Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:764

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-02-2018
Datum publicatie
19-03-2018
Zaaknummer
16/4684 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellante is eigenaar woning en gerechtigd vrijelijk te beschikken over huuropbrengsten. De onderlinge afspraak tussen appellante en [voormalige partner] maakt niet dat zij niet redelijkerwijs kon beschikken over de huuropbrengsten. Stellingen niet onderbouwd met stukken. Geen rekening houden met aan woning verbonden lasten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 4684 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant van 8 juni 2016, 16/1543 en 16/1273 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (college)

Datum uitspraak: 27 februari 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L.L. Ross, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 januari 2018. Appellante is, daartoe opgeroepen, verschenen. Zij werd bijgestaan door mr. Ross en was vergezeld van haar persoonlijk begeleider [persoonlijk begeleider]. Op verzoek van de Raad is verschenen

[voormalige partner], de voormalige partner van appellante. Het college heeft zich, eveneens daartoe opgeroepen, laten vertegenwoordigen door mr. drs. N. van Hirtum.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante heeft zich op 29 juli 2015 gemeld om bijstand op grond van de Participatiewet (PW) aan te vragen. Op 9 augustus 2015 heeft zij de aanvraag ingediend. Zij heeft daarbij als gewenste ingangsdatum 1 april 2015 vermeld.

1.2.

In het kader van de beoordeling van de aanvraag van appellante heeft een medewerker van de gemeente Eindhoven (medewerker) met haar een zogeheten startgesprek gevoerd en bij haar stukken opgevraagd. Naar aanleiding van de uit dit gesprek en de overgelegde stukken gebleken feiten en omstandigheden heeft een specialist handhaving, werkzaam bij de gemeente Eindhoven, op verzoek van de medewerker een nader onderzoek ingesteld. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport ondersteuning van 19 oktober 2015.

1.3.

Op grond van de onderzoeksresultaten heeft het college bij besluit van 20 oktober 2015 de aanvraag afgewezen op de grond dat appellante haar in eigendom toebehorende woning aan de [adres] (woning) verhuurt en de inkomsten uit huur boven de voor haar geldende bijstandsnorm liggen.

1.4.

Bij besluit van 13 april 2016 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 20 oktober 2015 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante niet in de omstandigheden verkeert als bedoeld in

artikel 11 van de PW. Het college heeft daarbij allereerst in aanmerking genomen dat

[voormalige partner] ([voormalige partner]) in de kosten van levensonderhoud van appellante voorziet. Dat dit als een lening moet worden beschouwd, leidt niet tot een recht op bijstand, omdat een betrokkene in beginsel geen recht heeft op bijstand indien en voor zover hij zich periodieke middelen voor levensonderhoud verschaft door leningen aan te gaan. Er is overigens geen sprake van een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting. Daarnaast bestaat geen aanleiding om de huuropbrengsten van de woning bij het beoordelen van de bijstandsbehoefte buiten beschouwing te laten. Dat appellante en [voormalige partner] zijn overeengekomen dat [voormalige partner] de huurbetaling ontvangt en dat die niet rechtstreeks aan appellante toekomt, maakt niet dat zij niet geacht kan worden over deze huuropbrengsten te kunnen beschikken. Dat slechts het bedrag na aftrek van de belastingen als middel in aanmerking kan worden genomen, kan niet uit de door appellante aangehaalde rechtspraak worden afgeleid.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De hier te beoordelen periode loopt van 1 april 2015, de door appellante gewenste ingangsdatum, tot en met 20 oktober 2015, de datum van het besluit tot afwijzing van de aanvraag.

4.2.1.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de PW, voor zover hier van belang, worden tot de middelen gerekend alle vermogens- en inkomensbestanddelen waarover de alleenstaande beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat bepaalde, daar genoemde, vermogens- en inkomensbestanddelen niet tot de middelen worden gerekend.

4.2.2.

Volgens artikel 32, eerste lid, van de PW wordt, voor zover hier van belang, onder inkomen verstaan de op grond van artikel 31 in aanmerking genomen middelen voor zover deze betreffen inkomsten uit vermogen en inkomsten uit verhuur dan wel naar hun aard met deze inkomsten overeenkomen en betrekking hebben op een periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan.

4.2.3.

In artikel 32 zijn de inkomsten uit vermogen en inkomsten uit verhuur uitdrukkelijk genoemd als in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in artikel 31, eerste lid, van de PW.

