Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:679

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-03-2018
Datum publicatie
09-03-2018
Zaaknummer
17/4109 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het college heeft, weliswaar vrij summier, maar overtuigend gemotiveerd in het bestreden besluit, dat hij erop mag vertrouwen dat medewerkers niet ongeoorloofd aanwezig zijn in of bij lokaliteiten van de gemeente, zoals in dit geval [afdeling 2]. Frequente ongeoorloofde aanwezigheid. Zonder eensluidende verklaring terechte conclusie college dat geen vertrouwen meer bestond in de persoon van appellant ten tijde van het ontslag. Ontbreken uitzicht op vruchtbare samenwerking. Onderzoek naar interne herplaatsing kon achterwege blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17/4109 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Kerkrade van 1 mei 2017

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Kerkrade (college)

Datum uitspraak: 8 maart 2018

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak van 12 januari 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:122) heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank Limburg van 26 april 2016, 15/1300, vernietigd, het beroep tegen het besluit van 11 maart 2015 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat tegen de door het college nieuw te nemen beslissing op bezwaar slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

Ter uitvoering van deze uitspraak heeft het college het besluit van 1 mei 2017 (bestreden besluit) genomen.

Namens appellant heeft mr. P.J.C. Bolton, advocaat, tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 januari 2018. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.A. Martens.

OVERWEGINGEN

1.1.

Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de uitspraak van 12 januari 2017. De Raad volstaat nu met het volgende.

1.2.

Appellant was ten tijde hier van belang werkzaam voor de gemeente Kerkrade in de functie van [functie 1] bij de afdeling [afdeling 1] van de sector [sector] .

1.3.

Na een voornemen daartoe, waarop appellant zijn zienswijze heeft gegeven, heeft het college bij besluit van 1 oktober 2014 appellant op grond van artikel 8:13 juncto artikel 16:1:2, eerste lid, van de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling/Uitwerkingsovereenkomst van de gemeente Kerkrade (CAR/UWO) de disciplinaire straf van ongevraagd en onvoorwaardelijk ontslag opgelegd met ingang van 6 oktober 2014. Aan dit ontslag zijn onder meer de volgende gedragingen als plichtsverzuim ten grondslag gelegd:

1. appellant heeft verzuimd om de diefstal van de fiets voor zijn huis onmiddellijk door te geven aan zijn leidinggevende en hieromtrent aangifte te doen bij de politie;

2. appellant heeft onjuiste en niet met deugdelijke bewijsstukken te onderbouwen verklaringen afgelegd;

3. appellant is in 2012 en 2013 veelvuldig zonder toestemming buiten werktijd op de [afdeling 2] geweest;

4. appellant heeft ten minste twee keer zonder toestemming zijn echtgenote toegang verleend om buiten het zicht van de leiding c.q. collega’s te komen op het achterterrein van de [afdeling 2] .

1.4.

Bij besluit van 11 maart 2015 heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 1 oktober 2014 ongegrond verklaard.

1.5.

Bij uitspraak van 26 april 2016 heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard.

1.6.

Appellant heeft tegen deze uitspraak van de rechtbank - kort gezegd - aangevoerd dat de aan hem verweten gedragingen niet zijn komen vast te staan dan wel geen plichtsverzuim inhouden.

1.7.

De Raad heeft in zijn uitspraak van 12 januari 2017 overwogen dat de in 1.3, onder 1, 3 en 4 genoemde gedragingen terecht zijn aangemerkt als plichtsverzuim. Gedraging 2 is terecht aangemerkt als plichtsverzuim voor zover het gaat om de aanwezigheid van appellant op de [afdeling 2] buiten de voor hem geldende werktijden. Doordat de overige aan appellant verweten gedragingen niet zijn komen vast te staan en de gedragingen die wel zijn komen vast te staan door de Raad niet als ernstig plichtsverzuim worden gekwalificeerd, heeft de Raad de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag niet evenredig geacht aan het vastgestelde plichtsverzuim, zodat deze straf niet in stand kon blijven.

