Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:639

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-03-2018
Datum publicatie
12-03-2018
Zaaknummer
16/3065 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad is thans van oordeel dat in een geval als het onderhavige, waarin de betrokkene in reactie op een verzoek om nader vermelde gegevens te verstrekken stukken inlevert bij de balie van het gemeentehuis en vervolgens een afgiftebewijs of ontvangstbevestiging ontvangt zonder dat direct wordt gecontroleerd welke stukken precies zijn ingeleverd, aan het afgiftebewijs of de ontvangstbevestiging in beginsel het vermoeden kan worden ontleend dat alle opgevraagde gegevens volledig zijn verstrekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2018/91
RSV 2018/87
USZ 2018/132
JOM 2018/225
JOM 2018/273
AB 2018/309 met annotatie van C.W.C.A. Bruggeman
NBJ-Pw/15/015 met annotatie van Kees-Willem Bruggeman
NBJ-Pw/15/007 met annotatie van Kees-Willem Bruggeman
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 3065 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

25 maart 2016, 15/8916 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Gouda (college)

Datum uitspraak: 6 maart 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.G.P. Glas, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 oktober 2017. Namens appellante is

mr. Glas verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door E. Kuipers.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante heeft op 10 maart 2015 een aanvraag om bijstand ingevolge de Participatiewet ingediend.

1.2.

Naar aanleiding van de bij de aanvraag ingeleverde stukken heeft het college bij brief van 24 maart 2015 appellante verzocht om uiterlijk 7 april 2015 nader genoemde stukken over te leggen, waaronder opeenvolgende bankafschriften van de op naam van appellante staande bankrekening bij ABN AMRO, eindigend op [nummer] (bankafschriften), vanaf 1 januari 2015. Appellante heeft op 31 maart 2015 stukken afgegeven bij de balie van het [gemeentehuis] (gemeentehuis). Ter bevestiging hiervan heeft zij een afgiftebewijs ontvangen.

1.3.

Bij besluit van 8 april 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 26 oktober 2015 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag van appellante met toepassing van

artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet in behandeling genomen. Het college heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat appellante de gevraagde bankafschriften niet binnen de haar gegeven hersteltermijn, eindigend op 7 april 2015, heeft overgelegd. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij de bankafschriften op 31 maart 2015 in het gemeentehuis heeft geprint en ingeleverd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen. Van een onvolledige of ongenoegzame aanvraag is onder andere sprake indien onvoldoende gegevens of bescheiden worden verstrekt om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken. Gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb gaat het daarbij om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

4.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat de onder 1.2 bedoelde bankafschriften noodzakelijk waren voor de beoordeling van de aanvraag van appellante en ook niet dat appellante redelijkerwijs kon beschikken over de bankafschriften. Voorts staat vast dat appellante op 31 maart 2015, dus binnen de haar gegeven hersteltermijn, stukken heeft afgegeven bij de balie van het gemeentehuis en dat zij daarvan een afgiftebewijs heeft ontvangen. Uitsluitend in geschil is of appellante toen ook de gevraagde bankafschriften heeft ingeleverd. Het college heeft ontkend dat deze gegevens zich onder de ingeleverde stukken bevonden. Appellante heeft gesteld dat zij op 31 maart 2015 de gevraagde bankafschriften in het gemeentehuis heeft geprint en, tezamen met andere stukken, in de daarvoor bestemde retourenveloppe heeft gevoegd, dat zij deze retourenveloppe op 31 maart 2015 bij de balie heeft afgegeven en dat deze enveloppe is gescheurd door de grote hoeveelheid stukken die zich daarin bevond.

4.3.

