Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:675

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-03-2018
Datum publicatie
09-03-2018
Zaaknummer
16/5850 AOR
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet is gebleken dat appellant persoonlijk oorlogsgeweld is overkomen in het toenmalige Nederlands-Indië. Voldoende onderzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 5850 AOR, 16/5959 WUBO

Datum uitspraak: 8 maart 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.C.M. van Berkel, advocaat, beroep ingesteld tegen de besluiten van verweerder van 1 augustus 2016, kenmerk BZ01962509 (bestreden besluit 1) en

8 augustus 2016, kenmerk BZ01962511 (bestreden besluit 2). Dit betreft de toepassing van de Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR) onderscheidenlijk de Wet uitkeringen

burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo).

Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 januari 2018. Namens appellant is verschenen mr. Van Berkel. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door

A.T.M. Vroom-van Berckel.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant, geboren in 1942, heeft in oktober 2001 een aanvraag ingediend om te worden erkend als vervolgde in de zin van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv). Die aanvraag is afgewezen bij besluit 18 april 2002 op de grond dat niet kan worden vastgesteld dat appellant vervolging in de zin van de Wuv heeft ondergaan. Hieraan ligt ten grondslag dat van de gestelde vrijheidsberoving in kampen te Bandjermasin en Balikpapan geen bevestiging is verkregen.

1.2.

In november 2015 heeft appellant bij verweerder aanvragen ingediend om toekenningen op grond van de Wubo en AOR.

1.3.

Verweerder heeft de AOR-aanvraag afgewezen bij besluit van 9 februari 2016 en de afwijzing is na bezwaar gehandhaafd bij bestreden besluit 1 op de grond dat in onvoldoende mate is aangetoond of aannemelijk gemaakt dat appellant in omstandigheden heeft verkeerd in de zin van de AOR in het voormalig Nederlands-Indië gedurende de periode van

8 december 1941 tot 1 februari 1954.

1.4.

De Wubo-aanvraag is door verweerder afgewezen bij besluit van eveneens 9 februari 2016. Deze afwijzing is na bezwaar gehandhaafd bij bestreden besluit 2 op de grond dat in onvoldoende mate is aangetoond of aannemelijk is gemaakt dat appellant is getroffen door oorlogsgeweld als bedoeld in de Wubo.

2. Naar aanleiding van wat partijen in beroep hebben aangevoerd komt de Raad tot de volgende beoordeling.

2.1.

Op grond van artikel 1 van de AOR - zoals aangevuld bij Ordonnantie van 5 november 1945 (Ned. Ind. Stb. 1946, 118) - wordt onder oorlogsletsel verstaan, voor zover hier van belang:

het lichamelijk, dan wel geestelijk letsel, ziekte daaronder begrepen, hetwelk aan een persoon is overkomen

- als gevolg van een actie van de vijand, van enige handeling of nalatigheid van een onderdeel of lid van de weermacht of van de burgerlijke hulpdiensten in tijd van feitelijke oorlog, dan wel van maatregelen of omstandigheden welke met de oorlogsvoering onverbrekelijk samenhangen;

- gedurende internering, krijgsgevangenschap, gedwongen tewerkstelling, of gedurende gevangenschap, vooronderzoek dan wel aanhouding, als gevolg van verdenking wegens daden, welke gericht waren tegen de bevelen van het Japanse bezettingsleger en niet vallen onder het gewone strafrecht;

- in de periode vanaf 15 augustus 1945 (tot 13 januari 1954, zoals later is bepaald) als gevolg van tegen hem gerichte actie van de bedrijvers van de ongeregeldheden, welke na de capitulatie van Japan in Nederlands-Indië zijn ontstaan, dan wel als gevolg van de maatregelen tot herstel van de orde en rust genomen.

2.2.

Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wubo wordt - voor zover hier van belang - onder burger-oorlogsslachtoffer verstaan degene die tijdens de oorlogsjaren 1940‑1945 of gedurende de daaraan aansluitende periode van ongeregeldheden in het toenmalig Nederlands-Indië (de zogenoemde Bersiap-periode) als burger lichamelijk of psychisch letsel heeft opgelopen ten gevolge van:

- met de krijgsverrichtingen of ongeregeldheden direct verbonden handelingen of omstandigheden;

- direct tegen hem gerichte handelingen of maatregelen van de Japanse bezetter of daarmee vergelijkbare omstandigheden tijdens de Bersiap-periode;

- confrontatie met extreem geweld tegen derden door de Japanse bezetter of daarmee vergelijkbare omstandigheden tijdens de Bersiap-periode.

2.3.

Verweerder heeft in beide zaken geconcludeerd dat niet is gebleken dat appellant persoonlijk oorlogsgeweld is overkomen in het toenmalige Nederlands-Indië.

2.4.

Appellant heeft aan de aanvragen ten grondslag gelegd dat hij tijdens de oorlogsjaren geïnterneerd is geweest. Met de onder 1.1 genoemde Wuv-aanvraag is geen bevestiging verkregen dat appellant tijdens de jaren 1940-1945 internering heeft ondergaan in de kampen te Bandjermasin en Balikpapan. Het Nederlandse Rode Kruis heeft geen gegevens van appellant aangetroffen. In de SAIP-gegevens van de vader van appellant is evenmin een aanwijzing te vinden dat appellant geïnterneerd is geweest. Een nader onderzoek door verweerder in de hem ter beschikking staande geautomatiseerde systemen is eveneens zonder resultaat gebleven. Het zoeken op specifieke combinaties van namen, zoals namens appellant is verzocht, zal dat niet anders kunnen maken. De door appellant ingediende verklaring van

[naam] is opgesteld ten behoeve van de aanvraag van de broer van appellant en ziet niet op de oorlogservaringen van appellant. Gelet op de door verweerder geraadpleegde bronnen en ook in aanmerking genomen dat appellant zelf heeft verklaard niet gevangen te hebben gezeten in een kamp van Indonesische nationalisten en ook geen herinneringen te hebben aan enig oorlogsgeweld in de periode vanaf 1945 tot aan zijn vertrek in 1951 naar Nederland, kan niet worden gezegd dat onvoldoende onderzoek is verricht naar wat appellant tijdens de oorlogsjaren heeft meegemaakt.

2.5.

Uit het voorgaande volgt dat de bestreden besluiten in rechte stand kunnen houden. De beroepen zullen ongegrond worden verklaard.

3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, in tegenwoordigheid van F. Demiroğlu als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2018.

(getekend) B.J. van de Griend

(getekend) F. Demiroğlu

HD