Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:632

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-02-2018
Datum publicatie
07-03-2018
Zaaknummer
16/2838 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

ZW-uitkering terecht geweigerd, omdat appellant niet verzekerd was. Geen sprake van een privaatrechtelijke dienstbetrekking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2018-0030
PS-Updates.nl 2018-0414
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 2838 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

15 maart 2016, 15/8739 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 21 februari 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft [naam gemachtigde] hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 oktober 2017. Namens appellant is verschenen [naam gemachtigde]. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. W. de Rooij-Bal.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant heeft op 11 maart 2015 bij het Uwv een aanvraag voor een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) ingediend ter zake van een hem op 27 mei 2007 overkomen ongeval waarvan hij nog steeds de gevolgen ondervindt.

1.2.

Bij besluit van 31 maart 2015 heeft het Uwv beslist dat appellant geen recht heeft op een ZW-uitkering, omdat hij op 27 mei 2007 niet verzekerd was voor die wet. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

1.3.

Bij besluit van 19 november 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard. Aan dit besluit heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat niet gebleken is dat gedurende de periode van 29 mei 2007 tot 28 augustus 2007 sprake was van een dienstverband bij [naam bedrijf] B.V. ([naam bedrijf]). Uit de verklaring van [naam A.] van [naam bedrijf] van 23 november 2007 blijkt dat het de intentie was van [naam bedrijf] om appellant op

29 mei 2007 een dienstverband aan te bieden, maar dat dit dienstverband als gevolg van het verkeersongeval van 27 mei 2007 niet is geëffectueerd. Ook uit de polisadministratie van het Uwv is niet gebleken dat er sprake was van een dienstverband met [naam bedrijf] of een andere werkgever.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv zich op juiste gronden op het standpunt gesteld dat appellant niet kan worden aangemerkt als werknemer in de zin van de ZW als gevolg waarvan hij niet voor deze wet is verzekerd. Daartoe heeft de rechtbank redengevend geacht dat appellant geen ondertekende arbeidsovereenkomst heeft overgelegd ter staving van zijn stelling dat in de periode van

29 mei 2007 tot 28 augustus 2007 sprake zou zijn geweest van een dienstverband tussen hem en [naam bedrijf]. De rechtbank heeft appellant niet gevolgd in zijn stelling dat het desbetreffende dienstverband middels een mondelinge overeenkomst tot stand zou zijn gekomen, nu dit betoog niet is onderbouwd en dus louter is gebaseerd op het betoog van appellant. Vaststaat dat appellant geen werkzaamheden heeft verricht. Evenmin heeft appellant bewijs overgelegd ter ondersteuning van zijn stelling dat een al in 2006 met [naam bedrijf] tot stand gekomen dienstverband moet worden geacht te zijn verlengd.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt dat sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking met [naam bedrijf] herhaald. Volgens appellant heeft de rechtbank ten onrechte de verklaring van [naam A.] van [naam bedrijf] niet gehonoreerd. Appellant heeft in hoger beroep aanvullende gegevens, waaronder jaaropgaven over 2005 en 2006, overgelegd, waaruit volgens hem blijkt dat hij reeds in eerdere jaren onder dezelfde omstandigheden bij [naam bedrijf] werkzaam is geweest. Appellant acht de eis om een schriftelijke arbeidsovereenkomst over te leggen een onredelijke voorwaarde en onredelijk bezwarend in dit specifieke geval.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Nu appellant een aanvraag heeft ingediend om in aanmerking te komen voor een uitkering op grond van de ZW, ligt het in beginsel op zijn weg om aan de hand van objectieve en controleerbare gegevens aannemelijk te maken dat hij recht heeft op deze uitkering (zie onder meer de uitspraak van de Raad van 13 juli 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR1540). Dit betekent dat appellant aannemelijk moet maken dat hij ten tijde van zijn uitval op 27 mei 2007 werkzaam was als werknemer in de zin van artikel 3 van de ZW. Hiertoe is vereist dat appellant op dat moment in een privaatrechtelijke dienstbetrekking stond tot een werkgever, in dit geval [naam bedrijf].

4.2.

Voor de vraag of appellant tot [naam bedrijf] in een privaatrechtelijke dienstbetrekking heeft gestaan, is maatgevend of tussen hem en [naam bedrijf] sprake is geweest van een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Bij de beantwoording van de vraag of een rechtsverhouding beantwoordt aan de criteria voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst moet acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien. Daarbij moeten niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking worden genomen die partijen bij het aangaan van de rechtsverhouding voor ogen stonden, maar moet ook acht worden geslagen op de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun rechtsverhouding en zo daaraan inhoud hebben gegeven. Daarbij is niet een enkel kenmerk beslissend, maar moeten de verschillende rechtsgevolgen die partijen aan hun verhouding hebben verbonden in hun onderling verband worden bezien (zie de uitspraken van de Hoge Raad van 25 maart 2011,

ECLI:NL:HR:2011:BP3887 en van 17 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8926).

4.3.

Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij tot [naam bedrijf] in een privaatrechtelijke dienstbetrekking heeft gestaan. Het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die de rechtbank aan dat oordeel ten grondslag heeft gelegd worden onderschreven. Hieraan wordt het volgende toegevoegd.

4.4.

Appellant heeft ook in hoger beroep geen schriftelijke arbeidsovereenkomst overgelegd waaruit blijkt dat hij ten tijde hier in geding in een privaatrechtelijke dienstbetrekking stond tot [naam bedrijf]. Aan appellant kan worden toegegeven dat een arbeidsovereenkomst niet op schrift behoeft te worden gesteld, wil hiervan sprake kunnen zijn, maar appellant heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat een arbeidsovereenkomst mondeling of anderszins tot stand is gekomen. Uit de verklaring van [naam A.] van [naam bedrijf] van 23 november 2007 blijkt slechts dat [naam bedrijf] de intentie had om appellant van 29 mei 2007 tot 28 augustus 2007 in dienst te nemen als vakantiemedewerker op basis van een nulurencontract. Niet is gebleken dat appellant en [naam bedrijf] gevolg hebben gegeven aan deze intentie door daadwerkelijk een arbeidsovereenkomst te sluiten. Appellant heeft per 29 mei 2007 ook geen werkzaamheden voor [naam bedrijf] verricht, omdat hij op 27 mei 2007 een ongeval heeft gehad en vervolgens ziek is uitgevallen. Dat het er daarna, door die ziekte, niet meer van is gekomen om uitvoering te geven aan de intentie om een arbeidsovereenkomst te sluiten, ligt in de risicosfeer van appellant en maakt niet dat er toch een arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen. Uit de gegevens in de polisadministratie kan evenmin het bestaan van een arbeidsovereenkomst tussen appellant en [naam bedrijf] worden herleid ten tijde hier in geding.

4.5.

Uit hetgeen in 4.1 tot en met 4.4 is overwogen, volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.C.W. Lange als voorzitter en H.G. Rottier en B.M. van Dun als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2018.

(getekend) C.C.W. Lange

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over de begrippen werknemer, werkgever, dienstbetrekking en loon.

RB