Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:692

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-03-2018
Datum publicatie
13-03-2018
Zaaknummer
16/4240 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Rechtbank heeft de beroepsgronden afdoende besproken en overtuigend gemotiveerd waarom deze niet slagen. Verklaring psychiater in hoger beroep ziet niet op datum in geding. Verder blijkt daaruit niet van toename psychische beperkingen sinds 23 januari 2014.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 4240 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

18 mei 2016, 15/7595 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 7 maart 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.A. van Heijningen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 januari 2018. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Heijningen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

F.M.J. Eijmael.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was sinds 25 juni 2010 werkzaam via [naam werkgeefster B.V.] (werkgeefster) in de functie van algemeen medewerkster voor 27,5 uur per week op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Laatstelijk heeft appellante werkzaamheden verricht in de koffiekamer van [onderdeel]. Op 26 januari 2012 is appellante uitgevallen van deze werkzaamheden met psychische klachten na een arbeidsconflict met haar leidinggevende en heeft daarna ook lichamelijke klachten gekregen.

1.2.

Appellante heeft op 30 oktober 2013 een aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) ingediend. Bij besluit van

24 december 2013 heeft het Uwv appellante een WIA-uitkering per 23 januari 2014 ontzegd, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante is vastgesteld op minder dan 35%. Bij besluit op bezwaar van 31 maart 2014 heeft het Uwv het besluit van 24 december 2013 gehandhaafd. In een uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 februari 2015 (14/2815) is het beroep van appellante tegen het besluit op bezwaar van 31 maart 2014 ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellante geen hoger beroep ingesteld.

1.3.

Naar aanleiding van een nieuwe WIA-aanvraag van 12 december 2014 heeft het Uwv bij besluit van 15 december 2014 geweigerd terug te komen van de besluiten van

24 december 2013 en 31 maart 2014, omdat appellante geen nieuwe of andere informatie heeft verstrekt. Bij besluit van 30 januari 2015 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 15 december 2014 ongegrond verklaard. Daartoe heeft het Uwv overwogen dat er geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht. Appellante heeft tegen dit besluit geen beroep ingesteld.

1.4.

Appellante heeft zich met ingang van 14 april 2015 ook toegenomen arbeidsongeschikt gemeld. Het Uwv heeft na een verzekeringsgeneeskundig onderzoek in een besluit van

22 april 2015 bepaald dat appellante met ingang van genoemde datum niet in aanmerking komt voor een WIA-uitkering, omdat er geen sprake is van toegenomen klachten met dezelfde ziekteoorzaak als waarvoor al eerder een WIA-uitkering was geweigerd per 23 januari 2014. Bij het besluit van 14 oktober 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Het Uwv heeft aan dit besluit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 31 juli 2015 ten grondslag gelegd.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het bestreden besluit op een deugdelijke medische grondslag berust. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten om de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep in twijfel te trekken. De rechtbank is van oordeel dat op basis van de onderliggende stukken het Uwv terecht heeft geconcludeerd dat er geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid. Appellante heeft in beroep volgens de rechtbank geen nieuwe medisch geobjectiveerde feiten aangevoerd op grond waarvan anders moet worden geoordeeld. De door appellante in beroep overgelegde verklaring van psychiater dr. W. Lionarons van

17 maart 2016 kan niet leiden tot een ander oordeel, omdat daarin slechts de anamnese en een diagnose worden beschreven. De verklaring ziet volgens de rechtbank bovendien niet op de datum in geding, noch volgt daaruit dat sprake is van een toename van klachten sinds

23 januari 2014. Nu geen toename van de medische beperkingen kon worden vastgesteld, heeft er naar het oordeel van de rechtbank terecht geen arbeidskundige beoordeling plaatsgevonden.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep gesteld dat haar fysieke en psychische beperkingen zijn onderschat. Daartoe heeft appellante gewezen op de verklaring van psychiater Lionarons van 17 maart 2016 waaruit blijkt dat appellante al sinds 23 april 2013 voor haar psychische klachten onder behandeling is en dat haar psychische klachten zijn toegenomen. Ten onrechte heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen informatie opgevraagd bij een psychiater. Appellante is in afwachting van nieuwe onderzoeksresultaten die haar stelling, dat zij per 23 januari 2014 toegenomen arbeidsongeschikt is, kunnen onderbouwen. Zij staat thans bij Mentrum op de wachtlijst.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voor de relevante wet- en regelgeving wordt verwezen naar onderdeel 4.1 van de aangevallen uitspraak.

4.2.

Appellante heeft in hoger beroep in essentie dezelfde gronden aangevoerd als in beroep. De rechtbank heeft deze beroepsgronden afdoende besproken en heeft overtuigend gemotiveerd waarom deze niet slagen. Met juistheid heeft de rechtbank geoordeeld dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek naar de beperkingen van appellante zorgvuldig is verricht en dat er geen toename van de medische beperkingen van appellante kan worden vastgesteld. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden geheel onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.

4.3.

Hetgeen appellante in hoger beroep onder verwijzing naar de verklaring van de psychiater Lionarons van 17 maart 2016 heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen kan deze verklaring niet leiden tot een ander oordeel, omdat deze verklaring niet ziet op de datum in geding van 14 april 2015 en bovendien daaruit niet blijkt van een toename van de psychische beperkingen sinds 23 januari 2014. Appellante heeft haar stelling dat zij toegenomen arbeidsongeschikt is per 14 april 2015 in hoger beroep verder niet meer onderbouwd met nieuwe medische stukken.

4.4.

Uit hetgeen is overwogen onder 4.2 en 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.C.W. Lange, in tegenwoordigheid van J.R. Trox als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2018.

(getekend) C.C.W. Lange

(getekend) J.R. Trox

GdJ