Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:673

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-03-2018
Datum publicatie
09-03-2018
Zaaknummer
17/2276 BPW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvraag buitengewoon pensioen Wbp afgewezen en na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij besluit van 16 januari 1989. Niet hebben kunnen vaststellen dat appellant heeft behoord tot de deelnemers aan het verzet. Nadien vijfmaal verzoek om herziening afgewezen. Ook nu geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren gebracht. Verweerder heeft in redelijkheid het herzieningsverzoek kunnen afwijzen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 2276 BPW

Datum uitspraak: 8 maart 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 10 februari 2017, kenmerk BZ011042559 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 (Wbp).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 januari 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn echtgenote. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door

A.T.M. Vroom-van Berckel.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant, geboren in 1924, heeft in juli 1984 bij (de rechtsvoorganger van) verweerder een aanvraag ingediend om toekenning van een buitengewoon pensioen op grond van de Wbp. In dat verband heeft hij aangevoerd dat hij in december 1942 heeft deelgenomen aan een soort staking bij het bedrijf Netam te Rotterdam, toen een aantal arbeidskrachten, waaronder hijzelf, bleek te zijn aangewezen voor tewerkstelling in Duitsland. Daarnaast heeft hij gesteld dat hij tijdens de tewerkstelling in Duitsland in januari 1944 is gearresteerd nadat hij een doofstomme mede-arbeider een briefje had gegeven waarin hij had laten weten niet veel voor de Duitsers te willen werken en dat hij hoopte op een Engelse overwinning. Na zijn veroordeling in oktober 1944 door het Oberlandesgericht Dresden wegens “Wehrkraftszersetzung” heeft appellant tot zijn bevrijding in april 1945 in gevangenschap verbleven. Na een daartoe ingesteld onderzoek heeft de Centrale Hoofdbestuurscommissie van de Stichting 1940-1945 verklaard niet te hebben kunnen vaststellen dat appellant heeft behoord tot de deelnemers aan het verzet. Overeenkomstig die verklaring heeft verweerder de aanvraag afgewezen bij besluit van 27 mei 1987 en die afwijzing na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij besluit van 16 januari 1989. In dat verband is geoordeeld dat de eenmalige daad niet kan worden gezien als een daad voortkomende uit verzetsintentie terwijl daarnaast ook het demonstratiekarakter ontbrak. Verder is geoordeeld dat niet is gesteld of gebleken dat appellant tijdens zijn tewerkstelling in Duitsland andere activiteiten heeft verricht. Het tegen het besluit van 16 januari 1989 ingestelde beroep is door de Raad ongegrond verklaard bij uitspraak van 17 oktober 1991, nummer BPW 1989/8.

1.2.

Nadien heeft appellant in 1992, 1996, 2005, 2010 en 2015 verzocht de onder 1.1 genoemde afwijzing te herzien. Deze verzoeken zijn door verweerder steeds afgewezen op de grond dat appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft vermeld die aanleiding geven het eerder ingenomen standpunt te herzien. De tegen de afwijzing ingestelde beroepen zijn door de Raad ongegrond verklaard bij uitspraken van 20 april 1995 (nummer BPW 1994/17), 27 januari 2000 (nummer 97/2859 BPW, 12 juli 2007 (nummer 06/3764 BPW), 23 januari 2014 (nummer 11/6371 BPW) en 28 juli 2016 (nummer 15/6877 BPW).

1.3.

Onder verwijzing naar de uitspraak van 28 juli 2016, waarbij het gedrag van appellant tijdens de Duitse bezetting als moedig is getypeerd, heeft appellant in september 2016 opnieuw verzocht de onder 1.1 genoemde afwijzing te herzien. Verweerder heeft dat verzoek afgewezen bij besluit van 3 oktober 2016. Die afwijzing is na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit op de grond dat appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft vermeld die, als ze destijds bekend zouden zijn geweest, tot een andere beslissing zouden hebben geleid.

2. Naar aanleiding van wat partijen in beroep hebben aangevoerd komt de Raad tot de volgende beoordeling.

2.1.

Op grond van artikel 42a van de Wbp is verweerder, op daartoe door of vanwege de belanghebbende gedane aanvraag, bevoegd een door hem gegeven definitief besluit in het voordeel van de bij dat besluit betrokkene te herzien. Gelet op het karakter van deze discretionaire bevoegdheid kan de Raad het bestreden besluit slechts met terughoudendheid toetsen. Centraal staat of door appellant feiten of omstandigheden zijn aangevoerd die verweerder bij het nemen van het eerdere besluit niet bekend waren en die dit besluit in een zodanig nieuw licht plaatsen dat verweerder daarin aanleiding had moeten vinden om tot herziening over te gaan.

2.2.

Zulke feiten of omstandigheden zijn ook nu niet naar voren gekomen. Al meermalen heeft de Raad het standpunt van verweerder onderschreven dat het handelen van appellant niet kan worden aangemerkt als verzet in de zin van de Wbp. Hoewel duidelijk is dat appellant zich met dat standpunt niet kan verenigen, zijn ook nu geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren gekomen die verweerder noopten tot het innemen van een ander standpunt. Het verzoek van appellant om de eerdere afwijzende besluiten te herzien is uitsluitend gebaseerd op gegevens die in de eerdere procedures al uitvoering aan de orde zijn geweest. Dat de uitlatingen van appellant niet waren gericht tegen de Duitse bevolking in het algemeen maar uitsluitend tegen de leiding van de NSDAP kan dit alles niet anders maken. Verweerder heeft in redelijkheid het herzieningsverzoek kunnen afwijzen.

2.3.

Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.

3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, in tegenwoordigheid van F. Demiroğlu als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2018.

(getekend) B.J. van de Griend

(getekend) F. Demiroğlu

HD