Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:645

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-02-2018
Datum publicatie
08-03-2018
Zaaknummer
15/3477 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Uwv heeft op goede gronden geweigerd om de betalingsverplichting op grond van artikel 63a van de ZW van de werkgever over te nemen. Appellante heeft geen berekening ingediend waaruit blijkt welke bedragen over welke periode(n) niet zouden zijn (na)betaald. Niet is komen vast te staan dat de werkgever de betalingsverplichting niet is nagekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 3477 ZW

Datum uitspraak: 21 februari 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van
14 april 2015, 14/3354 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

[naam werkgever] BV (werkgever)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.C.S. Grégoire hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens de werkgever, als derde-belanghebbende, heeft mr. C.J.M. de Wit, advocaat, een zienswijze ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaken 14/3872 ZW en 14/3873 ZW, plaatsgevonden op 13 april 2016. Namens appellante is mr. Grégoire verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.L. Clemens. Het onderzoek is heropend na de zitting.

Appellante en het Uwv zijn in de gelegenheid gesteld om vragen te beantwoorden, nadere stukken in te dienen en om hier over en weer op te reageren.

Een nader onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 januari 2018. Namens appellante is mr. Grégoire verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. M.W.L. Clemens. De werkgever is niet verschenen. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was werkzaam als [naam functie] in dienst van werkgever. Op 8 februari 2012 heeft zij zich ziek gemeld. De werkgever heeft als eigenrisicodrager de uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW), door tussenkomst van [naam B.V.] ( [naam B.V.] ), aan appellante uitgekeerd.

1.2.

De werkgever heeft het Uwv verzocht om maatregelen op te leggen. Het Uwv heeft bij acht besluiten – zonder nader onderzoek – bepaald dat inkomsten uit arbeid op het ziekengeld van appellante in mindering moeten worden gebracht en heeft maatregelen opgelegd in verband met het weigeren van passende arbeid. Deze besluiten hebben betrekking op de periode van 15 april 2013 tot en met 5 juli 2013. Nadat appellante daartegen bezwaar had gemaakt, heeft het Uwv die besluiten herroepen.

1.3.

Appellante heeft op 6 maart 2014 bij het Uwv een verzoek ingediend tot overname van de betalingsverplichting op grond van artikel 63a, derde lid, van de ZW.

1.4.

Bij besluit van 11 april 2014 heeft het Uwv geweigerd de (na)betaling van de ZW‑uitkering over te nemen. Het besluit is gebaseerd op het standpunt van het Uwv dat de werkgever – via [naam B.V.] – in voldoende mate heeft aangetoond de betalingsverplichting te zijn nagekomen. Het Uwv heeft dan ook geen aanleiding gezien voor toepassing van artikel 63a, derde lid, van de ZW.

1.5.

Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 11 april 2014. Bij beslissing op bezwaar van 28 oktober 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 11 april 2014 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft – kort samengevat – geoordeeld dat onder de gegeven omstandigheden appellante niet heeft kunnen volstaan met het enkel stellen dat de werkgever niet heeft betaald, zonder hiervan (een begin van) bewijs te leveren. Nu is er naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende grond voor twijfel aan het standpunt van het Uwv.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep gesteld dat zij door het niet optreden van het Uwv tegen de werkgever (en [naam B.V.] ) in conflict is geraakt met de gemeente Heerlen en de Belastingdienst. Nadat het ziekengeld voor de derde maal ten onrechte was stopgezet door toedoen van de werkgever, had het Uwv de betalingsverplichting van de werkgever moeten overnemen. Door de handelswijze van de werkgever, [naam B.V.] en het Uwv is een situatie ontstaan waardoor het niet mogelijk is voor appellante om te achterhalen of de werkgever haar betalingsverplichting is nagekomen. Deze bijzondere situatie zou aanleiding moeten geven voor het Uwv om de betalingsverplichting over te nemen. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante bankafschriften ingediend. Ook heeft zij verwezen naar een thans aanhangige zaak bij de rechtbank Amsterdam die is verwezen naar de meervoudige kamer, een brief van de Belastingdienst over onjuiste jaaropgaven van de werkgever en [naam B.V.] en de uitzending van het televisieprogramma [naam televisieprogramma] over het tekort schieten van controle door het Uwv op uitvoerders van de Ziektewet.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Het Uwv heeft toegelicht dat alleen als vaststaat dat een eigenrisicodrager niet heeft betaald, het Uwv de betalingsverplichting overneemt op grond van artikel 63a, derde lid, van de ZW. De drie door appellante in hoger beroep ingediende bankafschriften over de periode van 18 december 2013 tot en met 18 maart 2014 kunnen volgens het Uwv niet tot een ander oordeel leiden. Dat appellante haar inkomen in 2013 en 2014 als onoverzichtelijk ervaart is begrijpelijk en is het gevolg van diverse kortingen op het ziekengeld, een hersteldverklaring met terugwerkende kracht, nabetalingen van het ziekengeld en de verrekening van de uitkering van de gemeente Heerlen. Dit rechtvaardigt volgens het Uwv echter niet het oordeel dat de aangevallen uitspraak onjuist zou zijn. Uit de salarisspecificaties en correcties, polisadministratie en de jaaropgaven blijkt volgens het Uwv dat de werkgever haar betalingsverplichting is nagekomen.

