Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:593

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-03-2018
Datum publicatie
06-03-2018
Zaaknummer
15/8398 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Beoordeling. Functievervulling in haar geheel beoordeeld met een score B. Voldoende gronden. Geen grond voor de conclusie dat de beoordeling niet met de vereiste objectiviteit tot stand is gekomen.

2) Verzoek wijziging functiekeuze terecht geweigerd. Verzoek niet op tijd gedaan. Niet gebleken dat appellante over zodanige kwaliteiten beschikt dat de andere functie meer passend zou zijn.

3) Raio-opleiding terecht beëindigd. Iedere fase van de opleiding eindigt met een beoordeling. Bij de toepassing van het beleid telt iedere beoordeling mee.

4) Aanstelling terecht beëindigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/8398 AW, 16/879 AW, 16/2267 AW, 16/3833 AW

Datum uitspraak: 1 maart 2018

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het bestuur van de rechtbank [vestigingsplaats] (bestuur)

de Minister van Justitie en Veiligheid (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. I.L. Gerrits, advocaat, beroep ingesteld tegen het besluit van het bestuur van 10 november 2015 (bestreden besluit 1). Appellante heeft beroep ingesteld tegen de besluiten van de minister van 23 december 2015 (bestreden besluit 2), 8 maart 2016 (bestreden besluit 3) en 22 april 2016 (bestreden besluit 4).

Namens het bestuur en de minister heeft mr. S. van Waegeningh, advocaat, verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 januari 2018. Het bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van Waegeningh en mr. R.I.V. Scherpenhuijsen Rom,

mr. A.J. Wolfs en mr. M.J.I. Smit. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. Van Waegeningh en mr. C. Dijkshoorn-Boender.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is in april 2010 aangesteld als rechterlijk ambtenaar in opleiding (raio) en is met haar basisstages gestart bij de rechtbank [vestigingsplaats] , [locatie 1] . Haar basisstages voor de onderdelen civiel recht en strafrecht zijn met een score C (voldoende) beoordeeld. Vervolgens heeft appellante (een gedeelte van) haar buitenstage bij [instantie 1] met goed gevolg afgerond. Nadat over haar functioneren tijdens de basisstage bestuursrecht een beoordeling met een score B (onvoldoende) was vastgesteld, heeft zij na verlenging bij de [naam instantie 2] dat onderdeel afgesloten met een voldoende beoordeling. Zij heeft ook haar stage bij het [afdeling] [vestigingsplaats] met een voldoende beoordeling afgerond. Op 28 april 2014 heeft appellante op grond van artikel 2 in samenhang met artikel 28 van het Besluit opleiding rechterlijke ambtenaren (Bora) haar initiële keuze voor een [functie 2] gemaakt.

1.2.

Van 1 juni 2014 tot 27 april 2015 heeft appellante haar opleiding voortgezet met een verdiepingsstage bij de [sector 1] en [sector 2] van de rechtbank

[vestigingsplaats] , [lokatie 2] . Opleiders waren [A.] voor de [sector 1] en [B.] voor de [sector 2] . Op 10 juli 2014 heeft een voortgangsgesprek tussen appellante en haar opleiders plaatsgevonden waarbij appellante is meegedeeld dat zij zich op een aantal punten diende te ontwikkelen. Op 4 november 2014 heeft een toetsgesprek plaatsgevonden. De opleiders hebben appellante in dit gesprek meegedeeld dat zij bij de voorbereiding van de zittingen en op de zittingen zelf een sterk wisselend beeld laat zien, veel en vaak dezelfde feedback over haar optreden ter zitting heeft gehad, dat ze geen voortouw in de discussie met haar opleiders neemt, haar ingenomen standpunten zelden tot niet verdedigt en bij uitspraken nog te veel leunt op haar opleiders. Op 13 november 2014 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen appellante, haar opleiders en de opleidingscoördinator waarin haar vragen naar aanleiding van het toetsgesprek zijn besproken. Daarbij is onder meer stilgestaan bij de vraag of appellante, gezien de kritiek in het toetsgesprek, van haar opleiders nog een eerlijke kans zou kunnen krijgen. Partijen hebben naar aanleiding hiervan over en weer hun onderlinge vertrouwen uitgesproken over de samenwerking gedurende de verdere opleiding. Op

