Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:612

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-03-2018
Datum publicatie
05-03-2018
Zaaknummer
15/433 AOW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ten onrechte toekenning AOW naar de norm van een gehuwde. Op grond van al (de) gegevens moet geconcludeerd worden dat appellante in ieder geval vanaf haar vestiging in Nederland duurzaam gescheiden leeft van haar echtgenoot. Er is immers sprake van een door hen beiden, althans één van hen, gewilde verbreking van de echtelijke samenleving en zij leiden sindsdien ieder een eigen leven alsof zij niet gehuwd zijn met de ander. Deze toestand is door hen beiden, althans door één van hen, als bestendig bedoeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2018/121
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/433 AOW

Datum uitspraak: 1 maart 2018

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

11 december 2014, 14/1414 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [B.] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. I.H.M. Hest, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend. Namens appellante is gereageerd op het verweerschrift.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 januari 2018. Namens appellante is verschenen mr. J. van de Wiel, advocaat. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. N. Zuidersma.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is [in 1] 1942 in Nederland geboren. Zij is [in 2] 1965 gehuwd met [X.], eveneens geboren in 1942. In de negentiger jaren zijn appellante en haar echtgenoot verhuisd naar Thailand. In 2007 heeft de Svb aan appellante en haar echtgenoot een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend naar de norm voor een gehuwde. In de jaren daarna hebben appellante en haar echtgenoot jaarlijks zogenoemde levensbewijzen ingeleverd bij de Svb, waarop steeds is vermeld dat zij op hetzelfde adres samenwonend waren.

1.2.

Appellante is in augustus 2013 teruggekeerd naar Nederland, nadat zij in december 2012 en januari 2013 al een korte tijd in Nederland had verbleven om haar terugkeer voor te bereiden. Zij woont sindsdien in een woning te [A.], die eigendom is van haar echtgenoot, en haar echtgenoot is in Thailand blijven wonen. Naar aanleiding van vragen van de Svb heeft appellante in september 2013 gemeld dat zij nog gehuwd is met haar echtgenoot, maar dat zij al vele jaren niet meer met hem samenwoont. De echtgenoot van appellante heeft in september 2013 een levensbewijs toegezonden aan de Svb waarop is vermeld dat hij op een ander adres woont in Thailand en dat appellante geen huisgenoot van hem is.

1.3.

Bij besluit van 26 september 2013 heeft de Svb onder meer aan appellante bericht dat er vooralsnog vanuit wordt gegaan dat geen sprake is van duurzaam gescheiden leven, aangezien zij in de woning van haar echtgenoot woont, en dat zij het AOW-pensioen voor een gehuwde blijft ontvangen.

1.4.

Namens appellante is tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Daarbij is aangevoerd dat appellante en haar echtgenoot feitelijk niet meer bij elkaar komen en dat de echtgenoot een relatie met een andere vrouw heeft. Verder is aangevoerd dat financiële ondersteuning door de echtgenoot niet met zich meebrengt dat niet meer gesproken kan worden van duurzaam gescheiden leven. Tijdens de hoorzitting is naar voren gebracht dat appellante en haar echtgenoot al ruim vijf jaar voor de verhuizing naar Nederland niet langer samenwoonden.

1.5.

Bij beslissing op bezwaar van 11 maart 2014 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar ongegrond verklaard. De Svb heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat in de situatie van appellante en haar echtgenoot geen sprake is van duurzaam gescheiden leven, nu zij zich naar buiten toe niet presenteren als zijnde hun samenleving duurzaam en bestendig verbroken. Dit blijkt volgens de Svb onder andere uit het feit dat appellante nog steeds de naam van haar echtgenoot gebruikt.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Tijdens de procedure bij de rechtbank heeft appellante verzocht haar vanaf de datum van haar vestiging in Nederland op 17 augustus 2013 als duurzaam gescheiden aan te merken.

