Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:747

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-03-2018
Datum publicatie
15-03-2018
Zaaknummer
16/5613 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Er bestaat niet een voldoende feitelijke grondslag voor het standpunt van de minister dat appellante niet woonde op het brp-adres, zodat het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering berust. Vernietiging uitspraak. Vernietiging besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/5613 WSF

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

12 juli 2016, 16/1500 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

Datum uitspraak: 14 maart 2018

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 december 2017. Appellante is verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.C. Rots.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante staat vanaf 27 februari 2014 ingeschreven in de basisregistratie personen (brp) onder het adres [adres] te [woonplaats] (brp-adres).

1.2.

De minister heeft, voor zover hier van belang, aan appellante van maart 2014 tot en met november 2014 studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) toegekend, berekend naar de norm die geldt voor een uitwonende studerende. Deze toekenning is voortgezet voor de periode van januari 2015 tot en met september 2016.

1.3.

Op 12 november 2015 hebben twee controleurs in opdracht van de minister onderzoek gedaan naar de woonsituatie van appellante. Van de bevindingen van het onderzoek is een rapport opgemaakt.

1.4.

Bij besluit van 9 december 2015 heeft de minister de aan appellante toegekende studiefinanciering over de onder 1.2 genoemde perioden herzien, in die zin dat appellante vanaf 1 maart 2014 als thuiswonende studerende is aangemerkt. Daarbij is van appellante een bedrag van € 4.050,71 teruggevorderd.

1.5.

Bij besluit van 1 februari 2016 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van appellante tegen het besluit van 9 december 2015 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat de bevindingen van het onder 1.3 vermelde onderzoek een toereikende grondslag bieden voor de conclusie van de minister dat appellante niet op het brp-adres woonde. Verder is overwogen dat de minister de studiefinanciering van appellante met toepassing van artikel 9.9, tweede lid, van de Wsf 2000 heeft kunnen herzien vanaf 1 maart 2014.

3.1.

Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft aangevoerd dat zij ten tijde hier van belang woonde op het brp-adres.

3.2.

De minister heeft in een schrijven van 1 december 2016 te kennen gegeven dat het onder 1.3 vermelde rapport niet als bewijs kan dienen voor de herziening omdat het onderzoek op 12 november 2015 naar de woonsituatie van appellante mede is verricht door een onbevoegde controleur. De minister heeft vervolgens bij Trans Link Systems reisgegevens van appellante opgevraagd en deze aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd. Uit de reisgegevens heeft de minister afgeleid dat appellante geen gebruik heeft gemaakt van haltes in de buurt van het brp-adres, maar zij wel frequent gebruik heeft gemaakt van haltes die liggen op loopafstand van het ouderlijk adres, dat eveneens is gelegen in [woonplaats] . Volgens de minister leiden deze gegevens tot de conclusie dat appellante niet op het brp-adres woonde.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Niet in geschil is dat de bevindingen van het onderzoek op 12 november 2015 naar de woonsituatie van appellante onbevoegd zijn verkregen en het van het onderzoek opgemaakte rapport niet als bewijs kan worden toegelaten.

4.2.

Dat betekent dat de herziening van de aan appellante toegekende uitwonendenfinanciering uitsluitend berust op de reisgegevens.

4.3.

Zoals is overwogen in de uitspraak van de Raad van 5 februari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:269, kunnen reisgegevens in beginsel aan een herzienings- dan wel boetebesluit ten grondslag worden gelegd, maar als enig bewijs zullen deze gegevens, behoudens bijzondere omstandigheden, niet voldoende zijn voor de minister om te voldoen aan de op hem rustende bewijslast. Dit uitgangspunt betekent dat alleen een analyse van reisgegevens slechts in uitzonderlijke gevallen een toereikende feitelijke grondslag zal bieden voor het standpunt van de minister dat een studerende niet woont op zijn brp-adres. Van zo’n uitzonderlijk geval is hier, mede gelet op de door appellante ter zitting gegeven verklaring voor haar reisgedrag, geen sprake.

4.4.

Uit wat onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen volgt dat er niet een voldoende feitelijke grondslag bestaat voor het standpunt van de minister dat appellante niet woonde op het

brp-adres, zodat het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering berust. Dat betekent dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven.

4.5.

De Raad zal, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dat besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Raad ziet tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb het besluit van

9 december 2015 te herroepen, omdat daaraan hetzelfde gebrek kleeft en, gelet op het tijdsverloop, niet aannemelijk is dat dit gebrek kan worden hersteld.

5. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 1 februari 2016;

  • -

    herroept het besluit van 9 december 2015 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 1 februari 2016;

  • -

    bepaalt dat de minister aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht vergoedt van in totaal € 170,-.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van J.C. Borman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 maart 2018.

(getekend) J. Brand

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

CVG