Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:704

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-03-2018
Datum publicatie
14-03-2018
Zaaknummer
15/4963 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Met het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het Uwv overtuigend uiteengezet dat op het moment van de beoordeling geen aanleiding was om duurzaamheid van de arbeidsbeperkingen op 25 april 2014 aan te nemen. De Raad acht een voldoende motivering van de beslissing om appellante per 25 april 2014 in aanmerking te brengen voor een loongerelateerde WGA-uitkering en niet – zoals zij wenst – voor een IVA-uitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2018/153
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 4963 WIA, 17/4931 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 27 mei 2015, 14/6161 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 8 maart 2018

PROCESVERLOOP

De Raad heeft in het geding tussen partijen op 10 november 2017 een tussenuitspraak gedaan (ECLI:NL:CRVB:2017:3919). Bij de tussenuitspraak is aan het Uwv opgedragen het gebrek in het besluit van 2 juni 2017 (bestreden besluit 2) te herstellen met inachtneming van hetgeen in de tussenuitspraak is overwogen.

Het Uwv heeft een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 4 januari 2018 ingediend.

Namens appellante heeft mr. A.J. Nieuwenhuijse, advocaat, een reactie op dit rapport ingediend.

Vervolgens is met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb, afgezien van een nader onderzoek ter zitting, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de tussenuitspraak.

1.2.

Uit overweging 4.1 van de tussenuitspraak volgt dat het besluit van 2 september 2014 (bestreden besluit 1) moet worden vernietigd. Dit betekent dat ook de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd, waarbij het bestreden besluit 1 in stand is gelaten. Omdat met bestreden besluit 2 niet geheel tegemoet wordt gekomen aan het beroep van appellante, heeft zij belang bij de beoordeling van dit besluit en heeft haar beroep op grond van de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24, eerste lid, van de Awb van rechtswege mede betrekking op dit besluit.

2. Met het rapport van 4 januari 2018 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het Uwv een onderbouwing gegeven van zijn opvatting dat de situatie van volledige arbeidsongeschiktheid van appellante op 25 april 2014 niet als duurzaam kan worden gekwalificeerd. Daartoe is – samengevat – aangevoerd dat appellante bij bestreden besluit 2 op 25 april 2014 volledig arbeidsongeschikt is geacht omdat er sprake was van borstkanker. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft erop gewezen dat appellante in opzet curatief werd behandeld voor deze aandoening. De vermoeidheidsklachten als gevolg van deze aandoening, en de behandeling, waren reden om volledige arbeidsongeschiktheid aan te nemen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft zich, onder verwijzing naar het verzekeringsgeneeskundig protocol borstkanker, op het standpunt gesteld dat voor de vermoeidheidsklachten behandelmogelijkheden voorhanden zijn waardoor verbetering van de belastbaarheid op termijn te verwachten valt. Revalidatieprogramma’s voor kankerpatiënten die de primaire behandeling hebben afgerond, kunnen significant bijdragen aan afname van de vermoeidheid en kwaliteit van leven. Nu er geen aanwijzingen zijn dat appellante geen baat zou kunnen hebben zij deze therapie, kan alsnog geconcludeerd worden dat op de datum in geding gesproken kan worden van een reële kans op afname van de vermoeidheidsklachten.

Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep met betrekking tot de depressieve klachten van appellante te kennen gegeven dat deze ook behandeld worden in de revalidatietherapie. Zou dit onvoldoende effect hebben, dan zijn er ook andere therapie-opties of gebruik van medicatie mogelijk.

3.1.

Beoordeeld dient te worden of bestreden besluit 2 gelet op de nadere onderbouwing daarvan alsnog deugdelijk is gemotiveerd.

3.2.

Met het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 4 januari 2018 heeft het Uwv overtuigend uiteengezet dat op het moment van de beoordeling geen aanleiding was om duurzaamheid van de arbeidsbeperkingen op 25 april 2014 aan te nemen. Afdoende is onderbouwd dat in de situatie van appellante sprake was van behandelmogelijkheden met een reële verwachting dat haar lichamelijke en mentale situatie zou verbeteren, zodat

– op termijn – mocht worden verwacht dat de arbeidsmogelijkheden van appellante zouden kunnen toenemen. De gegeven uiteenzetting van de verzekeringsarts bezwaar en beroep acht de Raad een voldoende motivering van de beslissing om appellante per 25 april 2014 in aanmerking te brengen voor een loongerelateerde WGA-uitkering en niet – zoals zij wenst – voor een IVA-uitkering. In wat appellante in reactie op het rapport van 4 januari 2018 heeft aangevoerd over haar gehele ziektebeeld zijn geen aanknopingspunten gelegen om de juistheid van de beslissing in twijfel te trekken. Met de aanvullende motivering is het gebrek in het bestreden besluit door het Uwv hersteld.

3.3.

Appellante wordt niet gevolgd in haar betoog dat het Uwv bij bestreden besluit 2 de vergoeding van bezwaarkosten op een te laag bedrag heeft vastgesteld. Het Uwv is terecht uitgegaan van een zaak van gemiddeld gewicht en een wegingsfactor 1 voor de berekening van de aan appellante toekomende vergoeding.

3.4.

Uit 3.2 en 3.3 volgt dat het beroep van appellante tegen bestreden besluit 2 niet slaagt.

4. Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden bepaald op € 2.755,50 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 2 september 2014;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 2 juni 2017 ongegrond;

- veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag

van in totaal € 2.755,50;

- bepaalt dat het Uwv aan appellante het door haar betaalde griffierecht van in totaal € 168,-

vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2018.

(getekend) M. Greebe

(getekend) P. Boer

RH