Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:677

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-03-2018
Datum publicatie
09-03-2018
Zaaknummer
16/1245 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Een aan primaire besluit klevend bevoegdheidsgebrek wordt geacht te zijn geheeld door op correcte wijze door of namens het bevoegde orgaan genomen beslissing op bezwaar. Met het begrip ‘boven de norm’ is de korpschef binnen grenzen van redelijke beleidsbepaling gebleven. Geen beoordeling boven de normen. In dit geval rechtvaardigen de omstandigheden van het geval een langere behandelingsduur dan vier jaar. Afwijzing immateriële schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2018/172
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/1245 AW

Datum uitspraak: 8 maart 2018

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 12 januari 2016, 15/916 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P. de Haas hoger beroep ingesteld.

Appellant heeft nadere stukken ingezonden.

Namens appellant heeft S.A.J.T. Hoogendoorn, waarnemend gemachtigde, de Raad verzocht om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 januari 2018. Appellant is niet verschenen. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.M.A.C. Theunissen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was werkzaam als generalist Gebiedsgebonden politie (GGP) bij de voormalige politieregio [regio], thans de Eenheid [eenheid].

1.2.

Als uitwerking van het Akkoord Arbeidsvoorwaarden sector politie 2005-2007 is op

1 november 2010 de circulaire Harmonisatie arbeidsvoorwaarden politie tweede tranche (circulaire) in werking getreden (Stcrt. 2010, 19782). Een van de te harmoniseren onderwerpen is het in bijlage 6 van de circulaire opgenomen ‘Loopbaanbeleid van assistent A tot en met senior in de GGP’ (loopbaanbeleid). Dit loopbaanbeleid is de vastlegging van de binnen de politie gemaakte collectieve afspraken over de mogelijkheden tot doorstroming (bevordering) van ambtenaren binnen de GGP naar een volgend niveau of volgende functie. Voor de bevordering van generalist GGP (schaal 7) naar senior GGP (schaal 8 ) is in het loopbaanbeleid onder meer als vereiste gesteld dat sprake is van vakmanschap blijkend uit een recente beoordeling boven de norm. Het loopbaanbeleid voor bevordering van generalist GGP naar senior GGP is met ingang van 1 januari 2013 beëindigd.

1.3.

De Minister van Veiligheid en Justitie, thans de Minister van Justitie en Veiligheid, heeft alle korpschefs bij brief van 26 oktober 2012 bericht dat het Centraal Georganiseerd Overleg Politie (CGOP) tot de conclusie is gekomen dat het vaststellen van het begrip ‘boven de norm’ geschiedt per korps in overleg met de eigen ondernemingsraad.

1.4.

In april 2013 zijn door de Adviescommissie Loopbaanbeleid GGP van het CGOP nadere uitvoeringsafspraken vastgesteld.

1.5.

Nadat binnen de Eenheid [eenheid] aanvankelijk verzoeken om bevordering wegens zwaarwegend dienstbelang werden afgewezen, is op 7 februari 2013 in een overleg van het CGOP besloten dat alle voor 1 januari 2013 ingediende aanvragen (opnieuw) in behandeling worden genomen conform de circulaire. Voorts zijn met de ondernemingsraad nadere afspraken vastgesteld ter uitwerking van het vereiste van een beoordeling boven de norm. Deze zijn vastgelegd in een beleidsdocument van 26 november 2013 (beleidsdocument). Dit luidt, voor zover hier van belang, als volgt: “Het vakmanschap moet worden aangetoond door middel van een recente beoordeling boven de norm. (…) Een dergelijke beoordeling mag geen A en/of B-score bevatten en moet ten minste 5 D-scores laten zien waarvan 2 D-scores in de kolom Professionaliteit, 2 D-scores in de kolom Persoonlijke omgang en Sensitiviteit en 1 D-score in de kolom Resultaten. De beoordeling gaat over de GGP ervaring en heeft plaatsgevonden in het tijdvak 1-11-2010 tot en met 31-12-2012 (einde regeling).”

