Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:707

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-03-2018
Datum publicatie
13-03-2018
Zaaknummer
16/3010 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schending inlichtingenplicht in verband met niet melden hennepkwekerij. Vaste rechtspraak. Aannemelijk dat er vier eerdere oogsten zijn geweest en op grond daarvan is de aanvang hennepkwekerij vastgesteld op 23 januari 2013. Uwv heeft zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat appellant in een week minimaal 36 uur heeft gewerkt. Van dringende reden is niet gebleken. Boete. Geen aflossingscapaciteit. Het bedrag aan WW-uitkering en de boete waren niet juist berekend. Proceskostenveroordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 3010 ZW, 16/3011 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

23 maart 2016, 15/5116 en 15/5117 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 7 maart 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E. van de Burgwal, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en vragen van de Raad beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 december 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van de Burgwal. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M.M. Schalkwijk.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant ontving met ingang van 1 april 2011 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW), gebaseerd op een verlies van 36 arbeidsuren per week. Met ingang van 18 november 2011 is aan appellant een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend en is de WW-uitkering beëindigd. De ZW-uitkering is beëindigd met ingang van 11 juni 2013, waarna de WW-uitkering is voortgezet met ingang van 12 juni 2013.

1.2.

Op 5 november 2013 is door de politie in de woning van appellant een hennepkwekerij met 77 stekjes aangetroffen. Appellant is op die datum door de politie verhoord en heeft een verklaring afgelegd. Mede op basis van de bevindingen tijdens het politieonderzoek heeft het Uwv een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de uitkeringen van appellant. Op basis van dit onderzoek heeft het Uwv zich op het standpunt gesteld dat appellant zijn inlichtingenplicht heeft geschonden door geen melding te maken van zijn activiteiten. Ook heeft het Uwv geconcludeerd dat appellant in de periode van 22 januari 2013 tot en met
10 november 2013 uit de hennepplantage inkomsten heeft genoten en deze niet aan het Uwv heeft gemeld. Ten aanzien van de hoogte van de inkomsten heeft het Uwv zich gebaseerd op het Rapport berekening wederrechtelijk voordeel hennepkwekerij van de politie Midden Nederland van 6 april 2014. Daarin is geconcludeerd dat er minimaal vier oogsten zijn geweest waaruit een voordeel van minimaal € 27.423,63 is genoten.

1.3.

Bij besluit van 26 maart 2015 heeft het Uwv de ZW-uitkering van appellant over de periode van 23 januari 2013 tot en met 10 juni 2013 ingetrokken en een bedrag van volgens het Uwv onverschuldigd betaalde ZW-uitkering van € 6.875,- teruggevorderd.

1.4.

Bij besluit van 8 april 2015 heeft het Uwv de WW-uitkering van appellant over de periode van 10 juni 2013 tot en met 10 november 2013 ingetrokken en een bedrag van volgens het Uwv onverschuldigd betaalde WW-uitkering van € 7.050,53 teruggevorderd.

1.5.

Bij besluit van 16 juni 2015 heeft het Uwv appellant een boete opgelegd van € 6.970,-, omdat hij niet heeft doorgegeven dat hij in de periode van 10 juni 2013 tot en met 10 november 2013 inkomsten uit hennepteelt heeft gehad.

1.6.

Bij beslissing op bezwaar van 20 augustus 2015 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 26 maart 2015 en 8 april 2015 ongegrond verklaard.

1.7.

Bij een tweede beslissing op bezwaar van 20 augustus 2015 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv de bezwaren van appellant tegen het besluit van 16 juni 2015 ongegrond verklaard.

2.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen de bestreden besluiten gegrond verklaard, deze besluiten vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen van bestreden besluit 1 in stand blijven voor zover die betrekking hebben op het besluit van 26 maart 2015, de besluiten van 8 april 2015 en 16 juni 2015 herroepen, de hoogte van de terugvordering van de WW-uitkering vastgesteld op € 6.922,47 en de hoogte van de boete vastgesteld op € 6.900,-. De rechtbank heeft tevens beslissingen gegeven over de vergoeding van proceskosten en griffierecht.

2.2.

