Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:629

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-03-2018
Datum publicatie
07-03-2018
Zaaknummer
16/101 WWAJ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wajong-uitkering terecht geweigerd. De verzekeringsarts heeft in een rapport van 12 december 2014 overwogen dat hoewel er factoren in de persoon gelegen zijn die appellant kwetsbaar maken voor het ontwikkelen van psychische klachten, welke factoren mogelijk al op 17/18-jarige leeftijd aanwezig waren, uit de arbeidsanamnese blijkt dat op die leeftijd geen sprake was van disfunctioneren. Appellant heeft jarenlang fulltime gewerkt. Een situatie van geen benutbare mogelijkheden is niet aanwezig geacht. Bij een laattijdige aanvraag rust de bewijslast op de aanvrager.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 101 WWAJ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

25 november 2015, 15/4841 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 1 maart 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G.J. Mulder, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 januari 2018. Voor appellant is verschenen mr. Mulder. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant, geboren op [geboortedag] 1967, heeft op 16 september 2014 een aanvraag op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong 2010) ingediend. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft een verzekeringsarts van het Uwv appellant op het spreekuur gezien. Deze verzekeringsarts heeft in een rapport van 12 december 2014 overwogen dat hoewel er factoren in de persoon gelegen zijn die appellant kwetsbaar maken voor het ontwikkelen van psychische klachten, welke factoren mogelijk al op 17/18-jarige leeftijd aanwezig waren, uit de arbeidsanamnese blijkt dat op die leeftijd geen sprake was van disfunctioneren. Appellant heeft jarenlang fulltime gewerkt. Een situatie van geen benutbare mogelijkheden is niet aanwezig geacht. Bij besluit van 31 december 2014 heeft het Uwv vervolgens de aanvraag afgewezen.

1.2.

In bezwaar tegen het besluit van 31 december 2014 heeft appellant aangevoerd dat het Uwv heeft miskend dat hij reeds vanaf zijn vroege jeugd ernstige psychische problemen heeft. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant diverse medische stukken ingezonden, waaronder een huisartsenjournaal, een brief van een therapeut van 11 januari 2002, een brief van een GZ-psycholoog van 4 april 2003, brieven van psychiater A.L.F. van Poppel van

7 juni 2006 en van 21 januari 2007, een brief van Mentrum van 18 april 2007, een brief van een psychiater van het OLVG van 12 april 2007 en informatie van de gemeente [woonplaats] . Uit deze gegevens blijkt kort gezegd van de moeilijke jeugd van appellant en van zijn kwetsbare persoonlijkheid met verslavingsgevoeligheid.

1.3.

Een verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in een rapport van 10 juli 2015 de medische beoordeling van de verzekeringsarts bevestigd. Gezien de werkzaamheden van appellant als kapper in loondienst, gecombineerd met het volgen van een kappersopleiding, en als zelfstandige van het 16e tot 29e levensjaar, is de verzekeringsarts bezwaar en beroep tot de conclusie gekomen dat er geen aanwijzingen zijn voor arbeidsbeperkingen op 17/18-jarige leeftijd. Bij besluit van 16 juli 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard.

2.1.

In beroep heeft appellant onder meer herhaald dat hij de kapperswerkzaamheden alleen heeft kunnen volhouden door de beschermende omgeving waarin hij gewerkt heeft. Het huishouden en andere verplichtingen werden door anderen in zijn omgeving overgenomen. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant een verklaring van zijn moeder ingezonden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in rapporten van 30 september en van 2 oktober 2015 erop gewezen dat appellant op 17/18-jarige leeftijd niet onder behandeling stond en jarenlang functioneerde in loondienst en als zelfstandige.

