Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:765

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-02-2018
Datum publicatie
19-03-2018
Zaaknummer
16/4542 PW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2016:3971, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevoegd te oordelen op hoger beroep betreffende de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening. Appellante heeft in periode 1 en periode 2 inkomsten uit arbeid genoten, die zij niet bij het college heeft gemeld. Inlichtingenverplichting geschonden. Geen stukken overgelegd door appellante na verzoek college. Geen spontane inleverplicht, wel spontane meldingsplicht. Mogelijk gedeelde verwijtbaarheid. Geen dringende reden terugvorderingsbesluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2018/89
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 4542 PW

Datum uitspraak: 27 februari 2018

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 30 mei 2016, 15/5348 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.S. Jordan, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend en, op verzoek van de Raad van 4 december 2017, bij brief van 12 december 2017 een aantal vragen beantwoord en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 januari 2018. Appellante, daartoe in persoon opgeroepen, is verschenen, bijgestaan door mr. Jordan. Het college heeft zich, eveneens daartoe opgeroepen, laten vertegenwoordigen door mr. I. Plaisier en J.M.A. Bravenboer.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving sedert 22 april 2014 bijstand, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW), naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Bij e-mailbericht van 10 september 2014 heeft appellante aan het college het volgende meegedeeld: “Ik kan via uitzendbureau [uitzendbureau] regelmatig aan wat werk komen. Het betreft parttime werk. Aangezien ik pas een uitkering krijg wil ik weten hoe ik dit moet aanpakken omdat je natuurlijk niet altijd werk hebt. […] Hoor graag op korte termijn van u, daar ik telefonisch niet te spreken krijg.” Vervolgens heeft appellante op 3 oktober 2014 een arbeidsovereenkomst met [uitzendbureau] B.V. ([uitzendbureau]) alsmede twee salarisspecificaties van 19 en 26 september 2014 ingeleverd. Op 30 oktober 2014 en op 6 november 2014 hebben in het kader van de re-integratie van appellante gesprekken met appellante plaatsgevonden. In het verslag van het eerste gesprek staat vermeld dat appellante parttime werkt in de zorg op oproepbasis. In het verslag van het tweede gesprek staat vermeld dat appellante al parttime werkt.

1.3.

Naar aanleiding van twee inkomstensignalen IB dat appellante inkomsten uit arbeid

heeft ontvangen, heeft een medewerker van de gemeente Rotterdam op 17 maart 2015 Suwinet geraadpleegd. Daaruit kwam naar voren dat appellante van 16 juni 2014 tot en met 13 juli 2014 (periode 1) inkomsten had ontvangen uit een dienstverband met [naam bedrijf] B.V. en dat zij vanaf 8 september 2014 tot en met eind januari 2015 (periode 2) inkomsten had genoten uit een dienstverband met [uitzendbureau]. Volgens de in Suwinet opgenomen gegevens bedroegen de inkomsten van [uitzendbureau] tot en met december 2014 meer dan de voor appellante geldende bijstandsnorm.

1.4.

Bij besluit van 20 maart 2015 (besluit 1) heeft het college de bijstand van appellante met ingang van 8 september 2014 ingetrokken en de over de periode van 8 september 2014 tot en met 31 december 2014 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 5.324,19 van appellante teruggevorderd op de grond dat zij sinds 8 september 2014 voldoende inkomsten uit arbeid heeft om de kosten voor haar dagelijks levensonderhoud zelf te betalen.

1.5.

Bij afzonderlijk besluit van 20 maart 2015 (besluit 2) heeft het college de bijstand over de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 januari 2015 herzien (lees: ingetrokken) en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 870,35 van appellante teruggevorderd omdat zij sinds 8 september 2014 inkomsten uit werk ontvangt en hiervan geen melding heeft gemaakt.

1.6.

Bij besluit van 26 maart 2015 (besluit 3) heeft het college de bijstand over periode 1 herzien en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 469,67 van appellante teruggevorderd op de grond dat appellante sinds 16 juni 2014 inkomsten uit arbeid ontving en hiervan geen melding heeft gemaakt.

1.7.

Bij besluit van 30 maart 2015 (besluit 4) heeft het college de aan appellante op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs) verleende schulddienstverlening met ingang van 15 april 2015 beëindigd.

1.8.

