dat de werkcoach hem tijdens het gesprek van 21 augustus 2015 heeft meegedeeld dat het overleggen van stukken niet meer nodig was, iedere onderbouwing ontbreekt. Ten aanzien van de door appellanten in bezwaar overgelegde bankafschriften heeft de rechtbank onder verwijzing naar vaste rechtspraak overwogen dat bij de beoordeling van een besluit tot intrekking van bijstand na en in verband met de opschorting van het recht daartoe in beginsel geen betekenis toekomt aan gegevens of stukken die tijdens de bezwaar- of beroepsfase alsnog worden verstrekt. Gelet op het vorenstaande was het college bevoegd de bijstand van appellanten met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de PW met ingang van 14 augustus 2015 in te trekken. De rechtbank heeft ook overwogen geen grond te zien om te oordelen dat het college niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Het betoog van appellanten dat zij voor de vaste lasten geheel afhankelijk zijn van de uitkering en zij door het besluit geconfronteerd zijn met een problematische financiƫle situatie, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel, reeds omdat deze stelling op geen enkele wijze is onderbouwd.

3. In hoger beroep hebben appellanten zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellanten hebben zich op het standpunt gesteld dat zij niet verwijtbaar hebben gehandeld. Appellant is binnen de geboden hersteltermijn alsnog op het gesprek met de werkcoach verschenen. Tijdens dit gesprek heeft hij uitgelegd dat hij geen gehoor heeft gegeven aan de eerdere oproep omdat hij samen met appellante in de vakantieperiode bij familie in [plaatsnaam] verbleef. Verder heeft hij toen ook verklaard de gevraagde bankafschriften niet binnen de gestelde termijn te kunnen overleggen, omdat appellante nog in [plaatsnaam] verbleef en zij in het bezit was van de pinpas en dat hij daarna van de werkcoach te horen kreeg dat het inleveren van de bankafschriften niet meer nodig was. Appellanten wijzen erop dat zij in bezwaar de bankafschriften alsnog hebben overgelegd. Uit deze bankafschriften valt volgens hen af te leiden dat voor het college geen enkele aanleiding bestond de bijstand in te trekken. Volgens appellanten is daarna op basis van dezelfde informatie opnieuw bijstand toegekend.

Ook hebben appellanten aangevoerd dat de rechtbank in haar uitspraak ten onrechte heeft overwogen dat het college in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot intrekking gebruik had mogen maken. Volgens appellanten had hen een nadere hersteltermijn moeten worden geboden. Zij wijzen erop dat zij voor hun inkomen geheel afhankelijk zijn van de bijstand en dat als gevolg van de intrekking van de bijstand schulden zijn ontstaan.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De gronden die appellanten in hoger beroep hebben aangevoerd zijn in essentie een herhaling van wat appellanten in beroep hebben aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. Appellanten hebben geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van de betrokken gronden in de aangevallen uitspraak onjuist dan wel onvolledig is. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen waarop dat oordeel rust, zoals onder 2 weergegeven.

4.2.

Uit 4.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Y.J. Klik als voorzitter en M. Hillen en E.C.G. Okhuizen als leden, in tegenwoordigheid van J.M.M. van Dalen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2018.

(getekend) Y.J. Klik

(getekend) J.M.M. van Dalen

HD