4.2.4.

Artikel 19, eerste lid, van de PW, voor zover hier van belang, bepaalt dat een alleenstaande recht heeft op algemene bijstand indien (a) het in aanmerking te nemen inkomen lager is dan de bijstandsnorm en (b) er geen in aanmerking te nemen vermogen is. Ingevolge het tweede lid van dit artikel is de hoogte van de algemene bijstand het verschil tussen het inkomen en de bijstandsnorm.

4.3.

Vaststaat dat appellante sinds 2004 eigenaar is van de woning. Tussen partijen is voorts niet in geschil dat in de hier te beoordelen periode de woning werd verhuurd en dat daar een huuropbrengst van € 1.400,- per maand tegenover stond.

4.4.

Appellante heeft allereerst aangevoerd dat geen sprake is van inkomsten, omdat de aan de eigendom van de woning verbonden kosten hoger zijn dan de huuropbrengsten. Bovendien heeft de huurder de huursom niet altijd volledig betaald en moet volgens haar rekening worden gehouden met eventueel te betalen belasting over de huuropbrengsten. Verder heeft zij aangevoerd dat niet zij over de huuropbrengsten kon beschikken, maar [voormalige partner]. De huurovereenkomst is gesloten met [voormalige partner] als verhuurder en de huurbetaling wordt naar zijn rekening overgemaakt. [voormalige partner] is volgens haar ook gerechtigd tot de huuropbrengsten, voor het geheel dan wel in elk geval voor de helft, omdat hij alle aan de woning verbonden lasten voldoet en mede-hypotheekhouder is. De eventuele helft waar appellante recht op heeft wordt gebruikt om een deel van haar schuld uit hoofde van de leningsovereenkomst tussen haar en [voormalige partner] af te lossen. Ter zitting is er voorts nog op gewezen dat bij het afsluiten van de hypotheek de huuropbrengsten zijn verpand aan de bank als hypotheekgever.

4.5.

Deze beroepsgronden slagen niet. Daartoe wordt als volgt overwogen, waarbij eerst zal worden ingegaan op de stelling van appellante dat zij niet over de huuropbrengsten kon beschikken en vervolgens op de door appellante bepleite verrekening van de huurinkomsten met de hypotheeklasten van de verhuurde woning en de hoogte van de inkomsten.

4.6.1.

Zoals ook de rechtbank heeft overwogen, moet de term beschikken zo worden uitgelegd dat dit ziet op de mogelijkheid van een betrokkene om de middelen feitelijk aan te wenden om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien.

4.6.2.

Als eigenaar van de woning is appellante gerechtigd tot de vruchten daarvan, waaronder de huuropbrengsten en was zij ook gerechtigd vrijelijk te beschikken over die huuropbrengsten. Dat de huurovereenkomst is aangegaan door [voormalige partner] en dat huurbetaling werd gestort op de bankrekening van [voormalige partner], berust op een onderlinge afspraak tussen appellante en [voormalige partner], maar maakt niet dat zij niet redelijkerwijs kon beschikken over de huuropbrengsten. Zij had immers de mogelijkheid die afspraak te wijzigen en de huuropbrengsten weer onder haar feitelijke beschikkingsmacht te brengen. [voormalige partner] was weliswaar naast appellante, zijnde de hypotheekgever, eveneens als debiteur vermeld in de hypotheekovereenkomst van 31 maart 2010 waarbij op de woning een hypotheek werd gevestigd, maar ook dat beperkt appellante niet in haar beschikkingsmacht over de huuropbrengsten. Er is voorts geen grond om aan te nemen dat [voormalige partner] gerechtigd was tot het geheel dan wel de helft van de huuropbrengsten. Het feit dat [voormalige partner] de aan de woning verbonden lasten voldeed, maakt hem niet gerechtigd tot de vruchten uit die woning omdat daarmee geen wijziging is gebracht in de eigendomssituatie en dat ook niet in een onderlinge overeenkomst was geregeld. Dat hij gerechtigd zou zijn tot de helft van de huuropbrengsten omdat appellante daarmee een lening aan [voormalige partner] aflost, heeft zij weliswaar gesteld maar niet met stukken onderbouwd.

4.6.3.

