Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:7

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-01-2018
Datum publicatie
08-01-2018
Zaaknummer
16/4115 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing bijstandsaanvraag. Inkomsten uit pokeren. Betreft geen vermogen, maar inkomsten. Dat appellant over één maand in de te beoordelen periode geen voldoende inkomsten had heeft hij in strijd met de goede procesorde te laat aangevoerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2018/38
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 4115 PW

Datum uitspraak: 2 januari 2018

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland van 20 mei 2016, 16/1482 en 16/1086 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Purmerend (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.T. Poort, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 november 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Poort. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M. Dekker-Koenders en C. van der Gulik.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant houdt zich al enige jaren bezig met betaald online pokeren. Appellant heeft vanaf 1 juli 2012 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand ontvangen. Appellant verstrekte in verband met het pokeren maandelijks uitdraaien van zijn pokeraccounts aan het college waarna de in aanmerking te nemen inkomsten op de bijstand in mindering werden gebracht. Het college heeft de bijstand met ingang van 1 april 2015 ingetrokken op de grond dat de inkomsten van appellant uit online pokeren hoger waren dan de op hem van toepassing zijnde bijstandsnorm. Appellant heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddelen ingesteld.

1.2.

Appellant heeft zich op 20 juli 2015 gemeld om bijstand op grond van de Participatiewet (PW) aan te vragen. Op 9 september 2015 heeft hij de aanvraag ingediend. Bij brief van

11 augustus 2015 heeft het college appellant verzocht om onder meer een uitdraai over te leggen van zijn pokeraccount over de maand juli 2015. Appellant heeft deze gegevens verstrekt.

1.3.

Bij besluit van 17 september 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 21 januari 2016 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag van appellant afgewezen. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat uit de door appellant verstrekte uitdraai van zijn pokeraccount blijkt dat het in aanmerking te nemen inkomen over de maand juli 2015 hoger is dan de voor hem geldende bijstandsnorm. Appellant kan daarmee over voldoende middelen beschikken om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, zodat hij geen recht heeft op bijstand.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank (rechtbank) het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 20 juli 2015 tot en met 17 september 2015.

4.2.

Het gaat in dit geding om een besluit tot afwijzing van een aanvraag om bijstand. Een aanvrager dient in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk te maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag. In dat kader dient de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen en volledige openheid van zaken te geven. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren.

4.3.

Middelen die over het algemeen periodiek worden ontvangen kunnen worden ingezet voor voorziening in het levensonderhoud en worden daarom aangemerkt als inkomen als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de PW.

4.4.

Uit de door appellant overgelegde uitdraai van zijn pokeraccount blijkt dat hij in juli 2015 meerdere bedragen heeft gewonnen en dat die bedragen op zijn pokeraccount zijn bijgeschreven. Het college heeft deze gewonnen bedragen bij elkaar opgeteld en aangemerkt als de inkomsten van appellant in juli 2015.

4.5.

Appellant heeft aangevoerd dat het college ten onrechte alle gewonnen bedragen bij elkaar heeft opgeteld, omdat hij niet redelijkerwijs over het totaal aan gewonnen bedragen heeft kunnen beschikken. De gewonnen bedragen bleven namelijk op zijn pokeraccount staan en werden niet meteen op zijn bankrekening overgemaakt. Volgens appellant zijn de winsten tussentijds niet opeisbaar omdat een toernooi moet worden afgespeeld waarbij de gewonnen bedragen (deels) als inzet worden gebruikt. Het college heeft echter geen rekening gehouden met gaandeweg een toernooi gewonnen bedragen. Dit betoog slaagt niet. Alleen de aan het eind van een toernooi gewonnen bedragen zijn als inkomen in aanmerking genomen. Appellant heeft van die bedragen niet aannemelijk gemaakt dat het niet mogelijk was om de gewonnen bedragen op zijn bankrekening te laten overmaken. Het tegendeel lijkt het geval. Appellant heeft ter zitting immers toegelicht dat hij ervoor heeft gekozen de gewonnen bedragen op zijn pokeraccount te laten staan en deze bedragen aan te wenden om opnieuw te pokeren. Hij kon derhalve wel over deze gelden beschikken en deed dat ook door de gelden te gebruiken om verder te spelen.

4.6.

Appellant heeft verder aangevoerd dat de bedragen die hij met pokeren heeft gewonnen als inkomsten uit vermogen moeten worden aangemerkt, waarop de bedragen die hij heeft verloren als schulden in mindering moeten worden gebracht. Deze beroepsgrond slaagt niet. Gelet op het periodieke karakter van de gewonnen bedragen en gelet op de hoogte ervan, moeten deze bedragen in dit geval worden aangemerkt als inkomsten van appellant. De door appellant als schulden benoemde kosten betreffen de kosten van deelname en inzet aan het pokerspel. Deze kosten zijn gelijk te stellen met verwervingskosten (uitspraak van 2 december 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:4036) en voor verrekening van deze kosten is volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 14 augustus 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX5020) bij de vaststelling van het in aanmerking te nemen inkomen in het kader van de PW geen ruimte.

4.7.

Uit 4.5 en 4.6 volgt dat het college de gewonnen bedragen terecht als inkomsten heeft aangemerkt.

4.8.

Appellant heeft eerst ter zitting van de Raad betoogd dat het college ten onrechte niet heeft bezien of bijstand had moeten worden toegekend vanaf augustus 2015. Dit betreft een nieuwe juridische grond, die een nader feitenonderzoek vergt. De Raad zal deze beroepsgrond buiten bespreking laten, omdat deze in strijd met de goede procesorde te laat is aangevoerd en het college daarop niet heeft kunnen reageren. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat appellant deze grond in een eerder stadium naar voren had kunnen brengen.

4.9.

Uit 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen als voorzitter en E. Dijt en

J.H.M. van de Ven als leden, in tegenwoordigheid van A.M. Pasmans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 januari 2018.

(getekend) P.W. van Straalen

(getekend) A.M. Pasmans

HD