12 februari 2015 heeft een tussentijds beoordelingsgesprek plaatsgevonden. Daarin is geconstateerd dat er op onderdelen verbetering in het functioneren van appellante zichtbaar is ten opzichte van het beoordelingsmoment van 4 november 2014. De opleiders hebben wel geconcludeerd dat appellante niet altijd het juridisch referentiekader helder heeft. Zij hebben verder kritiek geuit op haar behandeling ter zitting, haar schriftelijk werk en haar professionele ontwikkeling. De opleiders hebben appellante gewaarschuwd dat het ‘vijf voor twaalf’ was en dat het erg lastig zou worden om in de laatste twee maanden van haar verdiepingsstage het vereiste eindniveau te bereiken. Op 5 maart 2015 heeft een voortgangsgesprek plaatsgevonden waarbij de ontwikkelpunten van appellante per competentiegebied zijn besproken.

1.3.

Op 16 april 2015 hebben de opleiders de eindbeoordeling van de verdiepingsstage van appellante opgesteld, met als eindoordeel een score B (onvoldoende). Appellante heeft haar bedenkingen tegen de voorgenomen beoordeling schriftelijk kenbaar gemaakt en mondeling toegelicht, waarna de beoordeling op 1 juli 2015 ongewijzigd is vastgesteld.

1.4.

In de beoordeling is het resultaatgebied “voorbereiden zitting” met een score C (voldoende) beoordeeld. De resultaatgebieden “zittingen”, “uitspraken” en “professionalisering” zijn met een score B (onvoldoende) beoordeeld. Blijkens de toelichting zijn het optreden van appellante ter zitting en het niveau van haar uitspraken te wisselend van kwaliteit. Ook heeft het haar ontbroken aan een voldoende actieve inbreng met betrekking tot de juridische inhoud. Aldus is de functievervulling in haar geheel ook met een score B beoordeeld. Na bezwaar van appellante is de beoordeling gehandhaafd bij bestreden besluit 1.

1.5.

Op 21 april 2015 heeft appellante op grond van artikel 28 van het Bora verzocht om wijziging van de keuze als bedoeld in 1.1, in een keuze voor de functie van [functie 1] . Appellante heeft dat verzoek gemotiveerd met de stelling dat die functie beter bij haar kwaliteiten en wensen aansluit. De minister heeft het verzoek bij besluit van 6 juli 2015 afgewezen. Daaraan is ten grondslag gelegd dat op het moment van het verzoek van appellante sprake was van een volwaardig en volledig doorlopen verdiepingsstage bij de civiele sector met een door de opleiders gegeven eindbeoordeling van een score B (onvoldoende). Met de vaststelling van die beoordeling door het bestuur op 1 juli 2015 is sprake van een tweede beoordeling met een score B, wat volgens staand beleid reden is tot beëindiging van de opleiding. Voorts is overwogen dat appellante nooit eerder kenbaar heeft gemaakt of laten blijken de functie van [functie 1] te ambiëren. Ook onderschrijft de minister niet dat gebleken is dat appellante over zodanige kwaliteiten beschikt dat de functie van [functie 1] meer passend zou zijn. Appellante heeft ook tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Dit bezwaar is bij bestreden besluit 2 ongegrond verklaard.

1.6.

Bij besluit van 3 augustus 2015 is de raio-opleiding van appellante beëindigd. Het daartegen door appellante gemaakte bezwaar is bij bestreden besluit 3 ongegrond verklaard.

1.7.

Bij besluit van 2 december 2015 is de aanstelling van appellante beëindigd. Het daartegen door appellante gemaakte bezwaar is ongegrond verklaard bij bestreden besluit 4.

2. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

2.1.

Ambtshalve overweegt de Raad allereerst het volgende. In artikel VI van de wet van

2 december 2015 tot wijziging van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren en enkele andere wetten in verband met een herziening van de opleiding van rechters en officieren van justitie, Stb. 2015, 456, welke wet op 1 januari 2017 in werking is getreden, is bepaald dat op rechterlijke ambtenaren in opleiding die op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet als zodanig zijn benoemd, de artikelen van de ingevolge deze wet gewijzigde wetten en de daarop berustende bepalingen, van toepassing blijven zoals deze luidden op de dag vóór de dag van inwerkingtreding van deze wet. In de onderhavige zaken gaat het om de toepassing van het Bora, dat, voor zover hier van belang, is genomen ter uitvoering van

artikel 145, tweede lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie (Wet RO). De Wet RO en het Bora werden voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wet van 2 december 2015 niet genoemd in artikel 3 van Bijlage 2 bij de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zodat geschillen als deze strikt genomen niet onder het bereik van dit artikel vallen. De Raad ziet echter, in lijn met de uitspraak 20 november 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3815, voldoende grond om zich bevoegd te achten op het beroep van appellante te beslissen.

