Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:682

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-02-2018
Datum publicatie
09-03-2018
Zaaknummer
17/4320 ANW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Een beroepschrift dient de gronden van het beroep te bevatten. Een summiere motivering is voldoende. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, bevat de brief van appellante van 2 december 2016 een concrete beroepsgrond. Verplichte verzekering voor de ANW is per 1 januari 2000 vervallen. Geen vrijwillige verzekering aangegaan. Appellante geboren na 1 januari 1950.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 4320 ANW

Datum uitspraak: 15 februari 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

21 april 2017, 16/6765 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] , Marokko (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 januari 2018. Appellante is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.M.C. Rooijers.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante, geboren in 1955, woont in Marokko en bezit de Marokkaanse nationaliteit. In 1969 is appellante gehuwd met haar in 1930 geboren landgenoot [naam echtgenoot] . Deze heeft in Nederland gewoond en gewerkt en is op enig moment naar Marokko geremigreerd.

1.2.

Op 15 juli 2010 is [naam echtgenoot] in Marokko overleden. Hierop is het ouderdomspensioen beëindigd dat hem door de Svb op grond van de Algemene ouderdomswet (AOW) was toegekend.

1.3.

Vervolgens heeft appellante een nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (ANW) aangevraagd. Op deze aanvraag is bij besluit van 23 december 2011 afwijzend beslist op de grond dat [naam echtgenoot] op de datum van zijn overlijden niet verzekerd was. Het besluit van 23 december 2011 is in rechte onaantastbaar geworden.

1.4.

Bij brief van 22 juni 2016 heeft appellante verzocht terug te komen van het besluit van
23 december 2011. De Svb heeft bij besluit van 19 juli 2016 afwijzend op dit verzoek beslist.

1.5.

Het bezwaar van appellante tegen het besluit van 19 juli 2016 is bij besluit van 4 oktober 2016 (bestreden besluit) door de Svb ongegrond verklaard. Daartoe is onder meer overwogen dat appellante geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden heeft vermeld als bedoeld in artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

2.1.

Tegen het bestreden besluit heeft appellante bij beroepschrift van 21 oktober 2016 bij de rechtbank beroep ingesteld.

2.2.

Bij brief van 7 november 2016 heeft de rechtbank aan appellante meegedeeld dat haar beroepschrift niet voldoet aan de daaraan te stellen vereisten en is haar gevraagd te verduidelijken waarom zij beroep heeft ingesteld. Daarbij is appellante erop gewezen dat indien zij binnen vier weken geen beroepsgronden aanvoert, haar beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard. In reactie op de brief van de rechtbank van 7 november 2016 heeft appellante bij brief van 2 december 2016 meegedeeld dat zij meent dat zij alsnog in aanmerking moet worden gebracht voor een nabestaandenuitkering op grond van de ANW, omdat zij weduwe is van de pensioengerechtigde [naam echtgenoot] .

2.3.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet aanvoeren van beroepsgronden.

3. Appellante heeft in hoger beroep – evenals in bezwaar en beroep – verzocht om te bewerkstelligen dat haar alsnog een uitkering wordt toegekend op grond van de ANW, omdat zij weduwe is van de pensioengerechtigde [naam echtgenoot] .

4. De Raad oordeelt als volgt.


Ontvankelijkheid van het beroep

4.1.

In artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb is bepaald dat het beroepschrift de gronden van het beroep dient te bevatten. Ingevolge artikel 6:6 van de Awb kan, indien niet is voldaan aan artikel 6:5 van de Awb, het beroep niet‑ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

4.2.

Volgens vaste rechtspraak worden in het algemeen geen hoge eisen gesteld aan de motivering van een bezwaar- of beroepschrift (zie de uitspraak van 31 mei 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2056). Dit brengt mee dat in de regel ook bij een in het beroepschrift gegeven summiere motivering van het beroep kan worden aangenomen dat is voldaan aan het vereiste van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb. Dit neemt niet weg dat het beroepschrift, hoe summier verwoord ook, een concrete beroepsgrond dient te bevatten. Een belanghebbende kan er niet mee volstaan mee te delen dat hij het niet eens met een bepaald besluit. Hij dient tevens duidelijk te maken op welk punt of welke punten en waarom hij het niet met dat besluit eens is.

4.3.

Anders dan de rechtbank heeft overwogen, bevat de onder 2.2 genoemde brief een concrete beroepsgrond waaruit voldoende duidelijk blijkt op welk punt en waarom appellante het niet eens is met het bestreden besluit: appellante meent dat zij recht heeft op een uitkering op grond van de ANW, omdat haar overleden echtgenoot op grond van de AOW van de Svb een ouderdomspensioen heeft ontvangen.

4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat de rechtbank het beroep van appellante ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd.

Beoordeling bestreden besluit

4.5.

Uit oogpunt van finale geschilbeslechting en doende wat de rechtbank had behoren te doen, zal de Raad beoordelen of de Svb bij het bestreden besluit het bezwaar van appellante tegen het besluit van 19 juli 2016 terecht ongegrond heeft verklaard.

4.6.

De Raad onderschrijft de overwegingen die zijn opgenomen in het bestreden besluit.
De verplichte verzekering voor de ANW voor in het buitenland wonende uitkeringsgerechtigden is door een wetswijziging per 1 januari 2000 vervallen en niet is alsnog gebleken dat de echtgenoot van appellante per 1 januari 2000 een vrijwillige verzekering voor de ANW is aangegaan. Ter voorlichting van appellante wordt daarbij nog opgemerkt dat als haar echtgenoot ten tijde van zijn overlijden nog verzekerd zou zijn geweest voor de ANW, zij naar het zich laat aanzien ook niet in aanmerking zou komen voor een uitkering op grond van deze wet, omdat zij geboren is na 1 januari 1950, terwijl niet gebleken is dat zij minderjarige kinderen verzorgt of arbeidsongeschikt is.

4.7.

Uit 4.6 volgt dat het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond moet worden verklaard.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond;

- bepaalt dat de Svb aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 124,-
vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries, in tegenwoordigheid van L. Boersma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 februari 2018.

(getekend) T.L. de Vries

(getekend) L. Boersma

RB