Ter zitting heeft [voormalige partner] er nog op gewezen dat de bank bij het vestigen van de hypotheek een pandrecht heeft gekregen op de vorderingen uit hoofde van verhuur van de woning, zodat appellante niet over de huurinkomsten kon beschikken. Overgelegd is een financieringsvoorstel, geldend tot 9 maart 2010, met daarin een te vestigen pandrecht betreffende alle huidige en toekomstige vorderingen op een bepaalde debiteur uit hoofde van verhuur van de woning. Uit de overgelegde akte tot verpanding van 2 maart 2010 blijkt echter dat een of meer vorderingen op diezelfde debiteur uit hoofde van verhuur van de woning, samen nominaal groot € 18.600,-, zoals blijkend uit een stuk gedateerd 4 maart 2009, zijn verpand. Op grond van deze stukken wordt geen inzicht geboden in de verpanding van de vorderingen uit verhuur in de hier te beoordelen periode, terwijl vaststaat dat de huurbetalingen in die periode, op basis van de onder 4.6.2 bedoelde afspraak tussen appellante en [voormalige partner], op de rekening van [voormalige partner] werden gestort, en niet op die van appellante. Appellante heeft daarom niet aannemelijk gemaakt dat zij ten gevolge van de verpanding van de vorderingen uit hoofde van verhuur niet kon beschikken over het geld, dat zij door huurbetaling in de te beoordelen periode van de huurder zou hebben ontvangen.

4.7.1.

Zoals eerder overwogen (zie de uitspraak van 6 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4632) biedt artikel 32, eerste lid, van de PW geen grondslag voor de door appellante bepleite verrekening van de huurinkomsten met de hypotheeklasten van de verhuurde woning. De artikelen 31 tot en met 33 van de PW bieden evenmin grondslag voor het in mindering brengen van de overige aan de woning verbonden lasten. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 6 december 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU9167) is in het kader van de toepassing van de Wet werk en bijstand, nu de PW, bij de vaststelling van het in aanmerking te nemen inkomen geen ruimte voor verrekening van verwervingskosten. Wat appellante heeft aangevoerd geeft geen aanleiding hierover anders te oordelen. Daar is te minder reden voor omdat appellante deze kosten niet maakt om inkomsten te verwerven, maar de oude woning is gaan verhuren om de kosten te dragen, die gepaard gaan met het in eigendom aanhouden van die woning. Dat appellante daartoe heeft besloten, omdat de oude woning slechts kon worden verkocht tegen een lagere prijs dan de op die woning rustende schuld, en die verkoop zou leiden tot een restschuld, moet voor haar risico blijven.

4.7.2.

Appellante heeft weliswaar gesteld dat bij het bepalen van de hoogte van de inkomsten er rekening mee moet worden gehouden dat de huurder de huursom niet altijd volledig heeft voldaan, maar deze stelling vindt voor de hier te beoordelen periode geen steun in de overgelegde stukken. Daaruit blijkt dat over de maanden april tot en met september 2015 de volledige huursom is ontvangen.

4.7.3.

Ingevolge artikel 31, derde lid, aanhef en onder a, van de PW worden middelen in aanmerking genomen tot het bedrag dat resteert na aftrek van de daarover door de belanghebbende verschuldigde inkomstenbelasting. Appellante heeft aangevoerd dat rekening moet worden gehouden met eventueel te betalen belasting over de huuropbrengsten. Appellante heeft echter niet gesteld en met stukken onderbouwd dat zij in de hier te beoordelen periode bij wege van voorlopige aanslag belasting betaalde over deze inkomsten. Appellante heeft ook niet gesteld dat zij op een daartoe door de Belastingdienst afgegeven aanslag inkomstenbelasting verschuldigd is over deze huuropbrengsten. Bij die stand van zaken bestond geen grond niet de volledige huuropbrengsten bij de vaststelling van het recht op bijstand in aanmerking te nemen.

4.8.

Gelet op wat in 4.6 en 4.7 is overwogen, heeft het college terecht vastgesteld dat appellante redelijkerwijs kon beschikken over de huuropbrengsten, en daarmee over een inkomen boven de voor haar geldende bijstandsnorm, zodat geen recht bestond op bijstand. Reeds op die grond heeft het college de aanvraag kunnen afwijzen. De overige beroepsgronden behoeven gelet hierop geen bespreking.

4.9.

Uit 4.8 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en Y.J. Klik en E.C.R. Schut als leden, in tegenwoordigheid van F. Dinleyici als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2018.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) F. Dinleyici

HD