Bestreden besluit 1

2.2.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 1 september 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3259) is de rechterlijke toetsing van de inhoud van een beoordeling beperkt tot de vraag of die beoordeling op voldoende gronden berust. Bij negatieve oordelen moet het bestuursorgaan dit met concrete feiten onderbouwen. Niet doorslaggevend is of elk feit juist is vastgesteld of geduid. Het gaat erom of het totale beeld van de beoordeling deze toetsing doorstaat.

2.3.

Appellante heeft allereerst aangevoerd dat ook de bezwaaradviescommissie, wier advies door het bestuur is overgenomen, bij haar advisering de terughoudende toetsingsmaatstaf, omschreven onder 2.2, heeft aangelegd, terwijl in de bezwaarfase zo’n terughoudende toetsing nog niet aan de orde behoort te zijn, maar een volledige heroverweging dient plaats te vinden. In dat laatste kan appellante op zichzelf beschouwd worden gevolgd. De bewuste toetsingsmaatstaf staat dus ten onrechte in het advies van de commissie vermeld. Blijkens haar advies heeft de commissie zich feitelijk echter niet beperkt tot de vraag of de beoordeling op voldoende gronden berust, maar heeft zij het bezwaar ten volle inhoudelijk beoordeeld. Dat onderkent ook appellante, zoals blijkt uit wat zij overigens over de behandeling van het bezwaar heeft aangevoerd. Bestreden besluit 1 berust dus niet op een te beperkte heroverweging. De Raad volgt appellante ook niet in haar stelling dat de commissie zich vooringenomen heeft betoond. Dat de commissie hier en daar een passage uit de beoordeling heeft aangehaald en daar eigen conclusies aan heeft verbonden, vormt daarvoor geen aanwijzing. De Raad stelt vast dat de in bezwaar vereiste volledige heroverweging naar behoren heeft plaatsgevonden.

2.4.

Appellante heeft verder betoogd dat de beoordeling geen stand kan houden omdat opleider [B.] niet was gecertificeerd. De Raad is van oordeel dat dat gegeven niet aan de rechtmatigheid van de beoordeling kan afdoen. In de Studiegids raio-opleiding 2010 is vermeld dat de opleider in beginsel gecertificeerd is. Anders dan appellante stelt, is daarmee geen sprake van een imperatief voorschrift. In aanmerking genomen dat [B.] over ruime ervaring met het opleiden van rechters in opleiding (rio’s) beschikte en dat mede-opleider [A.] wel was gecertificeerd, acht de Raad het niet gecertificeerd zijn van [B.] voldoende ondervangen. De Raad onderschrijft daarbij het standpunt van het bestuur dat de ervaring van [B.] binnen de

rio-opleiding mocht worden geacht aan te sluiten bij juist de verdiepingsstage zoals die in dit geval aan de orde was, nu het gaat om een onderdeel dat laat in de raio-opleiding is gelegen en dat dus plaatsvindt als al de nodige ervaring is opgebouwd.

2.5.

De Raad ziet ook geen grond voor de conclusie dat de beoordeling niet met de vereiste objectiviteit tot stand is gekomen. Dat appellante kennelijk op enig moment in de beginperiode van de stage de suggestie van een, in haar woorden, opleiderswissel heeft gedaan, maakt dat niet anders. Tijdens het gesprek op 13 november 2014 is dit ter sprake gekomen en hebben appellante en haar opleiders uitdrukkelijk over en weer hun vertrouwen in elkaar uitgesproken. Er zijn geen aanwijzingen dat appellante nadien geen eerlijke kans meer heeft gekregen om zich te bewijzen. Dat er “geen klik” bestond tussen appellante en [B.] is door de laatste weersproken en is door appellante gedurende de periode na het gesprek op

13 november 2014 ook niet naar voren gebracht. Van belang is ten slotte dat de beoordeling door [B.] en [A.] in gezamenlijkheid is opgemaakt en dat daartoe bovendien nog twee rechters als informant zijn opgetreden.

2.6.

De Raad komt vervolgens toe aan wat appellante over de inhoud van de beoordeling, en dan met name wat betreft de drie daarin met een score B beoordeelde resultaatgebieden “zittingen”, “uitspraken” en “professionalisering”, heeft aangedragen. De Raad zal deze stellingen beoordelen aan de hand van de toetsingsmaatstaf, weergegeven onder 2.2.