De rechtbank was van oordeel dat het Uwv een zorgvuldige schatting heeft gemaakt van de start van de werkzaamheden van de hennepkwekerij. Het betoog van appellant dat de start van de hennepkwekerij pas eind augustus 2013 was en dat er dus maar één keer eerder geoogst is en deze oogst mislukt is, vond de rechtbank niet geloofwaardig omdat appellant bij de politie en bij de opsporingsambtenaren van het Uwv anders heeft verklaard over het aantal keren dat de hennepkwekerij in werking was dan hij in bezwaar en beroep heeft aangevoerd. Na zijn aanhouding en een jaar later verklaarde appellant dat de eerste kweek net begonnen was. Pas in bezwaar en beroep heeft hij gesteld dat er één eerdere oogst is geweest. Appellant heeft weliswaar werkbonnen overgelegd, waaruit blijkt dat twee monteurs op 9 april 2013 werkzaamheden hebben verricht, maar ieder aanknopingspunt mist dat hieruit zou volgen dat de monteurs aan de CV-ketel van appellant hebben gewerkt, dat die ketel op zolder hing en dat de monteurs zeker hadden moeten zien dat er een hennepkwekerij was of werd opgebouwd en hiervan melding zouden hebben gemaakt. Gelet op het aantal aangetroffen planten deelde de rechtbank niet de stelling van appellant dat hij alleen voor eigen gebruik kweekte. Dat appellant een deel van de planten zelf zou houden en de rest allemaal naar de man zou gaan die de spullen voor de kwekerij had geleverd zodat hij er niets aan heeft verdiend, achtte de rechtbank ongeloofwaardig. Het stond het Uwv dan ook vrij om de hoogte van de inkomsten schattenderwijs vast te stellen. De rechtbank zag onvoldoende redenen om de berekening in het Rapport berekening wederrechtelijk voordeel hennepkwekerij onjuist te achten. Door geen melding te maken van zijn betrokkenheid bij hennepteelt en inkomsten daaruit heeft appellant de in artikel 25 van de WW en artikel 49 van de ZW neergelegde inlichtingenverplichting geschonden. Het Uwv heeft de uitkeringen terecht herzien en teruggevorderd en terecht een boete opgelegd. Omdat over twee dagen te veel WW-uitkering is teruggevorderd heeft de rechtbank het bedrag van de terugvordering van de WW-uitkering en de boete aangepast zoals onder 2.1 weergegeven.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de periode waarover de uitkeringen zijn herzien en teruggevorderd onjuist is. De hennepstekken, attributen en gereedschappen zijn pas eind augustus 2013 geleverd. Het betrof tweedehands spullen die niet waren schoongemaakt. De monteurs hebben op 9 april 2013 gewerkt aan de CV-ketel op zolder, wat niet mogelijk was geweest als daar op dat moment een hennepplantage zou hebben gestaan. De politierechter heeft de begindatum van de hennepteelt vastgesteld op 21 augustus 2013. Appellant had geen inlichtingenverplichting met betrekking tot de hennepplanten, want die waren van een derde; appellant mocht een klein deel van de oogst houden voor eigen gebruik. Hij heeft er niets aan verdiend en nagenoeg geen werkzaamheden verricht anders dan de planten water geven. De eerste oogst in oktober 2013 is volledig mislukt en de opvolgende planten zijn binnen één week inbeslaggenomen. Er is een dringende reden om van terugvordering van de uitkeringen en het opleggen van een boete af te zien. Appellant en zijn gezin zullen anders hun koopwoning met een grote restschuld moeten verlaten en op straat terechtkomen. Daarnaast zijn appellants lichamelijke en psychische klachten door de besluiten dusdanig verergerd dat sprake is van onaanvaardbare sociale gevolgen. Appellant heeft geen draagkracht om de boete te betalen, zodat deze op nihil moet worden vastgesteld. Ten slotte dient het Uwv alsnog tot vergoeding van de kosten in bezwaar te worden veroordeeld.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voor het wettelijk kader wordt verwezen naar punt 4 en 11 van de aangevallen uitspraak. Daaraan wordt toegevoegd dat op grond van artikel 31, eerste lid, van de ZW de verzekerde die aanspraak maakt op ziekengeld en tevens inkomen geniet, verplicht is hiervan vóór de uitkering van ziekengeld op door het Uwv in zijn reglement te bepalen wijze mededeling te doen. Op grond van artikel 31, tweede lid, van de ZW wordt inkomen op het ziekengeld in mindering gebracht. Op grond van artikel 8, eerste lid, van de WW, zoals dit luidde ten tijde van belang, behoudt een persoon wiens dienstbetrekking is beëindigd de hoedanigheid van werknemer, voor zover hij geen werkzaamheden verricht uit hoofde waarvan hij op grond van deze wet niet als werknemer wordt beschouwd.

Intrekking en terugvordering

4.2.

Het besluit tot intrekking en terugvordering van een uitkering is een belastend besluit waarbij het aan het Uwv is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking en terugvordering is voldaan in beginsel op het Uwv rust. Die last om informatie te vergaren brengt mee dat het Uwv feiten moet aandragen die aannemelijk maken dat appellant in de relevante periode inkomsten uit de hennepkwekerij heeft genoten van zodanige omvang dat hij geen recht heeft op een ZW-uitkering onderscheidenlijk in een week ten minste 36 uur werkzaamheden ten behoeve van de hennepkwekerij heeft verricht, waardoor hij de hoedanigheid van werknemer volledig heeft verloren en daarom geen recht heeft op een WW‑uitkering.

