Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:623

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-02-2018
Datum publicatie
06-03-2018
Zaaknummer
16/555 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WIA-uitkering terecht geweigerd. Geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de psychische belastbaarheid van appellant meer of zwaarder beperkt is dan door het Uwv is vastgelegd in de FML. Inzichtelijk gemotiveerd dat de functies in medisch opzicht binnen de belastbaarheid van appellant vallen. Geen aanwijzingen om aan te nemen dat bij appellant sprake is van uit ziekte of gebrek voorkomende beletselen om de Nederlandse taal te leren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/555 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

17 december 2015, 15/3905 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 28 februari 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S. Wortel, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 januari 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Wortel. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

A.M.M. Schalkwijk.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant, laatstelijk werkzaam als heftruckchauffeur, is op 4 november 2008 met psychische klachten uitgevallen. Bij besluit van 7 januari 2011, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 5 augustus 2011, heeft het Uwv appellant na de verlengde wachttijd op

23 november 2010 niet in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) op de grond dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Bij uitspraak van 13 april 2012 heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 5 augustus 2013 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 6 augustus 2014 heeft de Raad het hiertegen ingestelde hoger beroep ongegrond verklaard.

1.2.

Appellant was werkloos en heeft zich op 21 januari 2013 ziek gemeld met rugklachten en daarna met toegenomen hartklachten.

1.3.

In het kader van een WIA-beoordeling is appellant onderzocht op het spreekuur van een verzekeringsarts. Op basis van het dossier en eigen psychisch en lichamelijk onderzoek heeft deze verzekeringsarts in zijn rapport van 6 november 2014 vastgesteld dat appellant ten gevolge van al langer bestaande psychische klachten, een status na PCI en 2-takslijden waarvoor PTCA, hypertensie, diabetes mellitus en locomotore klachten van de rug beperkt is op persoonlijk en sociaal functioneren, fysieke omgevingseisen, dynamische handelingen en statische houdingen. Deze beperkingen heeft de verzekeringsarts vervolgens vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 6 november 2014. Een arbeidsdeskundige heeft vervolgens aan de hand van wat appellant kan verdienen met geselecteerde voorbeeldfuncties, in een rapport van 3 december 2014 berekend dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant 20,98% is.

1.4.

Het Uwv heeft bij besluit van 4 december 2014 vastgesteld dat appellant met ingang van 19 januari 2015 geen recht heeft op een WIA-uitkering, daar hij op laatstgenoemde datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

1.5.

Naar aanleiding van het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep appellant onderzocht. Deze verzekeringsarts heeft een eigen lichamelijk en psychisch onderzoek verricht. Na voorts kennis te hebben genomen van de in bezwaar overgelegde uitvoerige informatie van de behandelend sector, waaronder recente brieven van de huisarts, cardioloog en psychiater, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep vastgesteld dat de verzekeringsarts in voldoende mate rekening heeft gehouden met de lichamelijke en geestelijke beperkingen van appellant, die vooral zijn aangenomen ten aanzien van preventie. Een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens in een rapport van 16 juni 2015 vermeld dat de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functie perronmedewerker (SBC-code 111220) vervalt omdat binnen deze functie lezen en begrijpen van de Nederlandse taal een vereiste is. Ook de functie machinaal metaalbewerker (SBC-code 264122) vervalt omdat in deze functie Nederlands gelezen moet kunnen worden. De functie productiemedewerker textiel (SBC-code 272043) vervalt in verband met een VMBO-niveau vereiste. Er blijven evenwel nog voldoende door de arbeidsdeskundige geselecteerde voorbeeldfuncties over op grond waarvan de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant 27,7% bedraagt.

1.6.

