Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:702

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-02-2018
Datum publicatie
13-03-2018
Zaaknummer
16/6576 WMO15
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voldoende procesbelang. Het bestreden besluit is ten onrechte gebaseerd op het bepaalde bij en krachtens de Wmo. Verhuisprimaat. Het college heeft appellant terecht tegengeworpen dat de woning [adres] voor hem geen geschikte woning is, zodat appellant met de verhuizing naar die woning geen passende oplossing heeft gevonden voor het in de verlaten woning ondervonden woonprobleem, zodat hij geen recht heeft op een financiële tegemoetkoming in de kosten van de verhuizing en herinrichting. College veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2018/87
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/6576 WMO15

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

8 september 2016, 15/3904 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. Kaya, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting door de enkelvoudige kamer heeft plaatsgevonden op

30 augustus 2017. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Kaya. Voor het college is verschenen E.J.W. Bruinsma. Het onderzoek is na de zitting heropend en verwezen naar de meervoudige kamer.

Het college heeft nadere vragen beantwoord en namens appellant zijn nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 29 november 2017. Appellant heeft zich daar laten vertegenwoordigen door mr. Kaya en drs. J.R.B. Lize. Voor het college is Bruinsma verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft ten gevolge van een zeldzame aandoening beperkingen aan de handen, vingers, voeten en tenen en is verder bekend met een hernia, een depressie, migraine en claustrofobie. [naam organisatie] heeft op 21 november 2014 een urgentieverklaring afgegeven voor een gelijkvloerse rolstoeltoegankelijke woning.

1.2.

Appellant heeft op 6 december 2014 een tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten aangevraagd op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Hij heeft hierbij te kennen gegeven dat hij beperkingen heeft bij het traplopen. Om zijn woning te kunnen bereiken moet hij een buitentrap van 15 treden gebruiken.

1.3.

Het college heeft deze aanvraag bij besluit van 15 januari 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 16 juni 2015 (bestreden besluit), afgewezen. Dit besluit berust op het standpunt dat geen sprake is van een onverwachte of onvoorziene verhuizing nu appellant al sinds

23 januari 2006 ingeschreven staat bij WoningNet. Voor appellant zijn diverse urgentieverklaringen afgegeven waarmee hij in staat was om het woonprobleem op te lossen door verhuizing. Vanaf het toekennen van de eerste urgentieverklaring in april 2008 had appellant kunnen en moeten gaan sparen voor een te verwachten verhuizing.

2.1.

De rechtbank heeft in de tussenuitspraak van 1 juli 2016 onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 29 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2700, geoordeeld dat het opleggen van een verplichting om te sparen voor een voorzienbare verhuizing een niet geoorloofde financiële voorwaarde is. De rechtbank heeft het college in de gelegenheid gesteld om dit gebrek in de motivering van het bestreden besluit te herstellen.

2.2.

Het college heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt door de motivering van het bestreden besluit bij brief van 19 juli 2016 aan te vullen. Aangevoerd is dat appellant in juli 2016 is verhuisd naar de eengezinswoning [adres] te [woonplaats] , maar dat deze niet geschikt is nu de slaapkamers en de natte cel zich op de bovenverdieping bevinden en deze alleen bereikbaar zijn via een trap. Appellant heeft bij brief van 22 augustus 2016 een zienswijze ingezonden.

2.3.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk verklaard. Zij heeft daartoe overwogen dat appellant in juni 2016 de niet geschikte woning [adres] heeft aanvaard in het kader van de reguliere wachttijd voor woningzoekenden bij WoningNet. Dit betekent dat geen aanspraak meer bestaat op een financiële tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten. Het beroep kan daarom niet leiden tot het door appellant beoogde resultaat.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat hij geen procesbelang meer heeft. Hij heeft een geldlening moeten afsluiten om de kosten van verhuizing en herinrichting te kunnen voorschieten. Appellant heeft verder aangevoerd dat de woning [adres] wel geschikt is. Deze woning is groot genoeg voor hem en zijn gezin en de huurprijs ervan blijft onder de grens voor een huurtoeslag. Van de slaapkamers op de bovenverdieping maakt hij geen gebruik omdat hij in de woonkamer op de benedenverdieping slaapt en zich in de keuken wast. De in de verlaten woning ondervonden problemen zijn opgelost, omdat hij geen trap meer op en af moet om de woning te kunnen bereiken of verlaten.

3.2.

Namens het college is op de zitting van 29 november 2017 verklaard dat in het in de tussenuitspraak van 1 juli 2016 vervatte oordeel van de rechtbank wordt berust. Het college handhaaft in hoger beroep wel zijn standpunt dat appellant geen financiële tegemoetkoming toekomt, omdat hij is verhuisd naar een niet adequate woning.

4. De Raad overweegt het volgende.

Ontvankelijkheid.

4.1.

Volgens vaste rechtspraak (zie recent de uitspraak van de Raad van 3 januari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:23) is eerst sprake van (voldoende) procesbelang als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang.

4.2.

De beoordeling dat appellant geen recht heeft op een financiële tegemoetkoming omdat hij een niet geschikte woning heeft betrokken betreft de gegrondheid van het beroep en niet de ontvankelijkheid ervan. Aan deze beoordeling wordt eerst toegekomen nadat is geoordeeld dat het beroep ontvankelijk is. De rechtbank heeft dit miskend, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad de gegrondheid van het beroep beoordelen.

Overgangsrecht

4.3.1.

De Raad zal ambtshalve beoordelen of het bestreden besluit op de juiste wettelijke grondslag berust.

4.3.2.

