Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:684

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-03-2018
Datum publicatie
12-03-2018
Zaaknummer
17/4906 WWAJ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag op grond van de Wajong 2010. In het dossier is geen medische informatie voorhanden die ziet op de periode rond het 17e/18e levensjaar van appellante. De omstandigheid dat appellante geen medische informatie heeft kunnen overleggen over de periode in geding komt, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, voor haar risico.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 4906 WWAJ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

1 juni 2017, 16/5298 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 1 maart 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S.M. Posthumus, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 januari 2018. Voor appellante is verschenen mr. Posthumus. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. A.J.G. Lindeman.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante, geboren [in] 1969, heeft op 27 juni 2012 een aanvraag op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong 2010) ingediend. Deze aanvraag is bij besluit van 2 augustus 2012 afgewezen op de grond dat appellante op

[datum in] 1986, haar 17e verjaardag, geen ingezetene van Nederland was, welke afwijzing in bezwaar is gehandhaafd. Bij uitspraak van 29 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:374, heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank, waarbij het beroep ongegrond was verklaard, vernietigd en geoordeeld dat appellante op [datum in] 1986 ingezetene was en verzekerd was voor de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW). Aan het Uwv is opdracht gegeven opnieuw op het bezwaar te beslissen.

1.2.

Vervolgens heeft een verzekeringsarts van het Uwv appellante op het spreekuur gezien en de beschikbare informatie beoordeeld. De verzekeringsarts heeft in zijn rapport van

9 juni 2016 overwogen dat volgens de anamnese de psychische klachten in 1984 zijn begonnen, na het overlijden van het derde kind van appellante. Er zijn geen medische gegevens uit die periode voorhanden. De opgevraagde informatie dateert vanaf 2009/2010 en daarmee ruim na de in geding zijnde periode. In de brief van de huisarts van 24 februari 2010 is als voorgeschiedenis een depressie in 2007 vermeld. Voorts is, naast informatie van een psychiater die appellante vanaf eind 2015 heeft gezien, de uitkomst van een in juli 2010 door klinisch psycholoog R. van Tol afgenomen verkorte WAIS III-test beschikbaar, waarbij is vermeld dat appellante, anders dan uit testresultaten blijkt, geen zwakbegaafde indruk maakt. In het stuk met als kopje “Moeder” is vermeld dat de testresultaten wellicht negatief beïnvloed en minder betrouwbaar zijn door cultuurverschillen, het beperkte vermogen te lezen en schrijven, alsmede de psychische problematiek van appellante. De verzekeringsarts acht onvoldoende medische gegevens beschikbaar om de belastbaarheid van appellante rond de 17/18-jarige leeftijd vast te stellen.

1.3.

Bij besluit van 27 juni 2016 heeft het Uwv vastgesteld dat onvoldoende gegevens beschikbaar zijn om de belastbaarheid van appellante op 17/18-jarige leeftijd te kunnen vaststellen, om welke reden de aanvraag is afgewezen.

1.4.

In bezwaar tegen het besluit van 27 juni 2016 heeft appellante aangevoerd dat het Uwv op grond van de beschikbare gegevens wel een oordeel kan geven over de belastbaarheid van appellante rond haar 17e/18e levensjaar. Gezien het extreem jonge moederschap – appellante kreeg haar eerste van de in totaal tien kinderen op 11-jarige leeftijd, waarvan een kind is overleden toen appellante 14 jaar oud was – is voldoende aannemelijk gemaakt dat haar psychische problematiek, zoals in 2010 werd vastgesteld, ook rond 1984 aan de orde is geweest. Verder is gevraagd het rapport met als kopje “Moeder” buiten beschouwing te laten. Het daaraan ten grondslag liggende rapport van psycholoog Van Tol van 20 juli 2010 is overgelegd.

1.5.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het medisch oordeel onderschreven dat de belastbaarheid van appellante naar een zo ver verleden niet kan worden vastgesteld, omdat geen objectief medische informatie rond de 17/18-jarige leeftijd beschikbaar is. Bij besluit van 30 september 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard.

2.1.

In beroep heeft appellante aanvullende stukken in geding gebracht op grond waarvan een vaststelling van de belastbaarheid rond de 17/18-jarige leeftijd volgens haar wel mogelijk is. Overgelegd zijn een CIZ-besluit van 29 september 2016, het onderliggende CIZ-dossier, alsmede de Richtlijn ontwikkelingsstoornissen Wajong 2010. Verder is aangevoerd dat het op de weg van het Uwv had gelegen om aanvullende tests af te nemen om de mentale toestand van appellante vast te stellen.

