Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:770

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-03-2018
Datum publicatie
19-03-2018
Zaaknummer
15/7750 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Verordening bevat geen concrete criteria voor het vaststellen van de hoogte en de duur van de maatregel. De toegepaste, bij bestreden besluit ook weer aangepaste hoogte en duur van de maatregel is op geen enkele wijze onderbouwd. Ook ter zitting van de Raad heeft het college - desgevraagd - niet kunnen aangeven wat de grondslag is van de in de besluiten genoemde periodes en percentages.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2018/94
RSV 2018/90
USZ 2018/126
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/7750 WWB, 16/1291 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

19 oktober 2015, 15/1184 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant 1] en [appellant 2] te [woonplaats] (appellanten)

het college van burgemeester en wethouders van Hellendoorn (college)

Datum uitspraak: 6 maart 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. C.G. Mensink, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. L.W. van de Wetering, advocaat, kantoorgenoot van mr. Mensink. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door M. Eggink en mr. J. Dannenberg.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten hebben tot eind 2013 een onderneming gedreven in een tot hun eigendom behorend boerderijpand in [plaatsnaam]. Na beëindiging van de onderneming hebben zij op

20 februari 2014 het boerderijpand verkocht. Vanaf 31 maart 2014 staan zij in de basisregistratie personen ingeschreven in de gemeente [woonplaats]. Op 24 april 2014 heeft de notaris uit de opbrengst van de verkoop van het boerderijpand een bedrag van € 83.847,35 naar de bankrekening van appellanten overgemaakt.

1.2.

Appellanten hebben zich op 21 juli 2014 bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen gemeld om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) aan te vragen. De aanvraag is op 27 augustus 2014 bij het college ingediend.

1.3.

Bij besluit van 6 november 2014 heeft het college aan appellanten met ingang van 21 juli 2014 bijstand toegekend. Daarbij heeft het college vastgesteld dat het vermogen van appellanten beneden de grens voor het vrij te laten vermogen ligt, waarbij het college als peildatum voor de vaststelling van het vermogen 21 oktober 2014 heeft gehanteerd. Bij dit besluit heeft het college tevens bij wijze van maatregel de bijstand met ingang van 21 juli 2014 met 100% gedurende elf maanden en vervolgens met 20% gedurende acht maanden verlaagd.

1.4.

Bij besluit van 30 april 2015 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 6 november 2014 gegrond verklaard, dat besluit herroepen, aan appellanten met ingang van 21 juli 2014 bijstand toegekend en bij wijze van maatregel de bijstand met ingang 21 juli 2014 met 100% gedurende tien maanden en vervolgens met 20% gedurende zes maanden verlaagd. Aan het bestreden besluit heeft het college voor wat betreft de opgelegde maatregel ten grondslag gelegd dat appellanten een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan hebben betoond door op het op

25 april 2014 beschikbare vermogen te snel in te teren, onder meer door het sneller dan nodig en volledig aflossen van schulden.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het college opgedragen opnieuw op het bezwaar te beslissen met inachtneming van de uitspraak. Daartoe heeft de rechtbank, voor zover van belang, overwogen dat het college onvoldoende heeft onderzocht of appellanten de mogelijkheid hadden hun schulden gespreid af te lossen.

3. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het college bij besluit van 21 januari 2016, opnieuw beslissend op het bezwaar, met een aangepaste motivering een besluit genomen dat gelijkluidend is aan het bestreden besluit (nader besluit).

4. Appellanten hebben zich tegen de aangevallen uitspraak en het nader besluit gekeerd. Appellanten hebben, kort samengevat weergegeven, aangevoerd dat het vanaf 24 april 2014 in te teren vermogen veel lager was dan waar het college van is uitgegaan en dat in het verlengde hiervan de hoogte en de duur van de opgelegde maatregel onjuist zijn vastgesteld.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Het nader besluit wordt op grond van het bepaalde in artikel 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede in de beoordeling betrokken.

5.2.

Artikel 18, tweede lid, van de WWB bepaalt onder meer dat het college, indien de belanghebbende naar het oordeel van het college tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan, de bijstand overeenkomstig de verordening verlaagt.

5.3.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB stelt de gemeenteraad bij verordening regels met betrekking tot het verlagen van de bijstand, als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de WWB. Deze verordening is hier de Verordening maatregelen en boete WWB/Bbz gemeente Hellendoorn 2013 (Verordening).

5.4.

Artikel 11, eerste lid, van de Verordening luidt als volgt:

“Indien belanghebbende een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft betoond, als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de wet, wordt een maatregel opgelegd die wordt afgestemd op de periode en de hoogte van het bedrag waardoor belanghebbende als gevolg van zijn gedraging eerder of langer recht heeft op bijstand.”