Anders dan kan worden afgeleid uit eerdere rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van 15 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4552), is de Raad thans van oordeel dat in een geval als het onderhavige, waarin de betrokkene in reactie op een verzoek om nader vermelde gegevens te verstrekken stukken inlevert bij de balie van het gemeentehuis en vervolgens een afgiftebewijs of ontvangstbevestiging ontvangt zonder dat direct wordt gecontroleerd welke stukken precies zijn ingeleverd, aan het afgiftebewijs of de ontvangstbevestiging in beginsel het vermoeden kan worden ontleend dat alle opgevraagde gegevens volledig zijn verstrekt. In dit verband is van belang dat bij gebreke van controle van de afgegeven stukken op het moment van afgifte daarvan, naderhand niet kan worden vastgesteld welke stukken de betrokkene precies op dat moment heeft ingeleverd. Deze onzekerheid is het gevolg van de wijze waarop het college de verwerking van aan de balie afgegeven stukken heeft georganiseerd, te weten dat deze stukken niet meteen en in het bijzijn van betrokkene op volledigheid worden gecontroleerd, maar worden doorgeleid naar de met de aanvraag van de betrokkene belaste medewerker.

4.4.

In het geval van appellante is het (bewijs)vermoeden als bedoeld onder 4.3 onverkort van toepassing. Het ligt daarom niet op de weg van appellante om aannemelijk te maken dat de ingeleverde stukken volledig zijn, maar op de weg van het college om dit (bewijs)vermoeden te ontzenuwen. Het college is daarin niet geslaagd. De enkele ontkenning dat appellante op 31 maart 2015 de gevraagde bankafschriften heeft verstrekt, is daartoe ontoereikend. Weliswaar heeft appellante bij de door haar aan de balie afgegeven stukken niet vermeld wat de aard en de omvang daarvan was, maar - nog daargelaten welke betekenis daaraan zou toekomen - dit kan haar niet worden tegengeworpen, reeds omdat daarnaar niet is gevraagd.

4.5.

Gelet op 4.3 en 4.4 had het college in dit geval, alvorens tot buitenbehandelingstelling over te gaan, appellante eerst ermee moeten confronteren dat was geconstateerd dat de gevraagde bankafschriften ontbraken en haar in de gelegenheid moeten stellen specifiek deze gegevens alsnog te verstrekken. Het college heeft dit nagelaten. Hieruit volgt dat het college niet bevoegd was met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb de aanvraag buiten behandeling te stellen en alsnog inhoudelijk op de aanvraag dient te beslissen.

4.6.

De rechtbank heeft wat in 4.5 is overwogen niet onderkend. De aangevallen uitspraak dient daarom te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de wet. Vervolgens moet worden bezien welk vervolg hieraan moet worden gegeven. In dit geval kunnen de rechtsgevolgen van het bestreden besluit niet in stand worden gelaten en kan de Raad evenmin zelf in de zaak voorzien. Daartoe is onvoldoende informatie voorhanden. Omdat het college nog geen inhoudelijk oordeel over de aanvraag heeft gegeven, acht de Raad toepassing van de zogeheten bestuurlijke lus evenmin aangewezen en zal de Raad het college een opdracht geven om een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

4.7.

Ter voorlichting aan partijen wordt nog opgemerkt dat de omstandigheid dat het college inhoudelijk op de aanvraag dient te beslissen, er niet aan afdoet dat het college in verband daarmee ontbrekende gegevens bij appellante kan opvragen.

4.8.

Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen de door het college te nemen nieuwe beslissing op bezwaar slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 1.002,- in beroep en € 1.002,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 2.004,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 26 oktober 2015;

- draagt het college op met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing op het

bezwaar te nemen en bepaalt dat tegen het te nemen besluit slechts bij de Raad beroep kan

worden ingesteld;

- veroordeelt het college in de kosten van appellante tot een bedrag van € 2.004,-;

- bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van

€ 169,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut als voorzitter en W.F. Claessens en M. ter Brugge als leden, in tegenwoordigheid van C.A.E. Bon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2018.

(getekend) E.C.R. Schut

(getekend) C.A.E. Bon

HD