Bij besluit van 12 augustus 2015 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen besluiten 1 tot en met 4 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante niet tijdig heeft gemeld dat zij inkomsten uit de onder 1.3 genoemde arbeid heeft ontvangen. Met het e-mailbericht van 10 september 2014 heeft appellante niet voldoende voldaan aan haar inlichtingenverplichting. Het had op haar weg gelegen om haar loonspecificaties in te leveren. Dit heeft zij nagelaten. Omdat appellante, ondanks verzoeken daartoe, niet alsnog alle loonspecificaties heeft overgelegd, kan het recht op bijstand over periode 2 (deels) niet worden vastgesteld. Over periode 1 is vastgesteld dat appellante als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting een bedrag van € 469,67 teveel aan bijstand heeft ontvangen. De schuldhulpverlening is ten slotte terecht beëindigd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank - samengevat - het volgende overwogen. Niet in geschil is dat appellante in de periode van 16 juni 2014 tot en met 13 juli 2014 en in de periode van oktober 2014 tot en met januari 2015 inkomsten uit arbeid heeft ontvangen. Dat het college ermee bekend moet zijn geweest dat appellante parttime werkzaamheden verrichtte en daaruit inkomsten ontving, ontsloeg haar niet van de verplichting alle door haar genoten inkomsten te melden. Het moet appellante redelijkerwijs duidelijk zijn geweest dat zij de loonstroken maandelijks bij het college diende in te leveren. Dat de terugvordering nadelige gevolgen heeft voor de schuldhulpverlening aan appellante, vormt geen dringende reden op grond waarvan het college van terugvordering had moeten afzien. De rechtbank heeft tot slot overwogen dat het college tot beëindiging van de schuldhulpverlening heeft mogen overgaan.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Beëindiging schulddienstverlening

4.1.

De Raad overweegt ambtshalve het volgende. Besluit 4 is gebaseerd op de Wgs. Gelet op het bepaalde in artikel 8:105, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is niet de Raad, maar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) bevoegd te oordelen over het hoger beroep voor zover dit betrekking heeft op de besluitvorming op grond van de Wgs (vergelijk de uitspraak van 13 september 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3541). De Raad zal zich dan ook onbevoegd verklaren om kennis te nemen van het hoger beroep voor zover dat ziet op besluit 4 en het hoger beroepschrift met toepassing van artikel 6:15, eerste lid, van de Awb doorzenden aan de Afdeling.

Herziening en intrekking

4.2.

Niet in geschil is dat appellante in periode 1 en periode 2 inkomsten uit arbeid heeft genoten. Evenmin is in geschil dat appellante met betrekking tot de periode van 8 september 2014 tot en met 30 september 2014 haar inkomsten bij het college heeft gemeld. Partijen zijn verdeeld over het antwoord op de vraag of appellante ten aanzien van de door haar in periode 1 en de in de periode van oktober 2014 tot en met januari 2015 genoten inkomsten de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden.

4.3.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de PW, voor zover hier van belang, doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

4.4.

Appellante heeft het college niet gemeld dat zij in periode 1 inkomsten uit arbeid heeft genoten. Dat aan appellante eerst bij besluit van 21 augustus 2014 met terugwerkende kracht met ingang van 22 april 2014 bijstand is toegekend, ontsloeg haar niet van de verplichting om alsnog aan het college mededeling te doen van de inkomsten die zij in de periode voor dat besluit had ontvangen, omdat het hier gaat om inkomen uit arbeid dat betrekking heeft op een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan zoals bedoeld in artikel 32 van de PW. Hieruit volgt dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante wat betreft de in periode 1 genoten inkomsten de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden.

4.5.

Het college werpt appellante voorts tegen dat zij haar inkomsten over de periode van oktober 2014 tot en met januari 2015 niet heeft gemeld. Appellante bestrijdt dit. Daartoe heeft zij aangevoerd dat met de overgelegde arbeidsovereenkomst en de twee loonstroken het voor het college duidelijk was dat zij een dienstverband was aangegaan en dat zij daaruit inkomsten verwierf. Daarmee had zij voldaan aan de op haar rustende inlichtingenverplichting. Van haar kon niet redelijkerwijs worden verwacht dat zij alle door haar ontvangen loonstroken overlegde. Deze beroepsgrond slaagt niet. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.6.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 3 juli 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:843) moet uit het samenstel van de artikelen 17, eerste, tweede en vierde lid, en 53a van de Wet werk en bijstand, nu PW, worden afgeleid dat de wetgever voor de vaststelling van het recht op bijstand de (spontane) inlichtingenverplichting van de betrokkene zelf voorop heeft gesteld in verhouding tot de verplichting van het bijstandverlenend orgaan om (nader) onderzoek te verrichten.

4.6.1.

