Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:590

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-03-2018
Datum publicatie
05-03-2018
Zaaknummer
16-5575 AOR
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

De aanvraag om toekenning van onder meer een invaliditeitsuitkering is afgewezen op de grond dat de lichamelijke en psychische klachten niet in verband staan met omstandigheden als bedoeld in de AOR, maar door andere oorzaken zijn ontstaan. De oorlogsgerelateerde klachten zijn te verklaren uit tweede generatieproblematiek en kunnen niet worden meegewogen voor de AOR.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 5575 AOR

Datum uitspraak: 1 maart 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft J.T. Latuhihin beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 15 juli 2016, kenmerk BZ01931507 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft een nadere reactie ingezonden van de geneeskundig adviseur G.J. Laatsch, arts.

Verweerder heeft een reactie van R. Loonstein, hoofd medisch bureau, ingezonden, waarna Laatsch opnieuw schriftelijk zijn visie heeft gegeven. Van de zijde van verweerder heeft

A.M. Ohlenschlager, arts, gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 januari 2018. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde Latuhihin en [X.] als haar mede-gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.L. van de Wiel.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante, geboren in 1950, heeft in mei 2015 bij verweerder een aanvraag ingediend om toekenningen op grond van de AOR.

1.2.

Bij besluit van 9 november 2015 heeft verweerder vastgesteld dat appellante in omstandigheden heeft verkeerd als bedoeld in de AOR, te weten het (met het gezin) schuilhouden in februari 1951 voor mogelijke represailles van de Indonesische overheid. De aanvraag om toekenning van onder meer een invaliditeitsuitkering is afgewezen op de grond dat de lichamelijke en psychische klachten niet in verband staan met deze omstandigheden, maar door andere oorzaken zijn ontstaan. Het tegen het besluit van 9 november 2015 gemaakte bezwaar is bij bestreden besluit ongegrond verklaard.

2. In beroep heeft appellante, evenals in bezwaar, aangevoerd dat haar psychische klachten in verband staan met de AOR-omstandigheden. Zij verwijst daartoe naar het rapport van

14 maart 2016 dat door Laatsch is opgemaakt na een persoonlijk onderhoud met appellante.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1.

Het in het bestreden besluit neergelegde standpunt van verweerder is in eerste instantie gebaseerd op de bevindingen van de geneeskundig adviseur G.L.G. Kho, arts, die appellante thuis heeft bezocht. Kho concludeert dat de huidige psychische klachten van appellante, die nog geen jaar oud was toen ze samen met het gezin Indonesiƫ verliet, qua gedachteninhoud deels gerelateerd zijn aan de eigen nare ervaringen in Nederland, waaronder discriminatie, armoede en de ziekte van haar ouders. Voor een ander deel zijn ze gerelateerd aan de verhalen die ze gehoord heeft over wat de gezinsleden in de Japanse kampen en Bersiap-periode hebben meegemaakt.

3.2.

Verweerder heeft het bezwaar van appellante om advies voorgelegd aan een andere geneeskundig adviseur Ohlenschlager. Zij heeft na heroverweging van de aanwezige medische gegevens het oordeel van Kho onderschreven. De visie van Laatsch dat bij appellante sprake is van een aan de AOR-omstandigheden toe te schrijven gegeneraliseerde angststoornis met PTSS-kenmerken en een persoonlijkheidsproblematiek van het

type cluster C, kan zij niet onderschrijven.

3.3.

De Raad acht het bestreden besluit met deze adviezen voldoende voorbereid en gemotiveerd. Het rapport van Laatsch geeft geen aanleiding om de bevindingen van Kho niet te volgen. Laatsch stelt dat de klachten van appellante te herleiden zijn tot de korte periode van schuilhouden voor de Indonesische overheid. Appellante was ongeveer 7 maanden jong. Het rapport van Laatsch is voor advies voorgelegd aan Loonstein en Ohlenschlager. Zij stellen dat de door Laatsch genoemde persoonlijkheidsproblematiek niet het gevolg kan zijn van deze kortdurende levensomstandigheden. Verder heeft appellante geen herinneringen aan het schuilhouden. Wat zij weet heeft zij gehoord van haar oudere broers en zusters. De oorlogsgerelateerde klachten zijn dus te verklaren uit tweede generatieproblematiek en kunnen niet worden meegewogen voor de AOR. Daarbij groeide appellante op in een door de oorlog getraumatiseerd gezin. Na weging van alle informatie wordt het eerdere oordeel onderschreven dat de psychische klachten van appellante het gevolg zijn van nare ervaringen in Nederland (discriminatie, armoede, ziekte van haar ouders), de verhalen die zij gehoord heeft over wat de gezinsleden in de Japanse kampen en de Bersiap hebben meegemaakt.

3.4.

Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van L.V. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2018.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) L.V. van Donk

HD