4.3.

Zoals volgt uit rechtspraak van de Raad rechtvaardigt het feit dat in de woning van appellant een hennepkwekerij is aangetroffen de veronderstelling dat appellant (mede-)eigenaar van de kwekerij is geweest, daarin werkzaamheden heeft verricht en dat de opbrengst daarvan ook hem ten goede is gekomen. Het is dan aan appellant om met overtuigende, objectieve en verifieerbare gegevens aan te tonen dat hij de hennepkwekerij niet heeft geëxploiteerd en ook overigens in het geheel geen inkomsten uit of in verband met deze kwekerij heeft ontvangen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 18 oktober 2017, ECLI:NL:CRVB2017:3622).

4.4.

Het Uwv heeft zijn standpunt dat er vier eerdere oogsten zijn geweest in de eerste plaats gebaseerd op de bevindingen van de politie op 5 november 2013. Aangetroffen werden onder meer droogrekken met resten van gedroogde henneptoppen, kalk- en algafzetting op het zeil op de vloer, drie scharen met oude hennepresten, 60 potten met aarde en wortelresten van hennepplanten, een weegschaal met hennepresten, een vuilniszak met oude hennepresten, ventilatoren met een dikke laag stof en een kweekschema, teruggaand tot 17 november 2009. Daarnaast heeft de fraudespecialist van Stedin verklaard dat er een illegale stroomafname ten behoeve van de hennepkwekerij is geweest van 9 februari 2010 tot een met 5 november 2013. In navolging van het Rapport berekening wederrechtelijk voordeel hennepkwekerij achtte het Uwv, ondanks dat appellant sinds 2008 in de woning woont, het kweekschema en de diefstal van stroom vanaf 2010, te weinig harde indicatoren aanwezig om uit te gaan van een aanvang in 2010. Op grond van de vervuiling en de aangetroffen situatie in de hennepkwekerij is vastgesteld dat er minimaal vier eerdere oogsten zijn geweest.

4.5.

Hiermee heeft het Uwv voldoende feiten en omstandigheden aangedragen die aannemelijk maken dat er vier eerdere oogsten zijn geweest en op grond daarvan de aanvang van de hennepkwekerij vastgesteld op 23 januari 2013. Appellant heeft niet met overtuigende, objectieve en verifieerbare gegevens aangetoond dat de hennepkwekerij pas eind augustus 2013 is gestart. De overgelegde factuur van een verwarmingsbedrijf toont niet aan dat op 9 april 2013 werkzaamheden bij appellant zijn uitgevoerd in de ruimte waar op

5 november 2013 de hennepkwekerij is aangetroffen, noch dat op dat moment geen hennepkwekerij aanwezig was in de woning van appellant. Het (enkele) gegeven dat de politierechter is uitgegaan van een begindatum 21 augustus 2013, leidt niet tot een ander oordeel. De bestuursrechter toetst een en ander zelfstandig en is niet gebonden aan het oordeel van de politierechter (zie onder meer de uitspraak van de Raad van 14 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4778). Uit het vonnis van de politierechter blijkt niet op grond van welke overwegingen hij tot zijn oordeel is gekomen. De stelling van appellant dat sprake was van tweedehands spullen, die pas eind augustus 2013 waren geleverd en niet schoon waren gemaakt, heeft appellant op geen enkele wijze onderbouwd.

4.6.

Uit 4.2 tot en met 4.5 volgt dat het Uwv er op goede gronden vanuit is gegaan dat appellant inkomsten heeft gehad uit hennepteelt die hij niet bij het Uwv heeft gemeld, maar op grond van artikel 31, eerste lid, en artikel 49 van de ZW wel had moeten melden. Het Uwv heeft zich voor de hoogte van deze inkomsten kunnen baseren op de berekening in het Rapport berekening wederrechtelijk voordeel hennepkwekerij. De stelling van appellant dat hij geen inkomsten uit de hennepteelt heeft genoten is niet geloofwaardig. Op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, artikel 31, tweede lid, en artikel 33, eerste lid, van de ZW was het Uwv daarom gehouden om de ZW-uitkering met ingang 23 januari 2013 te herzien en het in de periode van 23 januari 2013 tot en met 10 juni 2013 onverschuldigd betaalde ziekengeld van appellant terug te vorderen.

4.7.