2. Bij besluit van 1 mei 2017 (bestreden besluit) heeft het college aan appellant met ingang van 6 oktober 2014 ontslag op overige gronden verleend op grond van artikel 8:8 van de CAR/UWO. Daarbij is besloten om appellant een passende regeling aan te bieden door hem het bedrag van een aanvullende uitkering gedurende één jaar ineens uit te keren. Een nawettelijke uitkering is aan appellant niet toegekend, omdat het ontslag niet is gelegen in de werksfeer en hij een overwegend aandeel heeft gehad in het ontstaan en voortbestaan van de verstoorde arbeidsrelatie/impasse. Subsidiair heeft het college besloten tot het opleggen van een geldboete van € 250,- netto wegens plichtsverzuim. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant al dan niet in het bijzijn van zijn echtgenote veelvuldig en zonder toestemming buiten werktijden op de [afdeling 2] is geweest en dat hij over deze heimelijke aanwezigheid aldaar geen openheid van zaken heeft gegeven. Pas nadat hij geconfronteerd werd met gegevens uit het tijdregistratiesysteem, werd hij gedwongen om zijn eerdere verklaringen te herzien. Ook de laatste verklaring van appellant acht het college dubieus, zodat zelfs nu nog niet duidelijk is wat hij destijds op de [afdeling 2] heeft gedaan. Bovendien hebben verschillende medewerkers van de afdeling [afdeling 1] verklaringen over de verdwenen fiets afgelegd die tegenstrijdig zijn met die van appellant. Dit heeft ertoe geleid dat het hoofd van de afdeling [afdeling 1] en alle directeuren geen vertrouwen meer in appellant hebben. Daardoor kan geen sprake meer zijn van een herstel van een vruchtbare samenwerking. Bovendien zijn de verhoudingen binnen de afdeling verstoord. Terugkeer in de oude functie of een andere functie ligt niet in de rede.

3. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen het bestreden besluit gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Bij het bestreden besluit is het ontslag per 6 oktober 2014 gehandhaafd, onder wijziging van de grondslag en de motivering van het besluit. Aan het bestreden besluit is een groot deel van hetzelfde feitencomplex ten grondslag gelegd als aan de oorspronkelijke ontslagverlening. Aan dit complex is een andere juridische kwalificatie gegeven. De Raad staat daarom voor de vraag of het feitencomplex waarvan sprake was ten tijde van het ontslag het nieuwe ontslagbesluit kan dragen.

4.2.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 22 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:137) kan een ontslaggrond als die van artikel 8:8 van de CAR/UWO worden toegepast als sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding en voortzetting van het dienstverband in redelijkheid niet van het bestuursorgaan kan worden verlangd. Dit impliceert dat ten tijde van het ontslag duidelijk moet zijn dat herplaatsing elders binnen de organisatie niet mogelijk is of dat van verdere inspanningen daartoe geen resultaat te verwachten is.

4.3.

Wat appellant heeft aangevoerd over de feitelijke gang van zaken rondom de toegang tot de [afdeling 2] kan niet bij de beoordeling worden betrokken, nu de Raad hierover reeds een oordeel heeft gegeven in zijn uitspraak van 12 januari 2017. Dit oordeel staat in rechte vast.

4.4.

Zoals het college, weliswaar vrij summier, maar overtuigend heeft gemotiveerd in het bestreden besluit mag hij erop vertrouwen dat medewerkers niet ongeoorloofd aanwezig zijn in of bij lokaliteiten van de gemeente, zoals in dit geval de [afdeling 2] . Daarbij komt dat deze ongeoorloofde aanwezigheid van appellant frequent plaatsvond. Appellant heeft geen eensluidende verklaring hierover afgelegd, waardoor het niet duidelijk is geworden wat hij daar deed. Anders dan appellant heeft betoogd, mocht het college op grond hiervan concluderen dat ten tijde van het ontslag geen vertrouwen meer bestond in de persoon van appellant, waardoor uitzicht op een vruchtbare samenwerking ontbrak. Doordat dit verlies aan vertrouwen gemeentebreed werd gevoeld, kon een onderzoek naar een interne herplaatsing achterwege blijven.

4.5.

Uit het voorgaande volgt dat het in het bestreden besluit opgenomen ontslag in stand kan blijven. Om die reden komt de Raad niet toe aan de beroepsgronden gericht tegen de subsidiair opgelegde geldboete.

4.6.

Dit betekent dat het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond moet worden verklaard.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep tegen het besluit van 1 mei 2017 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma als voorzitter en J.J.T. van den Corput en

J.C.F. Talman als leden, in tegenwoordigheid van A.M. Pasmans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2018.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) A.M. Pasmans

HD