3.3.

De werkgever heeft het standpunt van het Uwv onderschreven. Appellante heeft verzuimd concreet te maken welk bedrag over welke periode niet zou zijn betaald. Wat betreft de ingehouden loonheffing heeft de werkgever overeenkomstig het handboek loonheffingen gehandeld. De werkgever heeft erop gewezen dat de loonheffing via de aangifte inkomstenbelasting kan worden teruggevraagd bij de Belastingdienst. Tevens heeft de werkgever een toelichting gegeven op de jaaropgaven van 2012 tot en met 2014. Ten slotte heeft de werkgever verzocht om appellante te veroordelen tot vergoeding van de door de werkgever gemaakte proceskosten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De omvang van het geschil beperkt zich tot de vraag of het Uwv op grond van artikel 63a, derde lid, van de ZW, de betalingsverplichting van de werkgever had moeten overnemen.

4.2.

In artikel 63a, derde lid, van de ZW, is in essentie bepaald dat het ziekengeld door de eigenrisicodrager namens het Uwv wordt betaald. Indien de eigenrisicodrager het ziekengeld niet betaalt, betaalt het Uwv het ziekengeld aan de verzekerde. Het Uwv verhaalt vervolgens het betaalde ziekengeld op de eigenrisicodrager.

4.3.

Niet in geschil is dat de werkgever in oktober 2014 € 7.588,06 aan appellante heeft (na)betaald. Door het Uwv wordt verwezen naar de loonspecificaties die door [naam B.V.] zijn ingediend, het aan de Belastingdienst opgegeven loon in de polisadministratie volgens Suwinet en jaaropgaven van de Belastingdienst. Uit deze gegevens blijkt dat [naam B.V.] het loon heeft gecorrigeerd en het juiste loon heeft opgegeven. Appellante heeft geen berekening ingediend waaruit blijkt welke bedragen over welke periode(n) niet zouden zijn (na)betaald. Met de in hoger beroep overgelegde bankafschriften over de periode van 18 december 2013 tot en met 8 maart 2014 is niet komen vast te staan dat de werkgever de betalingsverplichting niet is nagekomen. Bankafschriften over de periode van voor 18 december 2013 en van na
8 maart 2014 ontbreken. Begrijpelijk is dat door de omstandigheden het niet eenvoudig is voor appellante om inzichtelijk te maken wat niet betaald zou zijn, maar begin van bewijs van welke bedragen niet zouden zijn betaald ontbreekt. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit dan ook terecht ongegrond verklaard. Het Uwv heeft op goede gronden geweigerd om de betalingsverplichting op grond van artikel 63a van de ZW van de werkgever over te nemen.

4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Omdat het beroep tegen het bestreden besluit niet slaagt is veroordeling tot vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente niet aan de orde, zodat dit verzoek ook wordt afgewezen.

6. Ook het verzoek van appellante om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden wordt afgewezen. Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 26 januari 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009), is de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen. Uitgaande van de ontvangst van het bezwaarschrift op 14 april 2014, is de redelijke termijn van vier jaar voor deze procedure in drie instanties niet overschreden. Voor het hanteren van een kortere termijn bestaat geen aanleiding.

7. Voor een veroordeling van het Uwv in de proceskosten van appellante bestaat geen aanleiding. Ook bestaat er geen aanleiding om appellante te veroordelen in de proceskosten van de werkgever. Noch aangevoerd, noch gebleken is van kennelijk onredelijk gebruik van het beroepsrecht door appellante.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    wijst het verzoek om vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente en in verband met de gestelde overschrijding van de redelijke termijn af.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van I.G.A.H. Toma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2018.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) I.G.A.H. Toma

NW