5.5.

Niet in geschil is dat appellanten vanaf 21 juli 2014 recht hebben op bijstand. Deze datum dient daarom te gelden als peildatum voor de vaststelling van het vermogen en voor de beoordeling of appellanten bijstandbehoevend zijn geworden door onvoldoende besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Anders dan het college heeft aangenomen, dient daarom niet het vermogen waarover appellanten op 21 oktober 2014 beschikten, maar het vermogen waarover zij op 21 juli 2014 nog beschikten als uitgangspunt te worden genomen bij de beoordeling of appellanten te snel hebben ingeteerd op hun vermogen.

5.6.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellanten een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan hebben betoond doordat appellanten op 21 juli 2014 te snel hadden ingeteerd op hun vermogen. Gelet hierop was het college gehouden de bijstand overeenkomstig de bij de Verordening gestelde regels te verlagen.

5.7.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 8 juli 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BD6943), dient de door de gemeenteraad vastgestelde verordening met name criteria te bevatten om de hoogte en duur van de verlaging te kunnen vaststellen. Voorts heeft de Raad al eerder overwogen (vergelijk de uitspraken van 7 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2236 en van 18 oktober 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3968) dat voor een bijstandsgerechtigde uit de verordening zelf duidelijk moet blijken welke gevolgen door het college aan zijn gedraging kunnen worden verbonden.

5.8.

In artikel 11, eerste lid, van de Verordening is niet bepaald op welke wijze afstemming plaatsvindt op de periode en de hoogte van het bedrag waardoor belanghebbende als gevolg van zijn gedraging eerder of langer recht heeft op bijstand. In de overige leden van dit artikel noch in enige andere bepaling van de Verordening zijn hiervoor criteria te vinden. De conclusie moet dan ook zijn dat de Verordening geen concrete criteria bevat voor het vaststellen van de hoogte en de duur van de maatregel. Dit klemt temeer nu de toegepaste, bij het bestreden besluit ook weer aangepaste hoogte en duur van de maatregel op geen enkele wijze is onderbouwd. Ook ter zitting van de Raad hebben de vertegenwoordigers van het college - desgevraagd - niet kunnen aangeven wat de grondslag is van de in het besluit van

6 november 2014 en het bestreden besluit genoemde periodes en percentages.

5.9.

Uit 5.8 volgt dat de gemeenteraad met artikel 11, eerste lid, van de Verordening geen juiste uitvoering heeft gegeven aan de hem in het kader van artikel 8 van de WWB toegekende verordenende bevoegdheid. Dit betekent dat deze bepaling verbindende kracht mist. Bij gebreke van een andere toepasselijke bepaling uit de WWB dan wel de Verordening is daarmee de wettelijke grondslag aan de verlaging komen te ontvallen.

5.10.

De rechtbank heeft dit niet onderkend. Dat betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd, behoudens de beslissingen over proceskosten en griffierecht. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dit besluit vernietigen voor zover het de opgelegde maatregel betreft. De Raad ziet voorts aanleiding om gebruik te maken van zijn bevoegdheid om zelf in de zaak te voorzien door het besluit van 6 november 2014 te herroepen, voor zover daarbij een maatregel is opgelegd, omdat aan dit besluit in zoverre hetzelfde gebrek kleeft als aan het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit. Het beroep tegen het nader besluit zal gegrond worden verklaard en dit besluit zal eveneens worden vernietigd, nu daaraan de grondslag is komen te ontvallen.

6. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van appellanten in hoger beroep. De kosten worden begroot op € 1.002,- voor verleende rechtsbijstand en € 38,40 voor reiskosten, in totaal € 1.040,40.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens de beslissingen over proceskosten en

griffierecht;

- vernietigt het besluit van 30 april 2015 voor zover het de opgelegde maatregel betreft;

- herroept het besluit van 6 november 2014 voor zover dat ziet op de opgelegde maatregel en

bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het

besluit van 30 april 2015;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 21 januari 2016 gegrond en vernietigt dat besluit;

- veroordeelt het college in de kosten van appellanten tot een bedrag van in totaal € 1.040,40;

- bepaalt dat het college het door appellanten in hoger beroep betaalde griffierecht van € 123,-

vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut als voorzitter en W.F. Claessens en J.L. Boxum als leden, in tegenwoordigheid van J.M.M. van Dalen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2018.

(getekend) E.C.R. Schut

(getekend) J.M.M. van Dalen

HD