Het Uwv heeft zich eveneens op goede gronden op het standpunt gesteld dat appellant, gelet op de omvang van de kwekerij, met het aanschaffen van materialen, de opbouw en het inrichten van de kwekerij, in een week minimaal 36 uur heeft gewerkt. Voor zover nog onzekerheid bestaat over de precieze omvang en duur van de werkzaamheden kan die onzekerheid niet ten voordele van appellant strekken, nu hij deze zelf heeft veroorzaakt door geen melding te maken van deze werkzaamheden (zie de uitspraak van de Raad van
9 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4445). Appellant heeft over die werkzaamheden de hoedanigheid van werknemer verloren. Op grond van artikel 8, eerste lid, artikel 22, eerste lid, aanhef en onder a, artikel 25 en artikel 36, eerste lid, van de WW was het Uwv daarom gehouden om de WW-uitkering met ingang van 10 juni 2013 te herzien en de in de periode van 10 juni 2013 tot en met 4 november 2013 onverschuldigd betaalde WW-uitkering van appellant terug te vorderen.

4.8.

Appellant heeft zijn standpunt dat sprake is van een dringende reden om van terugvordering af te zien in hoger beroep met dezelfde argumenten onderbouwd als in eerste aanleg. Onder verwijzing naar de overwegingen van de rechtbank wordt geoordeeld dat van een dringende reden niet is gebleken.

Boete

4.9.

Volgens vaste rechtspraak (zie onder meer de uitspraak van de Raad van 29 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1204) is de bewijslast voor het opleggen van een boete zwaarder dan die bij de toepassing van de bevoegdheid tot beëindiging, herziening of intrekking van een uitkering op de grond dat de inlichtingenverplichting is geschonden en van de bevoegdheid tot terugvordering wegens onterecht of tot een te hoog bedrag ontvangen uitkering. Dit brengt mee dat het Uwv moet aantonen dat appellant zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden door het Uwv geen mededeling te doen van de werkzaamheden die hij ten behoeve van de hennepkwekerij heeft verricht en de daaruit genoten inkomsten.

4.10.

Op grond van de in 4.4 genoemde feiten en omstandigheden heeft het Uwv niet alleen aannemelijk gemaakt, maar ook aangetoond dat vanaf 23 januari 2013 een hennepkwekerij in de woning van appellant aanwezig is geweest, dat appellant daarvoor werkzaamheden heeft verricht en daaruit inkomsten heeft genoten. Nu appellant daarvan geen mededeling aan het Uwv heeft gedaan, heeft hij zijn inlichtingenverplichting geschonden.

4.11.

Naar aanleiding van de stelling van appellant in hoger beroep dat hij geen draagkracht heeft om de boete te betalen, heeft het Uwv op grond van een inkomens- en vermogensonderzoek in april 2017 vastgesteld dat appellant op dat moment geen aflossingscapaciteit had en dat van de boete nog een bedrag van € 2.020,41 openstaat. Ter zitting heeft het Uwv verklaard dat appellant nog steeds geen aflossingscapaciteit heeft. Gelet hierop is er aanleiding om de boete vast te stellen op € 4.879,59, zijnde het bedrag dat appellant al heeft afgelost. Dit bedrag is hier passend en geboden.

Kosten in bezwaar

4.12.

Nu de rechtbank het beroep gegrond heeft verklaard en de bestreden besluiten heeft vernietigd, omdat het terug te vorderen bedrag aan WW-uitkering en de boete niet juist waren berekend, en appellant in bezwaar om vergoeding van kosten had verzocht, had de rechtbank, zoals appellant terecht heeft aangevoerd, ook de kosten in de bezwaarfase moeten vergoeden.

4.13.

Uit wat in 4.2 tot en met 4.12 is overwogen, volgt dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven voor zover daarbij de boete is bepaald op € 6.900,- en voor zover het Uwv niet is veroordeeld tot vergoeding van de door appellant in bezwaar gemaakte kosten. Met toepassing van artikel 8:72a van de Algemene wet bestuursrecht zal een boete worden opgelegd van € 4.879,59.

5. Er bestaat aanleiding het Uwv te veroordelen in de kosten van appellant. Deze worden begroot op € 2.004,- voor kosten van rechtsbijstand in bezwaar en hoger beroep en € 10,20 voor reiskosten in hoger beroep, in totaal € 2.014,20.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor zover daarbij de boete is vastgesteld op € 6.900,- en voor zover het Uwv niet is veroordeeld in de kosten van appellant in bezwaar;

  • -

    stelt het bedrag van de boete vast op € 4.879,59 en bepaalt dat de uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het door de rechtbank vernietigde besluit van 20 augustus 2015 tot oplegging van een boete;

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige, voor zover aangevochten;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.014,20;

  • -

    bepaalt dat het Uwv aan appellant het door hem betaalde griffierecht in hoger beroep van
    € 124,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C.C.W. Lange als voorzitter en B.M. van Dun en E. Dijt als leden, in tegenwoordigheid van N. Veenstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2018.

(getekend) C.C.W. Lange

(getekend) N. Veenstra

NW