1.6.

Het functioneren van appellant over de periode van maart 2010 tot en met maart 2011 is beoordeeld met onder meer zes D-scores, waarvan één in de kolom Professionaliteit, vier in de kolom Persoonlijke omgang en Sensitiviteit en één in de kolom Resultaten. De beoordeling bevat geen A of B-scores. De beoordeling is vastgesteld op 21 april 2011. Appellant heeft daartegen geen rechtsmiddelen aangewend.

1.7.

Op 26 januari 2012 heeft appellant een gesprek met de wijkteamchef gevoerd over zijn functioneren in de periode januari 2011 tot januari 2012 en is een functioneringsformulier opgemaakt. Daarin is onder het kopje ‘Professionaliteit’ onder meer vermeld dat appellant in zijn laatste beoordeling plannen als ontwikkelpunt had en dat hij daar duidelijk iets mee heeft gedaan.

1.8.

Appellant heeft op 28 november 2012 verzocht om bevordering op grond van het loopbaanbeleid. Bij besluit van 11 december 2012 (besluit 1) heeft de korpschef dit verzoek afgewezen op de grond dat een zwaarwegend dienstbelang zich tegen bevordering verzet. Hangende het daartegen gemaakte bezwaar is de afwijzing van het verzoek, na een herbeoordeling als bedoeld onder 1.5, bij (aanvullend) besluit van 19 maart 2014 (besluit 2) gehandhaafd. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellant niet beschikt over een beoordeling boven de norm.

1.9.

Bij besluit van 14 januari 2015 zijn de bezwaren tegen de besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard. Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 14 januari 2015, voor zover daarbij het bezwaar tegen besluit 2 ongegrond is verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Tevens heeft hij verzocht om een veroordeling tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn bedoeld in artikel 6 van het EVRM.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak

4.1.

Appellant heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend dat bij het besluit van 14 januari 2015 niet alleen de bezwaren tegen besluit 2, maar ook die tegen

besluit 1 ongegrond zijn verklaard en geen overwegingen heeft gewijd aan de rechtmatigheid van besluit 1. Deze beroepsgrond slaagt niet. Appellant heeft immers in beroep het besluit van

14 januari 2015 slechts bestreden voor zover daarbij het bezwaar tegen besluit 2 ongegrond is verklaard. Dit brengt tevens mee dat het betoog van appellant, dat in strijd met artikel 10:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dezelfde functionaris zowel besluit 1 als het besluit van 14 januari 2015, waarbij het bezwaar tegen besluit 1 ongegrond is verklaard, krachtens mandaat heeft genomen, buiten beperking kan en moet blijven.

4.2.

De Raad stelt vast dat het besluit van 14 januari 2015, voor zover daarbij het bezwaar tegen besluit 2 ongegrond is verklaard, bevoegdelijk namens de korpschef door de plaatsvervangend politiechef van [eenheid] is genomen. Dit brengt mee dat geen antwoord hoeft te worden gegeven op de door appellant opgeworpen vraag of besluit 2 wel bevoegdelijk is genomen. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 15 oktober 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK1872) kan een aan het primaire besluit klevend bevoegdheidsgebrek immers geacht worden te zijn geheeld, indien de beslissing op bezwaar op correcte wijze door of namens het bevoegde orgaan is genomen.

4.3.