2.2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat bij een laattijdige aanvraag van mensen die geboren zijn voor 1 januari 1980 de beoordeling plaatsvindt aan de hand van de bepalingen van de AAW. De rechtbank heeft geoordeeld dat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat de rapporten van de verzekeringsartsen van het Uwv inconsistenties bevatten, niet concludent zijn of niet op zorgvuldige wijze of na voldoende onderzoek tot stand zijn gekomen. De artsen hebben naast eigen onderzoek kennis genomen van de beschikbare medische informatie. Verder heeft de rechtbank het standpunt van het Uwv gevolgd, dat gezien de toevoeging dat kan worden betwijfeld in hoeverre de uitslag van de WAIS III-test betrouwbaar is, in combinatie met de bevindingen uit eigen onderzoek van het Uwv, geen conclusies aan het gemeten IQ kunnen worden verbonden voor de mentale belastbaarheid van appellante rond haar 17e verjaardag. Ook aan de door appellante overgelegde gegevens van CIZ kan naar het oordeel van de rechtbank niet die betekenis worden toegekend die appellante daaraan gehecht wil zien, nu aan het indicatiebesluit een ander beoordelingskader ten grondslag ligt en de rapporten bovendien 30 jaar na de datum in geding zijn opgesteld. De rechtbank heeft verder overwogen dat het bewijsrisico wegens het grote tijdsverloop tussen de periode in geding en de datum van de aanvraag (ruim 25 jaar later) volgens vaste rechtspraak van de Raad bij appellante ligt.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante de gronden van bezwaar en beroep herhaald.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank met juistheid vastgesteld dat de beoordeling van de aanvraag om uitkering op grond van de Wajong 2010, ingediend na

1 januari 2010 door personen die geboren zijn voor 1 januari 1980, moet plaatsvinden aan de hand van de bepalingen van de AAW.

4.2.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de AAW, zoals deze bepaling destijds luidde, is arbeidsongeschikt, geheel of gedeeltelijk, hij die ten gevolge van ziekte of gebreken geheel of gedeeltelijk buiten staat is om met arbeid, die voor zijn krachten en bekwaamheden is berekend en die met het oog op zijn opleiding en vroeger beroep hem in billijkheid kan worden opgedragen, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht of op een naburige soortgelijke plaats, te verdienen, hetgeen lichamelijk en geestelijk gezonde personen, van dezelfde soort en soortgelijke opleiding, op zodanige plaats met arbeid gewoonlijk verdienen.

4.3.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, van de AAW heeft recht op toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering de verzekerde, die op de dag, waarop hij 17 jaar wordt, arbeidsongeschikt is, zodra hij onafgebroken 52 weken arbeidsongeschikt is geweest, indien hij na afloop van deze periode nog arbeidsongeschikt is.

4.4.

Vastgesteld wordt dat in het dossier geen medische informatie voorhanden is die ziet op de periode rond het 17e/18e levensjaar van appellante. In een verwijsbrief van de huisarts van 24 februari 2010 is vermeld dat appellante in 2007 bij een huisarts geweest in verband met een depressie. Appellante was toen ongeveer 37 jaar oud. De overige informatie dateert uit 2010 en later. De omstandigheid dat in de beschikbare gegevens is neergelegd dat in 2015 ernstige psychiatrische problematiek is vastgesteld, betekent niet dat die situatie rond het 17e levensjaar van appellante ook aan de orde was. Over de WAIS III-test van juli 2010 waarin het IQ als laagbegaafd is bepaald, wordt geoordeeld dat de uitkomst van die test niet doorslaggevend is. Niet alleen is deze test twintig jaar na de datum in geding afgenomen en zijn er bedenkingen geuit over de betrouwbaarheid ervan, maar ook, zoals de verzekeringsarts bezwaar en beroep met juistheid heeft opgemerkt, blijkt een situatie van zwakbegaafdheid niet uit de bevindingen bij het psychiatrisch onderzoek van GGZ Centraal in 2015/2016.

4.5.

De omstandigheid dat appellante geen medische informatie heeft kunnen overleggen over de periode in geding komt, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, voor haar risico. Naar vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 9 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1111) ligt de bewijslast en daarmee het bewijsrisico bij een groot tijdsverloop tussen de periode in geding en de datum van de aanvraag bij de laattijdige aanvrager.

4.6.

Het verzoek van appellante om een onafhankelijk deskundige te raadplegen wordt, gezien overwegingen 4.4 en 4.5, afgewezen. Het beroep van appellante op de uitspraak van de Raad van 30 augustus 2002, ECLI:NL:CRVB:2002:AE8195, slaagt niet. In die uitspraak was medische informatie van oudere datum beschikbaar die mede zag op de situatie van betrokkene op 17/18-jarige leeftijd, wat in het geval van appellante nu juist niet het geval is.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en M. Greebe en E. Dijt als leden, in tegenwoordigheid van N. Veenstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2018.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) N. Veenstra

GdJ