Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:672

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-03-2018
Datum publicatie
09-03-2018
Zaaknummer
16/6791 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag op de subsidiaire grond. Verstoorde arbeidsverhouding. Voortzetting van het dienstverband kan onder die omstandigheid in redelijkheid niet van het college worden gevergd. Van een overwegend aandeel van het college is geen sprake geweest, zodat geen aanleiding bestaat voor het toekennen van een “plus”. Het incidenteel hoger beroep van het college ingesteld tegen het oordeel van de rechtbank dat de straf van ontslag niet evenredig is aan het plichtsverzuim en dat het aanzien van de gemeente in ernstige mate is geschaad door de gedragingen van appellant, slaagt niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2018/76
JG 2018/10 met annotatie van mw. mr. dr. C. Raat
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/6791 AW, 17/628 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

23 september 2016, 16/13 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten (college)

Datum uitspraak: 8 maart 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft G.W.M. van Bakel hoger beroep ingesteld.

Namens het college heeft mr. A. de Visser, advocaat, een verweerschrift ingediend en tevens incidenteel hoger beroep ingesteld.

Appellant heeft een reactie op het verweerschrift gegeven, zijn zienswijze over het incidenteel hoger beroep naar voren gebracht en een aanvullend verzoek ingediend en heeft desgevraagd door de Raad nadere stukken overgelegd.

Het college heeft een reactie gegeven op het aanvullende verzoek.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 januari 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door Van Bakel. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. De Visser, mr. J.H.M. van Vlerken en J.H.A.M. van de Ven.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant, geboren [in] 1951, was sinds 16 september 1975 in dienst bij de (rechtsvoorganger van de) gemeente [naam gemeente] . Hij was laatstelijk werkzaam in de functie van [functie] ( [salarisschaal] ).

1.2.

In 2014 heeft het college aan [BV] opdracht gegeven om onderzoek te doen naar meldingen over vermeende integriteitsschendingen door een ambtenaar, niet zijnde appellant. In het op 6 januari 2015 door [BV] uitgebrachte onderzoeksrapport staan passages die betrekking hebben op gedragingen van appellant. Naar aanleiding van de bevindingen van [BV] heeft op 21 januari 2015 een gesprek plaatsgevonden tussen appellant en de gemeentesecretaris. Op 2 februari 2015 heeft appellant zijn visie gegeven op de op zijn persoon betrekking hebbende passages uit het onderzoeksrapport. Vervolgens hebben de gemeentesecretaris en de gemachtigde van het college op 27 februari 2015 één van de door [BV] geïnterviewde personen nader gehoord. Op 27 maart 2015 heeft het college appellant in kennis gesteld van zijn voornemen hem vanwege zeer ernstig plichtsverzuim de disciplinaire maatregel van ongevraagd ontslag op grond van artikel 8:13 van de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling/Uitwerkingsovereenkomst van de gemeente [naam gemeente] (CAR/UWO) op te leggen.

1.3.

Bij besluit van 29 april 2015, gehandhaafd bij beslissing op bezwaar van 18 november 2015 (bestreden besluit), heeft het college appellant primair de disciplinaire maatregel van ongevraagd ontslag als bedoeld in artikel 8:13 van de CAR/UWO opgelegd, ingaande op

2 mei 2015. Subsidiair is aan appellant ontslag verleend op overige gronden, als bedoeld in artikel 8:8 van de CAR/UWO. Daarbij is besloten om appellant een passende regeling toe te kennen in de vorm van een garantie op een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) en een aanvullende uitkering. Een na-wettelijke uitkering is aan appellant niet toegekend.

1.4.

Het college heeft de volgende gedragingen van appellant aangemerkt als plichtsverzuim:

- misbruik maken van de ambtelijke positie door uit geheel persoonlijk belang informatie, die appellant als ambtenaar heeft verkregen, ter kennis te brengen aan of te bespreken met derden met het opzettelijke doel om nadere belastende informatie te verkrijgen over een collega en