Bij besluit van 19 juni 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 4 december 2014, onder verwijzing naar de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen grond gezien voor het oordeel dat de rapporten van de verzekeringsartsen niet op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, tegenstrijdigheden bevatten of niet concludent zijn. Daarbij heeft de rechtbank betrokken dat de beschikbare medische informatie van de behandelend sector in de beoordeling is betrokken en dat een uitgebreid psychisch onderzoek heeft plaatsgevonden. Er was geen informatie op grond waarvan de verzekeringsarts bezwaar en beroep aanleiding had moeten zien om nadere informatie van de behandelend sector op te vragen. In beroep is geen nieuwe medische informatie ingebracht die ziet op de datum in geding. Dat appellant zijn beperkingen ernstiger ervaart, leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank is vervolgens tot het oordeel gekomen dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep toereikend heeft gemotiveerd dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies qua functie-eisen akkoord zijn en de belastbaarheid van appellant niet overschrijden.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep staande gehouden dat de verzekeringsartsen ten onrechte geen informatie hebben opgevraagd bij de behandelend sector en dat de enige reden dat appellant voor zijn psychische klachten minder behandeld wordt is gelegen in de omstandigheid dat zijn behandeling niet meer wordt vergoed en hij dit zelf niet kan bekostigen. Voorts heeft appellant naar voren gebracht dat ten onrechte bij de rubriek ‘sociaal functioneren’ en ten aanzien van lezen en schrijven geen beperkingen zijn aangenomen. Dit laatste verdraagt zich niet met de omstandigheid dat het Uwv een drietal functies heeft laten vervallen omdat appellant niet in staat was begrijpend te lezen en te schrijven.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De overwegingen van de rechtbank, zoals weergegeven onder overweging 6, met betrekking tot de medische beoordeling van het bestreden besluit en de uitgangspunten die aan die overwegingen ten grondslag liggen, worden onderschreven.

4.2.

Wat appellant in hoger beroep hiertegen heeft aangevoerd vormt in essentie een herhaling van wat al in bezwaar en beroep naar voren is gebracht. Er zijn met name geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de psychische belastbaarheid van appellant meer of zwaarder beperkt is dan door het Uwv is vastgelegd in de FML van 6 november 2014 en dat in dat kader de verzekeringsarts bezwaar en beroep ten onrechte geen informatie heeft ingewonnen bij de behandelend sector. Blijkens het rapport van de verzekeringsarts van

6 november 2014 heeft deze verzekeringsarts bij eigen psychisch onderzoek geen aanwijzingen gevonden voor een ernstige psychiatrische problematiek. Uit de informatie van de huisarts is voorts gebleken dat appellant op dat moment geen intensieve psychologische behandeling volgt en dat appellant tot eind november 2014 onder behandeling is geweest bij psychiater J.H. Bent. Uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 1 juni 2015 blijkt dat hij bij zijn beoordeling mede beschikte over de in bezwaar overgelegde informatie van de behandelend cardioloog, behandelend psychiater en de huisarts. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft bij eigen psychisch onderzoek eveneens geen psychiatrische symptomen bij appellant gevonden, zodat er van zijn kant geen enkele aanleiding bestond om aan de behandelend psychiater extra informatie te vragen. Ook kan er niet aan voorbij worden gezien dat de behandeling bij deze psychiater reeds eind december 2014 was beëindigd. Dat deze behandeling om financiële redenen zou zijn gestaakt, betekent overigens dat er omtrent zijn psychische gezondheidstoestand vanaf dat moment ook geen andere informatie bij de behandelend psychiater meer beschikbaar was. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarbij nog gewezen op de brief van de behandelend psychiater van 7 januari 2015 aan de gemachtigde van appellant waarin de psychiater voor nadere informatie heeft verwezen naar zijn eerdere brieven van 19 januari 2012 en 6 september 2012.

4.3.

Ook het oordeel en de overwegingen van de rechtbank betreffende de arbeidskundige beoordeling van het bestreden besluit en de uitgangspunten die aan die overwegingen ten grondslag liggen, zoals weergegeven onder overweging 9, worden geheel onderschreven. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in zijn rapporten van 16 juni 2015 en 7 september 2015 inzichtelijk gemotiveerd dat de functies in medisch opzicht binnen de belastbaarheid van appellant vallen.

4.4.

Wat is aangevoerd over de beperkingen ten aanzien van lezen en schrijven, is eveneens een herhaling van wat eerder is aangevoerd. De geselecteerde functies zijn eenvoudige productiematige functies, die ook iemand met een beperkte lees- en taalvaardigheid in de Nederlandse taal doorgaans geacht wordt te kunnen vervullen. Er zijn geen aanwijzingen om aan te nemen dat bij appellant sprake is van uit ziekte of gebrek voorkomende beletselen om de Nederlandse taal te leren.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van A. Achtot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2018.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) A. Achtot

CVG