Appellant heeft een aanvraag om verhuiskostenvergoeding gedaan op 6 december 2014. Op deze aanvraag is beslist bij primair besluit van 15 januari 2015. Dit besluit is gehandhaafd in het bestreden besluit van 16 juni 2015. Beide besluiten berusten op de Wmo, de Verordening WMO voorzieningen 2013 en de Beleidsregels Wmo Voorzieningen 2014.

4.3.3.

In zijn uitspraak van 18 mei 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1402, heeft de Raad overwogen dat artikel 8.9, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) inhoudt dat de Wmo met ingang van 1 januari 2015 is ingetrokken. Dit betekent, gelet op wat is vastgesteld in 4.3.2, dat het bestreden besluit ten onrechte is gebaseerd op het bepaalde bij en krachtens de Wmo. Dit betekent dat dit besluit op een onjuiste wettelijke grondslag berust en dient te worden vernietigd.

Materiële beoordeling

4.4.

De Raad zal uit een oogpunt van finale geschilbeslechting beoordelen welke rechtsgevolgen hieraan moeten worden verbonden.

4.5.

Uit de stukken blijkt dat appellant op grond van de Wmo 2015 op 27 september 2016 een nieuwe aanvraag voor een financiële tegemoetkoming heeft gedaan. Op de zitting van

29 november 2017 is toegelicht dat hij dit heeft gedaan omdat de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het college heeft die aanvraag bij besluit van 2 november 2016 afgewezen op de grond dat appellant in juni 2016 is verhuisd naar de woning [adres] en dat deze woning voor hem niet geschikt is omdat de slaapkamer en de natte cel op de bovenverdieping alleen bereikbaar zijn via een trap. Het college heeft het bezwaar tegen dat besluit bij beslissing op bezwaar van 6 april 2017 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 6 april 2017 bij uitspraak van 20 november 2017 ongegrond verklaard. Het college heeft op de zitting van

29 november 2017 erkend dat het bestreden besluit ten onrechte is gebaseerd op de Wmo en dat de op de Wmo 2015 steunende motivering van het besluit van 2 november 2016, zoals gehandhaafd in de beslissing op bezwaar van 6 april 2017, tevens heeft te gelden als motivering van het bestreden besluit van 16 juni 2015. Namens appellant is verklaard dat deze lezing van het bestreden besluit wordt onderschreven.

4.6.

De Raad stelt voorop dat in de Verordening maatschappelijke ondersteuning Utrecht 2015 (Verordening) het zogeheten verhuisprimaat is neergelegd en dat een vergoeding voor de kosten van het verhuizen ingevolge artikel 2.3.7 van de Verordening deel uitmaakt van de te treffen voorziening. Het Financieel besluit Wmo 2015 van de gemeente Utrecht stelt de hoogte van de financiële tegemoetkoming voor verhuis- en herinrichtingskosten vast op

€ 2.950,-. De Raad heeft in zijn uitspraak van 12 februari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:396, geoordeeld dat een in een verordening als bedoeld in artikel 2.1.3 van de Wmo 2015 geregelde financiële maatwerkvoorziening als zodanig niet strijdig is met de tekst en het voorzieningenstelsel van de Wmo 2015.

4.7.

Tussen partijen is uitsluitend nog in geschil of het college appellant terecht heeft tegengeworpen dat de woning [adres] voor hem geen geschikte woning is, zodat appellant met de verhuizing naar die woning geen passende oplossing heeft gevonden voor het in de verlaten woning ondervonden woonprobleem, zodat hij geen recht heeft op een financiële tegemoetkoming in de kosten van de verhuizing en herinrichting.

4.8.

De Raad beantwoordt de in 4.7 gestelde vraag bevestigend. De beroepsgrond van appellant dat de woning [adres] wel geschikt is omdat deze zonder (buiten)trap toegankelijk is zodat het in de verlaten woning ondervonden woonprobleem opgelost is, slaagt niet. De omstandigheid dat appellant op een matras in de woonkamer slaapt en dat hij zich moet wassen in de keuken, omdat hij geen gebruik kan maken van de trap naar de bovenverdieping waar zich de slaapkamers en de natte cel bevinden, onderstreept dat hij die woning niet overeenkomstig haar essentiële elementaire woonfuncties kan bewonen (zie de uitspraken van 7 juni 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT8015 en 12 februari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:398). Dit betekent dat die woning voor hem, gezien zijn beperkingen, ongeschikt is. Appellant was daarmee ook bekend nu het programma van eisen van de urgentieverklaring inhoudt dat hij aangewezen is op een gelijkvloerse rolstoeltoe- en doorgankelijke woning. Dit blijkt nog eens te meer nu appellant op eigen kosten in die woning een gebruikte traplift heeft aangebracht. Dat deze woning groot genoeg is voor bewoning door zijn gezin en dat de huurprijs ervan beneden de huurgrens blijft zodat hij in aanmerking komt voor huurtoeslag doet aan de ongeschiktheid ervan voor appellant, gelet op zijn beperkingen, niet af.

4.9.

Uit wat overwogen is in 4.8 volgt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand zullen worden gelaten.

5. Er is aanleiding om het college te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten. Deze worden voor rechtsbijstand begroot op € 1.252,50 in beroep en € 1.252,50 in hoger beroep, in totaal € 2.505,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven;

  • -

    veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.505,-;

  • -

    bepaalt dat het college het in beroep en hoger betaalde griffierecht van € 169,- aan appellant vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter, D.S. de Vries en J.P.A. Boersma als leden, in tegenwoordigheid van L.H.J. van Haarlem als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2018.

(getekend) R.M. van Male

(getekend) L.H.J. van Haarlem

UM