Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:685

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-03-2018
Datum publicatie
12-03-2018
Zaaknummer
16/6356 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep wegens het ontbreken van procesbelang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 6356 WW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
30 augustus 2016, 16/2586 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 7 maart 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. K. Celebi, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 januari 2017. Appellant is met bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J. Grasmeijer.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 26 september 2013 is appellant met ingang van 2 september 2013 in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW). In dit besluit is de duur van de WW-uitkering bepaald op drie maanden en is appellant geïnformeerd dat als er niets in zijn situatie verandert, de WW-uitkering loopt tot en met 1 december 2013. Appellant heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddel aangewend.

1.2.

Vanuit de situatie waarin hij een WW-uitkering ontving, heeft appellant zich per 14 november 2013 ziek gemeld. In het besluit van 3 december 2013 is bepaald dat appellant gedurende dertien weken tijdens ziekte WW krijgt doorbetaald en per 2 december 2013 een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) zal ontvangen.

1.3.

Bij besluit van 9 december 2013 is de WW-uitkering per 2 december 2013 beëindigd wegens het verstrijken van de maximale duur van de WW-uitkering.

1.4.

Nadat de ZW-uitkering per 11 november 2015 is beëindigd, heeft appellant op 5 november 2015 verzocht om herleving van zijn WW-uitkering per 12 november 2015.

1.5.

Bij besluit van 20 november 2015 heeft het Uwv de aanvraag van appellant om herleving van zijn WW-uitkering per 12 november 2015 afgewezen. Bij beslissing op bezwaar van 26 februari 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 20 november 2015 kennelijk ongegrond verklaard en dit besluit in stand gelaten. Het Uwv heeft daartoe overwogen dat appellant per 12 november 2015 geen aanspraak meer kan maken op een WW-uitkering en daarom van herleving van zijn WW-uitkering geen sprake kan zijn.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het verzoek van appellant tot aanhouding van de behandeling van de zaak gemotiveerd afgewezen. De rechtbank is niet gebleken dat de belangen van appellant door afwijzing van het verzoek worden geschaad. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv van het horen van appellant heeft mogen afzien. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat op grond van de onderliggende stukken er redelijkerwijs geen twijfel over kon bestaan dat het bezwaar ongegrond was. De rechtbank heeft tevens geoordeeld dat de stellingen van appellant met betrekking tot de einddatum van de WW-uitkering niet kunnen slagen. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv de WW‑aanvraag van appellant per 12 november 2015 terecht heeft afgewezen en het daartegen gemaakte bezwaar terecht ongegrond heeft verklaard.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep gesteld dat hij ten onrechte niet is gehoord. Daartoe heeft appellant onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 4 maart 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:774) aangevoerd dat uit het dossier niet reeds aanstond kan worden opgemaakt dat zijn bezwaren ongegrond zijn en daarover redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is. Voorts heeft appellant gesteld in zijn belangen te zijn geschaad doordat de rechtbank zijn verzoek om aanhouding van de behandeling van de zaak heeft afgewezen. Daartoe heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan de brief van het Uwv van 26 november 2015 dat ziet op het toekennen van zijn WW-uitkering, waar appellant naar heeft verwezen.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad ziet zich, ambtshalve, gesteld voor de vraag of appellant voldoende procesbelang heeft bij een beoordeling van het hoger beroep. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (zie de uitspraak van 18 september 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1874) is eerst sprake van (voldoende) procesbelang als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang.

4.2.

Vastgesteld wordt dat appellant geen inhoudelijke gronden heeft aangevoerd tegen de beslissing van het Uwv dat hij per 2 december 2013 geen aanspraak meer kan maken op een WW-uitkering en daarom van herleving van zijn WW-uitkering per 12 november 2015 geen sprake kan zijn. De omstandigheid dat het Uwv appellant niet heeft gehoord in bezwaar maakt dit niet anders. Dit geldt ook voor het besluit van de rechtbank om de door appellant verzochte aanhouding van de behandeling van de zaak ter zitting af te wijzen.

4.3.

Weliswaar heeft appellant in hoger beroep een brief van het Uwv van 26 november 2015 overgelegd, maar niet duidelijk is wat appellant hiermee heeft beoogd. Appellant heeft dit stuk immers niet op enige wijze nader toegelicht, noch volgt uit de inhoud van deze brief of de onderliggende stukken waarom deze brief voor de beoordeling relevant is. Appellant is ook niet ter zitting verschenen om zijn beroepsgronden nader toe te lichten.

4.4.

Nu appellant met zijn gronden in het hoger beroep niet het resultaat kan bereiken dat hij ermee nastreeft, te weten de herleving van zijn WW-uitkering per 12 november 2015, heeft appellant geen belang bij een beoordeling van het hoger beroep.

4.5.

Het voorgaande betekent dat het hoger beroep door het ontbreken van procesbelang niet‑ontvankelijk moet worden verklaard.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door C.C.W. Lange, in tegenwoordigheid van J.R. Trox als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2018.

(getekend) C.C.W. Lange

(getekend) J.R. Trox

NW