Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:725

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-03-2018
Datum publicatie
19-03-2018
Zaaknummer
16/5892 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

College was bevoegd om de aanvraag met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb buiten behandeling te stellen omdat appellanten de gevraagde nota's niet hebben ingediend. Beroep op IVRK slaagt niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/5892 PW

Datum uitspraak: 6 maart 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
7 september 2016, 16/1600 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellanten] te [woonplaats] (appellanten)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. J.J.E. Stout, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 januari 2018. Appellanten zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L. van den Buijs.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten hebben op 27 juni 2015 bijzondere bijstand aangevraagd voor, voor zover van belang, de kosten van woninginrichting tot een bedrag van € 5.000,-.

1.2.

Bij brief van 20 juli 2015 heeft het college appellanten meegedeeld dat zij niet alle gegevens hebben aangeleverd die nodig zijn voor de behandeling van hun aanvraag. Het college heeft appellanten in de gelegenheid gesteld de ontbrekende gegevens, waaronder

pro-forma nota’s van stoffering en inrichting (nota’s), voor 3 augustus 2015 over te leggen. Daarbij zijn appellanten erop gewezen dat als zij niet alle gevraagde gegevens inleveren het college de aanvraag niet in behandeling zal nemen.

1.3.

Bij besluit van 10 september 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 26 januari 2016 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag van appellanten met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling gesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep hebben appellanten zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen. Van een onvolledige of ongenoegzame aanvraag is onder andere sprake indien onvoldoende gegevens of bescheiden worden verstrekt om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken. Gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb gaat het daarbij om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

4.2.

Appellanten hebben, evenals in bezwaar en beroep, aangevoerd dat zij de nota’s wel hebben ingediend. Deze stelling kan niet slagen. Ook in hoger beroep hebben appellanten, tegenover de betwisting door het college, niet aannemelijk gemaakt dat zij de gevraagde nota’s daadwerkelijk bij het college hebben ingediend. Deze nota’s waren noodzakelijk voor het beoordelen van de aanvraag om bijzondere bijstand.

4.3.

Uit 4.2 volgt dat het college, anders dan appellanten aanvoeren, bevoegd was om de aanvraag met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb buiten behandeling te stellen. Het beroep van appellanten op artikel 3 en 6 van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind noopt niet tot het oordeel dat het college niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Zoals vaker overwogen

(zie de uitspraak van 24 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4204) staan die verdragsrechtelijke bepalingen, nog daargelaten de verbindendheid daarvan, niet eraan in de weg dat het college gegevens opvraagt en, bij het ontbreken van die gegevens, een aanvraag buiten behandeling stelt.

4.4.

Uit 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van A.M. Pasmans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2018.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) A.M. Pasmans

HD