Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:78

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-01-2018
Datum publicatie
15-01-2018
Zaaknummer
17/5402 WAZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Vastgesteld wordt dat 12 februari 2017 op een zondag viel. Gezien art. 1, Algemene termijnenwet dient het einde van de termijn voor het indienen van de gronden te worden gesteld op maandag 13 februari 2017. In dit verband wordt verwezen naar een uitspraak van de Raad, ECLI:NL:CRVB:2015:2601. Dit betekent dat de gronden voor het indienen van bezwaar tijdig zijn ingediend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17/5402 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

28 juni 2017, 17/560 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 5 januari 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.A. Buld, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 november 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Buld. Het Uwv heeft zich na kennisgeving niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Op 10 oktober 2016 heeft het Uwv een besluit genomen op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.

1.2.

Appellant heeft op nader aan te voeren gronden tijdig bezwaar gemaakt tegen het besluit van 10 oktober 2016. Op 23 januari 2017 heeft het Uwv appellant verzocht uiterlijk

6 februari 2017 de gronden van het bezwaar in te dienen. Naar aanleiding van een telefonisch verzoek, heeft het Uwv bij brief van 1 februari 2017 de termijn voor het indienen van de gronden verlengd tot 13 februari 2017. Appellant heeft de gronden van het bezwaar op het kantoor van het Uwv ingediend op 13 februari 2017.

1.3.

Bij beslissing op bezwaar van 16 februari 2017 (bestreden besluit) is het bezwaar

niet-ontvankelijk verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de laatste dag van de termijn voor het indienen van de gronden is gelegen op 12 februari 2017. Aangezien de gronden op 13 februari 2017 zijn ingediend, is met toepassing van artikel 1 van de Algemene termijnenwet (Atw) van een te late indiening van de gronden geen sprake.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In artikel 1, eerste lid, van de Atw is bepaald dat een in de wet gestelde termijn die op een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag eindigt, wordt verlengd tot en met de eerstvolgende dag die niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is.

4.2.

Vastgesteld wordt dat 12 februari 2017 op een zondag viel. Op grond van artikel 1 van de Atw dient het einde van de termijn voor het indienen van de gronden te worden gesteld op maandag 13 februari 2017. In dit verband wordt verwezen naar een uitspraak van de Raad van 22 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2601. Dit betekent dat de gronden voor het indienen van bezwaar tijdig zijn ingediend.

4.3.

Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit dienen te worden vernietigd. Het Uwv dient alsnog inhoudelijk op het bezwaar te beslissen.

5. Er bestaat aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 1.002,- in beroep en op € 1.002,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 2.004,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 16 februari 2017 en bepaalt dat het Uwv opnieuw op het bezwaar

dient te beslissen;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.004,-;

- bepaalt dat het Uwv het door appellant betaalde griffierecht van in totaal € 170,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van

I.G.A.H. Toma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 januari 2018.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) I.G.A.H. Toma

OS