Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:688

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-03-2018
Datum publicatie
12-03-2018
Zaaknummer
16/603 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Oplegging boete wegens het niet nakomen van zijn inlichtingenplicht. Nu in het Boetebesluit, zoals dit luidt vanaf 1 januari 2017, de boete niet langer naar boven wordt afgerond op een veelvoud van € 10,-, betekent dat in het geval van appellant een boete van € 400,43 passend en geboden is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 603 WW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 december 2015, 15/3875 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] , Turkije (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 7 maart 2018

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 januari 2018. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T. van der Weert.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is met ingang van 2 augustus 2012 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Op een wijzigingsformulier van

26 november 2014 heeft appellant het Uwv meegedeeld dat hij op 12 november 2014 naar Turkije is geëmigreerd. Bij besluit van 28 november 2014 heeft het Uwv de WW-uitkering van appellant per 12 november 2014 beëindigd.

1.2.

Uwv heeft naar aanleiding van het wijzigingsformulier van 26 november 2014 nader onderzoek verricht. Uit onder meer de polisadministratie (Suwinet) is gebleken dat appellant reeds op 6 oktober 2014 was geëmigreerd naar Turkije.

1.3.

Bij besluit van 30 maart 2015 heeft het Uwv de WW-uitkering van appellant met ingang van 6 oktober 2014 ingetrokken en over de periode van 6 oktober 2014 tot en met

16 november 2014 een bedrag van € 1.969,20 aan volgens het Uwv onverschuldigd betaalde WW-uitkering van appellant teruggevorderd. Na aftrek van een tegoed aan vakantiegeld van
€ 367,47 heeft het Uwv het totaal terug te betalen bedrag vastgesteld op € 1.601,73.

1.4.

Bij een tweede besluit van 30 maart 2015 heeft het Uwv appellant een boete opgelegd van € 410,- wegens schending van zijn inlichtingenplicht. Nu appellant het Uwv al op de hoogte had gesteld van zijn emigratie naar Turkije, is volgens het Uwv sprake van verminderde verwijtbaarheid en is de boete vastgesteld op 25% van het teruggevorderde bedrag van € 1.601,73, te weten € 400,43 en afgerond per € 10,- naar boven, op € 410,-.

1.5.

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de besluiten van 30 maart 2015. Bij besluit van 26 mei 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren van appellant ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv de WW-uitkering van appellant op goede gronden ingetrokken per 6 oktober 2014, omdat hij vanaf die datum in Turkije woont. De rechtbank heeft daarbij gewezen op artikel 19, eerste lid, aanhef en onder e, van de WW, op grond waarvan geen recht op WW-uitkering bestaat wanneer verblijf wordt gehouden in het buitenland anders dan wegens vakantie. De rechtbank heeft tevens geoordeeld dat het Uwv terecht de bruto onverschuldigd betaalde WW-uitkering, in totaal € 1.601,73, van appellant heeft teruggevorderd. Daarbij heeft de rechtbank verwezen naar de toelichting van het Uwv dat altijd het bruto uitkeringsbedrag wordt teruggevorderd. De rechtbank is niet gebleken dat het terugvorderingsbedrag onjuist is vastgesteld. Dringende redenen om in dit geval van intrekking of terugvordering af te zien zijn gesteld noch

gebleken. Met betrekking tot de boete heeft de rechtbank vastgesteld dat appellant zijn inlichtingenplicht heeft geschonden door het Uwv niet tijdig mededeling te doen van zijn emigratie naar Turkije. Gesteld noch gebleken is dat appellant niet veel eerder dan op

28 november 2014 aan het Uwv kenbaar had kunnen maken dat hij naar Turkije was vertrokken. De rechtbank is evenmin gebleken dat iedere vorm van verwijtbaarheid bij appellant ontbreekt. De opgelegde boete van € 410,- heeft de rechtbank evenredig geacht.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep herhaald dat hij het niet eens is met de terugvordering en de boete. Volgens appellant klopt het terugvorderingsbedrag niet, omdat hij netto minder uitkering heeft ontvangen. Appellant heeft tevens aangevoerd dat hij zijn emigratie naar Turkije niet eerder heeft gemeld bij het Uwv, omdat hij geen andere keuze had. Appellant was voor zijn levensonderhoud volledig afhankelijk van zijn WW-uitkering. Voorts heeft appellant verzocht de boete op te heffen.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voor het toepasselijke wettelijke kader wordt verwezen naar rechtsoverwegingen 5, 6, 7 en 11 van de aangevallen uitspraak. In aanvulling daarop wordt nog verwezen naar artikel 2 van het Boetebesluit socialezekerheidswetten (Boetebesluit), met dien verstande dat met ingang van 1 januari 2017 artikel 2, tweede lid, van het Boetebesluit is vervallen. Als gevolg daarvan wordt de boete niet meer afgerond naar boven op een veelvoud van € 10,-.

4.2.

Hetgeen appellant in hoger beroep wat betreft de hoogte van het teruggevorderde bedrag aan WW-uitkering heeft aangevoerd, is in essentie een herhaling van wat hij in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft deze gronden in de aangevallen uitspraak volledig en voldoende gemotiveerd besproken. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven.

4.3.

Ook de overwegingen van de rechtbank in de aangevallen uitspraak met betrekking tot de boete wegens het niet nakomen van zijn inlichtingenplicht door appellant worden geheel onderschreven, behoudens de hoogte van de boete. De stelling van appellant in hoger beroep dat hij om financiële redenen het Uwv niet tijdig van zijn emigratie naar Turkije op de hoogte heeft gebracht doet niet af aan de verplichting van appellant het Uwv over zijn vertrek tijdig in te lichten.

4.4.

Nu in het Boetebesluit, zoals dit luidt vanaf 1 januari 2017, de boete niet langer naar boven wordt afgerond op een veelvoud van € 10,-, betekent dat in het geval van appellant een boete van € 400,43 passend en geboden is.

4.5.

Uit 4.4 volgt dat de aangevallen uitspraak, voor zover hierin is geoordeeld dat de boete terecht aan appellant is opgelegd, geen stand kan houden. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal het beroep gegrond worden verklaard en zal het bestreden besluit in zoverre worden vernietigd. Met toepassing van artikel 8:72a van de Algemene wet bestuursrecht zal het boetebedrag worden vastgesteld op € 400,43.

5. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij is beslist over de boete;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 26 mei 2015 voor zover daarbij de

opgelegde boete in stand is gelaten;

- stelt het bedrag van de boete vast op € 400,43 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in

de plaats treedt van het vernietigde deel van het besluit van 26 mei 2015;
- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

- bepaalt dat het Uwv het door appellant in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van € 169,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.C.W. Lange, in tegenwoordigheid van J.R. Trox als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2018.

(getekend) C.C.W. Lange

(getekend) J.R. Trox

GD