2.7.

Wat betreft het resultaatgebied “zittingen” stelt appellante kort samengevat dat de op dat punt gegeven score niet werkelijk is terug te voeren op onvoldoende functioneren, maar valt te verklaren uit een stijlverschil tussen haarzelf, en, met name, opleider [B.] . Volgens appellante verlangde [B.] een directieve stijl van haar, die niet, of althans niet in de verlangde mate, bij haar past. Appellante stelt een lijdelijker stijl te hanteren en meent dat haar als raio onvoldoende gelegenheid is geboden deze eigen stijl tot ontwikkeling te brengen. De Raad volgt appellante hierin niet. De beoordeling is uitvoerig gedocumenteerd. Opleider [B.] heeft van de door haar beoordeelde zittingen gedetailleerde verslagen gemaakt. Uit die verslagen komt naar voren dat de geleverde kritiek op appellantes zittingsvaardigheden niet haar persoonlijke stijl betreft, maar het niet in voldoende mate aanwezig zijn van vaardigheden als het van partijen verkrijgen van relevante informatie, het in evenredige mate aan bod laten komen van beide partijen, het afhandelen van incidenten en het samenvatten en uitleggen van het geschil en de beslispunten. [B.] stelt met juistheid dat dit vaardigheden zijn die iedere rechter dient te beheersen, ongeacht zijn of haar actiever of juist lijdelijker stijl. De beoordeling is daarbij, zoals gezegd, opgemaakt door [B.] in gezamenlijkheid met [A.] en wordt door beiden volledig, dus ook op dit resultaatgebied, gedragen. Ook in zoverre is er geen aanknopingspunt voor de conclusie dat sprake is van een door persoonlijke voorkeuren vertroebelde score. Op dit punt heeft het bestuur, kortom, aannemelijk gemaakt dat de beoordeling op voldoende gronden berust.

2.8.

Wat betreft het resultaatgebied “uitspraken” heeft appellante aangevoerd dat zij nooit eerder tijdens haar opleiding met een onvoldoende score voor dit onderdeel is beoordeeld, zelfs niet tijdens de stage bestuursrecht binnen de rechtbank [vestigingsplaats] die zij in zijn totaliteit niet met een voldoende heeft kunnen afsluiten. Dat enkele gegeven maakt de in geding zijnde score echter nog niet onhoudbaar, te minder nu, zoals namens het bestuur is benadrukt, er hogere eisen worden gesteld naarmate de opleiding vordert. De score B is op zichzelf beschouwd niet ontoereikend onderbouwd. Uit de verslagen van opleider [B.] en de informatie van andere betrokken rechters komt een sterk wisselend beeld naar voren. Goede vonnissen worden afgewisseld door vonnissen die duidelijk beneden de maat zijn, dit tot het einde van de stage aan toe. De score B is daarmee niet onhoudbaar. De eerdere beoordelingen kunnen daar niet aan afdoen. Overigens wordt nog opgemerkt dat ook die eerdere beoordelingen, ook al is het resultaatgebied “uitspraken” daarin als voldoende beoordeeld, op het bewuste punt niet allemaal vrij zijn van kritiek. De beoordeling houdt al met al ook in zoverre stand.

2.9.

Wat betreft het resultaatgebied “professionalisering” heeft appellante aangevoerd dat haar ten onrechte is tegengeworpen dat zij haar eigen inbreng met betrekking tot de juridische inhoud te laat heeft ingezet. De opleiding is, aldus appellante, een leerproces waarbinnen niet alles meteen goed hoeft te gaan. Namens het bestuur is toegelicht dat met de bewuste opmerking wordt bedoeld dat appellante zich weliswaar in zekere mate heeft ontwikkeld, maar dat haar inbreng in discussies, het bieden van inzicht in de stappen die zij zette in een juridische redenering, toch onder de maat zijn gebleven, dit ondanks de veelvuldige feedback die haar is gegeven. Appellante was veel op zichzelf, toonde zich weinig nieuwsgierig en had er moeite mee de feedback van de opleiders om te zetten in een verbetering van de kwaliteit van haar werk. De Raad stelt vast dat dit beeld correspondeert met wat in de stukken is terug te vinden. Zo merkt opleider [B.] in haar verslaglegging meermaals op de inbreng van appellante in discussies te hebben gemist, soms zelfs na haar uitdrukkelijk te hebben verzocht om haar gedachten nader toe te lichten. Tijdens het gesprek op 12 februari 2015 is dit punt, net als de beschreven wijze van omgaan met feedback, uitdrukkelijk aan de orde gekomen. Nu deze problematiek klaarblijkelijk ook tegen het einde van de stage nog te veel aan de orde was, kan zij niet volledig worden teruggevoerd op het leerproces zoals dat inherent is aan de opleiding. Ook in zoverre is, mede in het licht van de twee zojuist besproken scores, al met al aannemelijk gemaakt dat de beoordeling op voldoende gronden berust. Dat appellante naar aanleiding van de haar gegeven feedback het initiatief heeft genomen om verscheidene cursussen te volgen, bevestigt haar inzet en haar volharding zoals die ook door het bestuur worden onderkend, maar kan aan het voorgaande niet afdoen. Ook de hoge productie van appellante kan de zojuist getrokken conclusie niet anders maken, nu die niet de kern raakt van de hier aan de orde zijnde kritiek.