- het zich schuldig maken aan (de schijn van) belangenverstrengeling door een persoonlijk belang te stellen boven het algemene belang, het belang van de organisatie en het belang van een collega.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd voor zover dat ziet op de primaire ontslaggrond, het besluit van 29 april 2015 herroepen ten aanzien van de in dit besluit opgenomen primaire ontslaggrond en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit voor zover dat is vernietigd. Voorts heeft de rechtbank bepalingen gegeven over vergoeding van het griffierecht en het college veroordeeld in de proceskosten van appellant. De rechtbank is van oordeel dat appellant plichtsverzuim heeft gepleegd door zelfstandig, buiten zijn werkgever om, onderzoek te doen naar mogelijke integriteitsschendingen door collega’s, ook al is dit op verzoek van een gemeenteraadslid. Dat geldt temeer nu appellant bij zijn onderzoek, door tegenover een derde te verklaren dat hij een conflict heeft met zijn werkgever en dat hij, als hij weg moest, de betreffende collega zou meetrekken in zijn val, kennelijk niet alleen het algemeen belang voor ogen had, maar ook zijn eigen belang. Vervolgens is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat de straf van ontslag niet evenredig is aan het plichtsverzuim, omdat het onderzoek van appellant slechts van beperkte omvang is geweest. Dat het aanzien van de gemeente daardoor in ernstige mate geschaad zou zijn, is onwaarschijnlijk. De rechtbank slaat daarbij ook acht op de lange staat van dienst van appellant. Aan de omstandigheid dat appellant eerder, in 2008 en 2010 is gewaarschuwd vanwege een tweetal incidenten, hecht de rechtbank niet de betekenis die het college daaraan gehecht wenst te zien, nu het college in beide gevallen heeft afgezien van het opleggen van een disciplinaire maatregel en het om incidenten van een andere orde gaat dan het plichtsverzuim in deze zaak. In haar beoordeling van de subsidiaire ontslaggrond heeft de rechtbank vastgesteld dat tussen partijen niet in geschil is dat sprake is van verstoorde verhoudingen. Ook appellant heeft aangegeven niet meer te willen terugkeren naar de organisatie van de gemeente [gemeente] . Appellant acht het echter onjuist dat de verstoorde verhoudingen uitsluitend hem worden verweten en dat hem ten onrechte geen na-wettelijke uitkering is toegekend. De rechtbank heeft geconcludeerd dat derhalve uitsluitend in geschil is of appellant recht heeft op een na-wettelijke uitkering. De rechtbank heeft vervolgens de beantwoording van deze vraag in het midden gelaten omdat, gelet op appellants leeftijd en het feit dat hij per september 2017 AOW- en pensioengerechtigd is, op de ingangsdatum van het ontslag en op appellants arbeidsverleden van ruim 39 jaar, het uitgesloten is dat in dit geval wordt toegekomen aan een na-wettelijke uitkering. De rechtbank is tot de conclusie gekomen dat de subsidiaire ontslaggrond standhoudt.

3. De Raad komt op grond van wat partijen in hoger beroep en incidenteel hoger beroep hebben aangevoerd tot de volgende beoordeling.

het incidenteel hoger beroep

4.1.

Het college heeft incidenteel hoger beroep ingesteld tegen het oordeel van de rechtbank dat de straf van ontslag niet evenredig is aan het plichtsverzuim en daartoe gesteld dat het aanzien van de gemeente in ernstige mate is geschaad door de gedragingen van appellant. Ook kan het college zich niet verenigen met het feit dat de rechtbank aan de eerder opgelegde waarschuwingen niet de waarde toekent die het college daaraan toekent. Ten onrechte heeft de rechtbank de vormen van plichtsverzuim waaraan appellant zich in 2008 en 2010 schuldig heeft gemaakt, inhoudelijk getoetst en gewogen.

4.2.

Het college heeft wel gesteld maar niet door concrete aanwijzingen of voorbeelden aannemelijk gemaakt dat het aanzien van de gemeente daadwerkelijk ernstig geschaad is door de gedragingen van appellant. De rechtbank heeft, anders dan het college stelt, terecht de eerdere incidenten kort inhoudelijk benoemd teneinde tot een weging van die incidenten in relatie tot het thans voorliggende plichtsverzuim te kunnen komen. Het incidenteel hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak in zoverre bevestigd moet worden.

het hoger beroep

5.1.

Appellant heeft betoogd dat in zijn geval het toepassen van een subsidiaire ontslaggrond niet is toegestaan. De Raad volgt appellant niet in dit betoog. Een subsidiair gehanteerde ontslaggrond is toegestaan, mits die voldoende is onderbouwd (vergelijk onder meer de door de rechtbank ook genoemde uitspraak van 14 november 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2442).

5.2.

De subsidiaire grondslag is opgenomen in het primaire besluit van 29 april 2015 en berust op hetzelfde feitencomplex als de primaire ontslaggrond, zodat appellant ruim de gelegenheid heeft gehad zijn standpunt inzake de subsidiaire grondslag van het ontslag naar voren te brengen. Voor zover appellant stelt dat hij niet voldoende heeft kunnen reageren op de subsidiaire ontslaggrond, is de Raad met de rechtbank van oordeel dat deze beroepsgrond daarom niet slaagt.