2.2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft de vraag of appellant rond

17/18-jarige leeftijd arbeidsongeschikt was ontkennend beantwoord. Met verwijzing naar onder meer de uitspraak van de Raad van 8 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1111, heeft de rechtbank geoordeeld dat bij een laattijdige aanvraag, ingediend na 1 januari 2010 door personen die geboren zijn voor 1 januari 1980, de beoordeling plaats moet vinden aan de hand van de bepalingen van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en dat dat hier niet is gebeurd. Hierdoor is sprake van een gebrek in de wettelijke grondslag van het bestreden besluit, welk gebrek de rechtbank met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht heeft gepasseerd. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat de beschikbare gedingstukken geen aanleiding geven tot twijfel aan de juistheid van de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep over de belastbaarheid van appellant. Vanaf 16-jarige leeftijd tot 1988 had appellant geen contact met de hulpverlening en vervolgens heeft appellant tot zijn 29e levensjaar gewerkt. Verder heeft de rechtbank gewezen op vaste rechtspraak van de Raad dat bij bewijsproblemen inzake de medische problematiek bij een laattijdige aanvraag, de bewijslast op de aanvrager rust.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant de gronden van bezwaar en beroep gehandhaafd.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank met juistheid vastgesteld dat de beoordeling van de aanvraag om uitkering op grond van de Wajong 2010, ingediend na

1 januari 2010 door personen die geboren zijn voor 1 januari 1980, wat betreft het toepasselijke recht, beoordeeld moet worden aan de hand van de bepalingen van de AAW.

4.2.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de AAW, zoals deze bepaling destijds luidde, is arbeidsongeschikt, geheel of gedeeltelijk, hij die ten gevolge van ziekte of gebreken geheel of gedeeltelijk buiten staat is om met arbeid, die voor zijn krachten en bekwaamheden is berekend en die met het oog op zijn opleiding en vroeger beroep hem in billijkheid kan worden opgedragen, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht of op een naburige soortgelijke plaats, te verdienen, hetgeen lichamelijk en geestelijk gezonde personen, van dezelfde soort en soortgelijke opleiding, op zodanige plaats met arbeid gewoonlijk verdienen.

4.3.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, van de AAW heeft recht op toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering de verzekerde, die op de dag, waarop hij 17 jaar wordt, arbeidsongeschikt is, zodra hij onafgebroken 52 weken arbeidsongeschikt is geweest, indien hij na afloop van deze periode nog arbeidsongeschikt is.

4.4.

Partijen verschillen van mening over de medische toestand van appellant op 17/18-jarige leeftijd.

4.5.

In het dossier is geen medische informatie voorhanden die is opgetekend in de periode rond het 17e/18e levensjaar van appellant. De gegevens van de huisarts gaan wel terug tot de jeugd van appellant, maar in het huisartsenjournaal is pas vanaf 1988 een opname en nazorg beschreven, die is verleend door de RIAGG. Verder is in medische stukken vermeld dat appellant in het verleden vaak depressief gestemd is geweest. Deze informatie is echter niet concreet over de ernst van de klachten en de periode waarop bij het beschrijven van de depressieve stemming wordt gedoeld. Voor het overige wordt in diverse medische stukken over de problematiek van appellant gesproken, maar dat betreft anamnestische informatie. Objectief medische gegevens van rond de 17/18-jarige leeftijd van appellant ontbreken, waardoor er onvoldoende aanknopingspunten zijn voor de stelling van appellant dat rond zijn 17/18-jarige leeftijd beperkingen aanwezig zijn geweest als gevolg waarvan hij niet kon werken. De omstandigheid dat door tijdsverloop het medische beeld steeds moeilijker is vast te stellen komt naar vaste rechtspraak van de Raad voor risico van de late aanvrager

(zie onder meer de in 2.2 genoemde uitspraak van 8 april 2015).

4.6.

Het arbeidsverleden van appellant biedt evenmin aanknopingspunten om anders te oordelen. Appellant heeft immers vanaf 1982 tot 1990 in loondienst gewerkt en aansluitend tot 1996 als zelfstandige.

4.7.

Het verzoek van appellant om een onafhankelijk deskundige te raadplegen wordt, gezien overwegingen 4.5 en 4.6, afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en M. Greebe en E. Dijt als leden, in tegenwoordigheid van N. Veenstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2018.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) N. Veenstra

GdJ