2.10.

Uit 2.3 tot en met 2.9 volgt dat het beroep tegen bestreden besluit 1 niet slaagt. De beoordeling houdt in rechte stand.

Bestreden besluit 2

2.11.

Op grond van artikel 28 van het Bora, zoals luidende ten tijde van belang, maakt een raio voor het voltooien van de vierde deelstage van de binnenstage aan de minister zijn keuze bekend voor een [functie 2], dan wel de functie van [functie 1] . Een gemaakte keuze kan na het voltooien van de vierde deelstage van de binnenstage alleen in zeer bijzondere gevallen worden gewijzigd.

2.12.

Appellante heeft haar verzoek om wijziging van haar keuze niet alleen ruim na het voltooien van de vierde deelstage, maar zelfs pas na het feitelijk voltooien van de verdiepingsstage ingediend. Dat, zoals namens de minister is toegelicht, in zijn algemeenheid ruimhartig wordt omgegaan met het criterium “zeer bijzondere gevallen” zoals genoemd in artikel 28 van het Bora, leidt niet tot de conclusie dat het verzoek van appellante had moeten worden ingewilligd. Aan appellante is op 13 april 2015 informeel meegedeeld dat een onvoldoende beoordeling van de verdiepingsstage zou worden opgemaakt. Pas nadien heeft zij voor de eerste keer geïnformeerd naar de mogelijkheid van een keuzewissel. Het verzoek daartoe is pas ingediend nadat op 16 april 2015 het beoordelingsgesprek had plaatsgevonden. Voor appellante betrof het de tweede B-beoordeling, wat volgens vast beleid leidt tot beëindiging van de opleiding. De minister heeft zich met juistheid op het standpunt gesteld dat de mogelijkheid van een late keuzewissel niet in het leven is geroepen om die consequentie te ontwijken. Appellante had nooit eerder blijk gegeven van enige ambitie om alsnog over te stappen naar het [instelling]. De [bevoegd gezag] heeft bovendien, in navolging van de teamleider met wie appellante tijdens haar [stage bij [afdeling]] heeft samengewerkt, laten weten het verzoek van appellante niet te ondersteunen. Ook het bestuur heeft laten weten het verzoek niet te ondersteunen. Onder die omstandigheden mocht het verzoek worden afgewezen. Dat verzoeken van anderen in een late fase nog zijn toegewezen kan dat niet anders maken, alleen al niet omdat in geen van die andere gevallen sprake was van een met een tweede negatieve beoordeling afgesloten verdiepingsstage.

2.13.

Ook het beroep tegen bestreden besluit 2 slaagt dus niet.

Bestreden besluit 3

2.14.

Op grond van artikel 8, eerste lid, van het Bora, zoals luidende ten tijde van belang, is de minister bevoegd de opleiding van een raio in de loop van de opleiding te beëindigen, onder meer als hij op grond van een beoordeling tot het oordeel komt dat de raio de opleiding niet met gunstig gevolg zal kunnen afsluiten. Op grond van het derde lid van artikel 8 hoort de minister, alvorens de in het eerste lid bedoelde beslissing te nemen, de functionele autoriteit en de rector.

2.15.

Naar door appellante niet is weersproken, is het besluit van 3 augustus 2015 tot beëindiging van haar opleiding voorbereid en genomen in overeenstemming met bovengenoemde artikelleden. Dat de rector van de raio-opleiding ook voorzitter was van [instantie 3] ( [instantie 3] ), welk college was gemandateerd om het genoemde besluit namens de minister te nemen, maakt dat besluit, anders dan door appellante is gesteld, niet onrechtmatig. Daarbij wordt nog opgemerkt dat de beslissing op het tegen meergenoemd besluit ingediende bezwaar, geheel volgens de voorschriften, namens de minister is genomen door de [instantie 3] . Van het ontbreken van “checks and balances”, zoals door appellante gesteld, is aldus geen sprake.