3. Namens appellante is in hoger beroep nogmaals aangevoerd dat zij al vele jaren feitelijk gescheiden van haar echtgenoot leeft. Ter ondersteuning van die stelling is een brief van de echtgenoot overgelegd waarin hij bevestigt dat hij meer dan tien jaar samenwoont met zijn huidige partner en dat hij niet wil scheiden van appellante, omdat zij daar beiden te oud voor zijn. De financiële ondersteuning van appellante ziet de echtgenoot als een soort alimentatie waar appellante recht op heeft.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is in geschil of de rechtbank terecht het standpunt van de Svb heeft onderschreven dat appellante vanaf haar vestiging in Nederland op 17 augustus 2013 niet kan worden aangemerkt als duurzaam gescheiden levend als bedoeld in artikel 1, derde lid, aanhef en onder b, van de AOW.

4.2.

Artikel 1, derde lid, van de AOW luidt:
3. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt:

a. (….);

b. als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is.

4.3.

Volgens vaste rechtspraak is van duurzaam gescheiden leven sprake indien ten aanzien van gehuwden de toestand is ontstaan dat, na de door beiden of één hunner gewilde verbreking van de echtelijke samenleving, ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door hen beiden, althans door één van hen, als bestendig is bedoeld.

4.4.

Vaststaat dat appellante zich in augustus 2013 zelfstandig heeft gevestigd in Nederland, nadat zij die vestiging voordien al had voorbereid tijdens haar tijdelijk verblijf in Nederland in december 2012 en januari 2013. Verder blijkt uit het door de echtgenoot van appellante in september 2013 ingevulde levensbewijs dat hij op een adres in Thailand is blijven wonen en dat geen sprake meer was van een samenleving. Voorts volgt uit de verklaringen van appellante dat zij en haar echtgenoot ieder ook in Thailand al geruime tijd hun eigen leven leidden. Deze verklaringen worden geheel bevestigd door de echtgenoot in zijn brief van

21 oktober 2015. Op grond van al deze gegevens moet geconcludeerd worden dat appellante in ieder geval vanaf haar vestiging in Nederland duurzaam gescheiden leeft van haar echtgenoot. Er is immers sprake van een door hen beiden, althans één van hen, gewilde verbreking van de echtelijke samenleving en zij leiden sindsdien ieder een eigen leven alsof zij niet gehuwd zijn met de ander. Deze toestand is door hen beiden, althans door één van hen, als bestendig bedoeld.

4.5.

De door de Svb genoemde rechtspraak en specifieke omstandigheden kunnen niet tot een ander oordeel leiden. Daarbij wordt erop gewezen dat de situatie van appellante en haar echtgenoot, die na een langdurig huwelijk de samenleving hebben verbroken, in wezenlijk opzicht verschilt van de gevallen waarvan sprake is in de door de Svb genoemde uitspraken van de Raad, waarin personen vanaf de datum van hun huwelijk of geregistreerd partnerschap stellen duurzaam gescheiden te leven. Verder moet de financiële ondersteuning van de echtgenoot aan appellante (daargelaten nog de vraag of daarvan kan worden gesproken op grond van het geldende huwelijksvermogensrecht) op één lijn worden gesteld met alimentatie na de verbreking van de samenleving. Ook na een echtscheiding zou appellante het recht hebben ervoor te kiezen haar naam niet te wijzigen.

4.6.

Uit 4.4 en 4.5 volgt dat appellante aangemerkt moet worden als duurzaam gescheiden levend en dat zij recht heeft op een AOW-pensioen voor een ongehuwde. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. De Raad zal, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. De Raad ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien door het besluit van

26 september 2013 te herroepen en te bepalen dat appellante vanaf augustus 2013 moet worden aangemerkt als ongehuwde.

5. Er is aanleiding de Svb te veroordelen in de proceskosten van appellante in bezwaar, beroep en hoger beroep. Deze kosten worden in bezwaar, beroep en hoger beroep begroot op telkens € 1.002,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 11 maart 2014 gegrond en vernietigt dat besluit;

- herroept het besluit van 26 september 2013 voor zover appellante daarbij als gehuwde is aangemerkt, en bepaalt dat de Svb appellante met ingang van augustus 2013 aanmerkt als ongehuwde;

- veroordeelt de Svb in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 3.006,-;

- bepaalt dat de Svb aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van € 168,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en M.M. van der Kade en

M.A.H. van Dalen-van Bekkum als leden, in tegenwoordigheid van M.A.A. Traousis als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2018.

(getekend) T.L. de Vries

(getekend) M.A.A. Traousis

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip duurzaam gescheiden leven.

UM