5.3.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 22 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:137) kan een ontslaggrond als van artikel 8:8 van de CAR/UWO worden toegepast als sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding en voortzetting van het dienstverband in redelijkheid niet van het bestuursorgaan kan worden verlangd. Het peilmoment voor de beoordeling van de verstoorde verhoudingen ligt bij de datum van beëindiging van het dienstverband (uitspraak van 3 september 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8633). De vraag die dus beantwoord moet worden is of er op 29 april 2015 (datum ontslagbesluit) sprake was van verstoorde verhoudingen.

5.4.

Op grond van wat uit de gedingstukken naar voren komt en wat partijen ter zitting hebben verklaard is naar het oordeel van de Raad aannemelijk dat ten tijde van het nemen van het ontslagbesluit, ten gevolge van de aan appellant verweten gedragingen, die als zodanig door hem in hoger beroep niet zijn ontkend, sprake was van een verstoorde arbeidsverhouding als bedoeld in 5.3. Voortzetting van het dienstverband kan onder die omstandigheid in redelijkheid niet van het college worden gevergd.

5.5.

Bij een ontslag op grond van artikel 8:8 van de CAR/UWO geldt als uitgangspunt dat, naast (de garantie op) een werkloosheidsuitkering, een aanvullende uitkering als bedoeld in artikel 10d:25 van de CAR/UWO moet worden toegekend. Hiernaast dient een na-wettelijke uitkering als bedoeld in artikel 10d:30 van de CAR/UWO te worden toegekend als het ontslag is gelegen in de werksfeer en niet grotendeels te wijten is aan de ambtenaar. Verder kan aanleiding bestaan om bovenop de werkloosheidsuitkering, de aanvullende uitkering en de

na-wettelijke uitkering een compensatie (de zogenoemde “plus”) toe te kennen, indien het bestuursorgaan een overwegend aandeel heeft gehad in het ontstaan en voortbestaan van de situatie die tot het ontslag heeft geleid (uitspraak van 28 april 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1549)

5.6.

Het college heeft bij het bestreden besluit, voor het geval, zoals thans aan de orde, het ontslag wordt verleend op grond van artikel 8:8 van de CAR/UWO, aan appellant de aanvullende uitkering bedoeld in hoofdstuk 10d van de CAR/UWO toegekend. Appellant heeft in hoger beroep niet bestreden het oordeel van de rechtbank dat het antwoord op de vraag of appellant aanspraak kan doen gelden op een na-wettelijke uitkering in het midden kan blijven omdat, gelet op (samengevat) het bereiken van de AOW/pensioengerechtigde leeftijd in september 2017, het uitgesloten is dat wordt toegekomen aan een na-wettelijke uitkering. De na-wettelijke uitkering maakt in dit hoger beroep geen deel meer uit van het geschil.

5.7.

Uit wat in 5.4 is overwogen volgt dat van een overwegend aandeel van het college geen sprake is geweest, zodat geen aanleiding bestaat voor het toekennen van een “plus”. Appellant heeft in dit verband nog verzocht, zoals ter zitting van de Raad toegelicht, om een plus ter compensatie van zijn verlies aan pensioenschade, het mislopen van een gratificatie wegens ambtsjubileum en de korting die het uitvoeringsorgaan toepast op zijn WW-uitkering, omdat hij al zogeheten vroegpensioen ontving. Deze omstandigheden zijn als normale gevolgen van het verleende ontslag te beschouwen en geven geen aanleiding af te wijken van het in 5.5 verwoorde uitgangspunt dat een “plus” kan worden toegekend indien het bestuursorgaan een overwegend aandeel heeft gehad in het ontstaan en voortbestaan van de situatie die tot het ontslag heeft geleid.

5.8.

Uit wat in 5.1 tot en met 5.7 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak ook in zoverre moet worden bevestigd, zij het met verbetering van gronden omdat, zoals appellant terecht heeft aangevoerd, de rechtbank de aanspraak op compensatie (de “plus”), waarover appellant in beroep gronden had aangevoerd, ten onrechte niet in haar beoordeling had betrokken. Nu het ontslag op de subsidiaire grond in stand blijft, behoeft het verzoek om schadevergoeding, gelet op de toelichting van appellant ter zitting, geen beoordeling door de Raad.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten in hoger beroep bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma als voorzitter en J.J.T. van den Corput en

J.C.F. Talman als leden, in tegenwoordigheid van A.M. Pasmans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2018.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) A.M. Pasmans

HD