Appellant heeft, gezien de uitspraak van de Raad van 10 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4336, niet langer betwist dat de korpschef met de onder 1.5 weergegeven invulling van het begrip ‘boven de norm’ binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling is gebleven. De Raad stelt voorts vast dat de beoordeling van 21 april 2011 over de periode van maart 2010 tot en met maart 2011 geen beoordeling boven de norm is. Appellant wordt niet gevolgd in zijn betoog dat op grond van wat op het functioneringsformulier van 26 januari 2012 is vermeld, aannemelijk is dat hij in 2011 boven de norm heeft gefunctioneerd. De enkele verwijzing naar de inhoud van het functioneringsformulier is daarvoor onvoldoende. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 2 juni 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2072), heeft een functioneringsformulier immers een ander karakter dan een beoordeling. De door appellant in hoger beroep overgelegde, op 1 maart 2013 vastgestelde, beoordeling over de periode van 26 maart 2012 tot en met 4 februari 2013 is evenmin een beoordeling boven de norm. Deze beoordeling kent immers twee D-scores in de kolom Persoonlijke omgang en Sensitiviteit en voor het overige uitsluitend C-scores. Het voorgaande betekent dat appellant niet in aanmerking komt voor bevordering op grond van het loopbaanbeleid omdat hij niet beschikt over een beoordeling boven de norm.

4.4.

De overige beroepsgronden van appellant zien op de verwachte geschiktheid voor de functie van senior GGP. Nu appellant niet beschikt over een beoordeling boven de normen en hij reeds daarom niet voor bevordering in aanmerking komt, kunnen die gronden buiten bespreking blijven.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

Het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

4.6.

De vraag of de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het EVRM, is overschreden, moet worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van de betrokkene gedurende de gehele rechtsgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van betrokkene, zoals ook uit de rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens naar voren komt.

4.7.

De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd (uitspraak van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009). De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen een langere behandelingsduur rechtvaardigen.

4.8.

Indien voor het eerst voor de Raad een beroep op schending van de redelijke termijn wordt gedaan, heeft te gelden dat de vraag of de redelijke termijn is overschreden moet worden beoordeeld naar de stand van het geding ten tijde van de uitspraak van de Raad, waarbij de duur van de totale procedure in ogenschouw wordt genomen. Een voortvarende behandeling van het hoger beroep kan in zo’n geval ertoe leiden dat de overschrijding van de redelijke termijn door het bestuursorgaan en/of de rechtbank wordt gecompenseerd

(zie ook het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, overweging 3.13.3).

4.9.

In dit geval rechtvaardigen de omstandigheden van het geval een langere behandelingsduur dan vier jaar. Toen appellant bij een op 23 januari 2013 bij de korpschef binnengekomen brief tegen besluit 1 bezwaar maakte, heeft hij de korpschef tevens verzocht de behandeling van het bezwaar aan te houden tot er een uitkomst is gekomen in de procedure bij de Arbitragecommissie en de uitkomst hiervan toe te passen op het bezwaarschrift. Hoewel uit de stukken niet blijkt dat de korpschef hierop schriftelijk heeft gereageerd, is de behandeling van het bezwaarschrift, overeenkomstig dit verzoek, feitelijk aangehouden. Uit de stukken blijkt niet dat appellant de korpschef op enig moment te kennen heeft gegeven dat de behandeling van het bezwaarschrift moet worden voortgezet. Pas bij brief van 19 maart 2014 heeft de korpschef appellant meegedeeld besluit 1 toe te zenden aan de bezwaar- en adviescommissie. Vervolgens heeft de korpschef de behandeling van het bezwaar voortgezet. De Raad is van oordeel dat in dit geval de hiervoor bedoelde termijn van vier jaar moet worden verlengd met de termijn gelegen tussen 23 januari 2013 en 19 maart 2014. Dat betekent dat in dit geval de redelijke termijn vijf jaar, een maand en 24 dagen duurt.

4.10.

Nu appellant zich voor het eerst voor de Raad op schending van de redelijke termijn heeft beroepen en sinds de ontvangst van het bezwaarschrift door de korpschef op 23 januari 2013 tot aan de uitspraak van heden vijf jaar, een maand en dertien dagen zijn verstreken, is de conclusie dat de redelijke termijn niet is overschreden. Dit betekent dat het verzoek om immateriële schadevergoeding moet worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan als voorzitter en J.J.A. Kooijman en H. Lagas als leden, in tegenwoordigheid van L.V. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2018.

(getekend) K.J. Kraan

(getekend) L.V. van Donk

HD