Voorafgaande aan de zitting is het college onder meer verzocht de vraag te beantwoorden waarom het college na het e-mailbericht van 10 september 2014 van appellante, de overlegging van de arbeidsovereenkomst en de twee loonstroken en de gesprekken op 30 oktober 2014 en 6 november 2014 en voorafgaande aan de besluitvorming, de benodigde informatie over werk en inkomen niet bij appellante heeft opgevraagd, eventueel onder aanzegging van een mogelijk opschorting van het recht op bijstand en voorts te laten weten of hierover werkinstructies en beleid bestaan. Bij de in het procesverloop vermelde brief heeft het college daarop geantwoord dat, nadat appellante de loonstroken en de arbeidsovereenkomst aan de klantmanager werk had geleverd, is verzuimd deze gegevens, zoals te doen gebruikelijk, door te sturen naar de klantmanager inkomen. De klantmanager inkomen had dan, zoals het college ter zitting nog heeft toegelicht, met appellante afspraken gemaakt over de wijze waarop de genoten inkomsten zouden worden gemeld en gekort. Dat dit is nagelaten, ontslaat appellante echter niet van de verplichting om haar inkomen over de overige maanden door te geven aan de klantmanager inkomen. Na de ontvangst van het signaal dat appellante inkomsten had, is aan haar op 4 maart 2015 verzocht om loonstroken, bankafschriften en een verklaring waarom de inkomsten niet eerder zijn gemeld te leveren. Op dit verzoek heeft appellante niet gereageerd. Ook nadien heeft appellante niet alle loonstroken overgelegd.

4.6.2.

De omstandigheid dat het college ten aanzien van appellante niet de vaste werkwijze bij wisselende inkomsten uit arbeid heeft gevolgd, heeft niet tot gevolg dat appellante in dit geval niet meer verplicht was de door haar genoten inkomsten aan het college te melden. Appellante kon redelijkerwijs weten dat zij de inkomsten moest melden, omdat in het besluit waarbij aan appellante bijstand is toegekend, uitdrukkelijk staat vermeld dat, als zij bijvoorbeeld extra inkomsten ontvangt, zij verplicht is dit aan het college te melden. Bovendien heeft appellante de inkomsten over de maand september 2014 uit zichzelf aan het college gemeld. Anders dan appellante kennelijk meent, had zij er niet van mogen uitgaan dat zij na het overleggen van de arbeidsovereenkomst en de twee loonstroken verder geen informatie meer hoefde te verstrekken over de omvang van de door haar ontvangen inkomsten, ook niet nadat daarop geen onmiddellijke reactie kwam. Appellante ontving immers in ieder geval in de periode van oktober 2014 tot en met december 2014 naast de bijstand een inkomen dat, zoals appellante ter zitting op vragen van de Raad heeft bevestigd, de voor haar geldende bijstandsnorm overschreed, zodat zij geen recht op bijstand had. Anders dan de rechtbank met het college geoordeeld heeft, rustte in dit geval op appellante niet de verplichting om spontaan de loonstroken daarvan in te leveren, maar van appellante had wel tenminste mogen worden verwacht dat zij het gegeven dat zij inkomsten naast de bijstand ontving, onverwijld uit zichzelf aan het college had gemeld.

4.6.3.

De vraag in hoeverre in dit geval, gelet op wat in 4.6.1 en 4.6.2 is overwogen, mogelijk sprake is van een tussen appellante en het college gedeelde verwijtbaarheid ten aanzien van de schending van de inlichtingenverplichting, kan in dit geding niet aan de orde komen. De in artikel 17 van de PW neergelegde verplichting is een objectief geformuleerde verplichting, waarbij subjectieve verwijtbaarheid geen rol speelt. Beoordeeld moet worden of appellante de inkomsten had moeten melden en dit heeft nagelaten. Dit laatste is, zoals hiervoor al is vastgesteld, het geval.

Terugvordering

4.7.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de aangevoerde omstandigheid dat appellante door de terugvordering mogelijk nadelige gevolgen zal ondervinden in het schuldhulpverleningstraject, geen dringende reden oplevert. Financiële gevolgen van een besluit tot terugvordering doen zich immers in het algemeen pas voor indien daadwerkelijk tot invordering wordt overgegaan. In dat kader heeft appellante de bescherming, of kan zij deze zo nodig inroepen, van de regels over de beslagvrije voet zoals neergelegd in artikel 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Slotsom

4.8.

Uit 4.2 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep voor zover dat ziet op de herziening, de intrekking en de terugvordering niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak in zoverre moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het hoger beroep tegen de aangevallen

uitspraak voor zover dit is gericht op de besluitvorming op grond van de Wgs;

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en Y.J. Klik en E.C.R. Schut als leden, in tegenwoordigheid van F. Dinleyici als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2018.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) F. Dinleyici

LO