Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:665

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-03-2018
Datum publicatie
12-03-2018
Zaaknummer
16/8084 PW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2016:9600, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering inkomenstoeslag. Student heeft goed arbeidsperspectief. Beroep op informatiefolder. Geen sprake van toezeggingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 8084 PW

Datum uitspraak: 6 maart 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

14 december 2016, 16/3521 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Vlaardingen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J. Berkouwer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 januari 2018. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Berkouwer. Het college heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Op 23 december 2015 heeft appellante bij het college een aanvraag om een individuele inkomenstoeslag op grond van artikel 36 van de Participatiewet (PW) ingediend.

1.2.

Bij besluit van 3 februari 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 19 april 2016 (bestreden besluit), heeft het college die aanvraag afgewezen. Aan die afwijzing heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante, als zijnde een student, op grond van de Beleidsregels Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz 2004 Maassluis, Vlaardingen en Schiedam 2015-2 (beleidsregels) wordt geacht uitzicht te hebben op inkomensverbetering.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Artikel 36, eerste lid, van de PW bepaalt dat het college op een daartoe strekkend verzoek van een persoon van 21 jaar of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, die langdurig een laag inkomen en geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in

artikel 34 heeft en geen uitzicht heeft op inkomensverbetering, gelet op de omstandigheden van die persoon, een individuele inkomenstoeslag kan verlenen.

4.2.

Appellante heeft aangevoerd dat zij door het volgen van een studie de komende jaren geen uitzicht heeft op inkomensverbetering. Om die reden dient zij wel in aanmerking te komen voor een individuele inkomenstoeslag. Volgens appellante is het voorts nog maar de vraag of zij na het afronden van haar studie een baan vindt en, zo ja, tegen welk salaris. Deze beroepsgrond slaagt niet.

4.3.

In de beleidsregels heeft het college uitgewerkt in welke gevallen personen uitzicht hebben op inkomensverbetering en welke groepen daarom niet in aanmerking komen voor een individuele inkomenstoeslag. Op grond van artikel 7.1, aanhef en onder a, van de beleidsregels wordt de aanvrager van een individuele inkomenstoeslag als bedoeld in

artikel 36 van de PW geacht uitzicht op inkomensverbetering te hebben wanneer de aanvrager een opleiding volgt die recht geeft op een tegemoetkoming op grond van de

Wet tegemoetkoming onderwijs- en studiekosten of studiefinanciering op grond van de

Wet studiefinanciering 2000 en die leidt tot een opleidingsniveau dat niet eerder door de aanvrager is behaald. Tussen partijen is niet in geschil dat appellante kan worden gerekend tot de groep van personen als bedoeld in artikel 7.1, aanhef en onder a, van de beleidsregels, zodat de afwijzing van de aanvraag overeenkomstig de beleidsregels is.

4.4.

Voorts gaat artikel 7.1, aanhef en onder a, van de beleidsregels de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten. Voor dit oordeel is het volgende van belang. Allereerst heeft de wetgever in de toelichting op de wijziging van de Wet werk en bijstand in verband met de decentralisering van de langdurigheidstoeslag - en welke toelichting onverkort geldt onder de vigeur van de PW - studenten expliciet genoemd als voorbeeld van een groep die niet in aanmerking komt voor een langdurigheidstoeslag, omdat deze groep een goed arbeidsmarktperspectief heeft (Kamerstukken II 2008/09, 31 441, nr.12, en Kamerstukken II 2008/09, 31 559, nr. 9, p. 2). Daarbij kan ervan worden uitgegaan dat studenten met een afgeronde studie of opleiding als regel over betere startkwalificaties, en daarmee over betere kansen op inschakeling in de arbeidsmarkt, beschikken dan andere personen zonder een dergelijke opleiding of studie (vergelijk de uitspraak van 10 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:792).Voorts biedt artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht voldoende ruimte om in individuele gevallen maatwerk te leveren en van de beleidsregel af te wijken, voor zover sprake is van bijzondere omstandigheden.

4.5.

De enkele stelling van appellante dat haar opleiding nog enkele jaren in beslag zal nemen en zij daardoor langdurig van een te laag inkomen moet rondkomen, kan niet worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid in de in 4.4 bedoelde zin.

4.6.

Appellante heeft nog aangevoerd dat zij uit de in 2015 ontvangen folder ‘Hulp bij laag inkomen’ het gerechtvaardigde vertrouwen heeft kunnen ontlenen dat zij in aanmerking komt voor een individuele inkomenstoeslag. Deze beroepsgrond slaagt evenmin. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is immers in ieder geval vereist dat van de kant van het tot beslissen bevoegde orgaan uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen zijn gedaan. Van een zodanige toezegging kan geen sprake zijn bij algemene informatie uit een gemeentelijke voorlichtingsfolder.

4.7.

Gelet op 4.2 tot en met 4.6 heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat in de situatie van appellante niet is voldaan aan het in artikel 36, eerste lid, van de PW neergelegde criterium dat zij geen uitzicht op inkomensverbetering had. Hieruit volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.L. Boxum, in tegenwoordigheid van F. Dinleyici als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2018.

(getekend) J.L. Boxum

(getekend) F. Dinleyici

HD