2.16.

Bij de toepassing van artikel 8, eerste lid, van het Bora, voert de minister het beleid dat bij een tweede beoordeling in een deelstage met eindresultaat B (onvoldoende) als regel beëindiging van de opleiding volgt. Dit beleid is onder meer in de Studiegids raio-opleiding 2010 kenbaar gemaakt. Naar vaste rechtspraak (zie de uitspraak van 23 juni 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2390) kan dit beleid niet als onredelijk worden gekenschetst, met dien verstande dat afwijking van deze beleidsregel aangewezen kan zijn indien zich bijzondere omstandigheden voordoen, waaronder het geval dat een of beide ongunstige beoordelingen in overwegende mate te wijten zijn aan tekortkomingen in de opleiding.

2.17.

De Raad volgt appellante niet in haar standpunt dat in haar geval afwijking van het beleid aangewezen was geweest. Van tekortkomingen in de opleiding, zoals door appellante gesteld, kan niet worden gesproken. Wat betreft het niet gecertificeerd zijn van opleider [B.] en de gang van zaken rondom de suggestie van appellante tot een opleiderswissel verwijst de Raad naar het overwogene onder 2.4 en 2.5. Appellante heeft verder nog aangevoerd dat de verdiepingsstage in [lokatie 2] niet aansloot bij de basisstage civiel die zij in [locatie 1] heeft gevolgd. Ook daarin volgt de Raad haar niet. In zijn algemeenheid heeft te gelden dat een raio met een locatiewissel moet kunnen omgaan. Op geen enkele wijze is gebleken dat de eisen in [locatie 1] of die in [lokatie 2] afweken van de uitvoerige omschrijvingen van de tijdens de verschillende opleidingsfases te toetsen resultaatgebieden zoals die zijn opgenomen in de Studiegids raio-opleiding 2010. Het gegeven dat appellante tijdens de basisstage in [locatie 1] nog niet, maar tijdens de verdiepingsstage in [lokatie 2] wel te maken heeft gekregen met kantonzaken waarin zonder professionele gemachtigde wordt geprocedeerd, is geheel in overeenstemming met de uitgangspunten die in de studiegids zijn geformuleerd.

2.18.

De Raad ziet ook in het feit dat de beëindiging van de opleiding pas ruim vijf jaar na aanvang daarvan heeft plaatsgevonden geen reden die beëindiging voor onjuist te houden, hoe spijtig het ook is dat appellante haar opleiding na zo’n lange periode toch niet succesvol heeft kunnen afronden. Iedere fase van de opleiding, en dus ook de verdiepingsstage, eindigt nu eenmaal met een beoordeling. Bij de toepassing van het beleid, omschreven onder 2.16, telt iedere beoordeling mee. Dat appellante al relatief lang met haar opleiding bezig was, een gevolg van enerzijds de verlenging van de basisstage bestuursrecht en anderzijds het op een vroeg moment inzetten van een deel van de buitenstage, behoefde dat niet anders te maken.

2.19.

Het beroep tegen bestreden besluit 3 slaagt dus evenmin.

Bestreden besluit 4

2.20.

Gezien het gegeven oordeel over bestreden besluit 3 was de minister op grond van artikel 27 van het Bora, zoals luidende ten tijde van belang, bevoegd om de aanstelling van appellante te beëindigen. Bij de toepassing van artikel 27 van het Bora wordt het beleid gehanteerd dat in geval van beëindiging van de opleiding de grondslag voor de aanstelling als raio is vervallen, zodat beëindiging van de opleiding tevens beëindiging van de aanstelling als raio betekent.

2.21.

Vastgesteld wordt dat appellante geen zelfstandige gronden tegen bestreden besluit 4 heeft aangevoerd. Dat betekent dat nu bestreden besluit 3 in navolging van de bestreden besluiten 1 en 2 standhoudt, hetzelfde geldt voor bestreden besluit 4. Ook het daartegen gerichte beroep slaagt niet.

2.22.

De Raad zal de beroepen ongegrond verklaren.

3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en K.J. Kraan en H. Lagas als leden, in tegenwoordigheid van J. Tuit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2018.

(getekend) B.J. van de Griend

(getekend) J. Tuit

HD