Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:589

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-02-2018
Datum publicatie
02-03-2018
Zaaknummer
16/2018 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering WW-uitkering op de grond dat appellant van 1 februari 2011 tot en met 2 februari 2014 in het buitenland heeft verbleven, werkzaamheden heeft verricht voor zijn stichtingen en vergoedingen heeft ontvangen voor de verrichte werkzaamheden waarover hij het Uwv niet heeft geïnformeerd. Schending mededelingsplicht. Nu het bestreden besluit ten onrechte is gebaseerd op het standpunt dat appellant van 1 februari 2011 tot en met 2 februari 2014 onafgebroken buiten Nederland verbleef, anders dan wegens vakantie, en om die reden de volledige WW-uitkering over die periode moest worden teruggevorderd, kan dit besluit niet in stand blijven. Het bestreden besluit zal daarom worden vernietigd, evenals de aangevallen uitspraak waarbij het in stand is gelaten. De Raad zal op de hierna aan te geven wijze zelf in de zaak voorzien. Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze worden begroot op € 1.002,- aan kosten van rechtsbijstand in beroep en op € 1.252,50 aan kosten van rechtsbijstand in hoger beroep, wat tezamen een bedrag van € 2.254,50 oplevert. De door appellant gemaakte kosten in bezwaar komen niet voor vergoeding in aanmerking, omdat daarom niet tijdig is verzocht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 2018 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

22 februari 2016, 15/3502 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats], Indonesië (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 22 februari 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.E. Cuppen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, vragen van de Raad beantwoord en nadere stukken ingediend, waarop appellant heeft gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 januari 2018. Voor appellant is

mr. Cuppen verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.H.G. Boelen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is met ingang van 3 januari 2011 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Het recht is met ingang van 2 februari 2014 geëindigd.

1.2.

Op 21 oktober 2013 heeft het Uwv een anonieme tip ontvangen dat appellant de afgelopen jaren het overgrote deel van de tijd op Borneo heeft verbleven en daar als vrijwilliger werk heeft verricht voor de [stichting 1] ([stichting 1]), waarvan hij tot voor kort voorzitter was. Naar aanleiding van deze tip heeft het Uwv onderzoek gedaan naar de rechtmatigheid van de verstrekte uitkering. De resultaten van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 12 juni 2014.

1.3.

Bij besluit van 23 juni 2014 heeft het Uwv de WW-uitkering van appellant met ingang van 31 januari 2011 ingetrokken op de grond dat appellant van 1 februari 2011 tot en met

2 februari 2014 in het buitenland heeft verbleven, werkzaamheden heeft verricht voor zijn stichtingen en vergoedingen heeft ontvangen voor de verrichte werkzaamheden waarover hij het Uwv niet heeft geïnformeerd. De over de genoemde periode betaalde uitkering, een bedrag van € 81.993,47, heeft het Uwv als onverschuldigd betaald van appellant teruggevorderd. Bij besluit van 1 mei 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 23 juni 2014 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe onder meer overwogen dat appellant voorafgaand aan zijn vertrek naar Indonesië aan het Uwv geen toestemming heeft gevraagd, noch van zijn vertrek naar Indonesië melding heeft gedaan, laat staan dat hij toestemming heeft verkregen. Volgens de rechtbank is evenmin gebleken dat het verblijf van appellant in Indonesië van beperkte duur is geweest. Het verblijf in februari 2011 was geen incident, want ook daarna heeft appellant veelvuldig en langdurig in Indonesië verbleven, waarbij hij ook werkzaamheden verrichtte voor de [stichting 2], later [stichting 1] geheten. Appellant had daarom naar het oordeel van de rechtbank vanaf

31 januari 2011 op grond van artikel 19, eerste lid, aanhef en onder e, van de WW geen recht op uitkering, en dat recht is, gelet op artikel 20, eerste lid, aanhef en onder d, van de WW met ingang van 31 januari 2011 geëindigd. De rechtbank is niet gebleken dat het recht op uitkering is herleefd. De stelling van appellant dat elk jaar op zich het recht op WW moet worden beoordeeld, gelet op de omstandigheid dat er elk jaar vier weken recht op vakantie bestaat, vindt volgens de rechtbank geen steun in de WW of in de rechtspraak.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep zijn bij de rechtbank ingenomen standpunt herhaald dat het onderzoeksrapport van het Uwv ondeugdelijk is, omdat het getuigt van een tunnelvisie en is gebaseerd op onrechtmatig verkregen bewijs. Appellant heeft verder betoogd dat zijn vrijwilligerswerkzaamheden zowel in Nederland als in Indonesië plaatsvonden en dat hij die al verrichtte voordat hij werkloos werd. Hij heeft deze bij het intakegesprek op

23 december 2010 met een werkcoach van het Uwv gemeld en de werkcoach reageerde daar toen met enthousiasme op, aldus appellant. Appellant meent dat hij hiermee heeft voldaan aan zijn informatieverplichting in het kader van de WW. Daarnaast heeft hij gesteld jaarlijks slechts vier weken vakantie te hebben doorgebracht in Indonesië, waarin hij vrijwilligerswerk deed en dat het enige verwijt dat hem gemaakt kan worden is gelegen in het feit dat hij heeft nagelaten om die vakanties te melden bij het Uwv. Appellant meent dat een volledige intrekking en terugvordering van zijn WW-uitkering een onevenredig zware sanctie is op die nalatigheid. Hij heeft benadrukt geen werkzaamheden te hebben verricht met een bedrijfsmatig karakter en daarvan geen economisch voordeel te hebben gehad. Hij ontving slechts een onkostenvergoeding van € 100,- per maand.

3.2.

Het Uwv heeft naar aanleiding van door de Raad gestelde vragen het in het bestreden besluit ingenomen standpunt in zoverre gewijzigd, dat er niet langer van wordt uitgegaan dat appellant gedurende de gehele periode van 1 februari 2011 tot en met 2 februari 2014 buiten Nederland verblijf hield als bedoeld in artikel 19, eerste lid, aanhef en onder e, van de WW. Volgens het Uwv zijn periodes aan te wijzen waarop appellant wel in Nederland aanwezig was en waarin de gehanteerde uitsluitingsgrond daarom niet van toepassing was. Het Uwv heeft op basis van de pin- en transactiegegevens van de ING-bankrekening van appellant, diens op 5 juni 2014 in het kader van het door het Uwv ingestelde onderzoek afgelegde verklaring en de op het internet aangetroffen informatie over appellants activiteiten voor [stichting 1] een reconstructie gemaakt van de periodes waarin appellant buiten Nederland verbleef, anders dan wegens vakantie. Die periodes waren de volgende: 7 februari 2011 tot en met 2 maart 2011, 29 juni 2011 tot en met 8 augustus 2011, 5 september 2011 tot en met

29 september 2011, 3 december 2011 tot en met 3 januari 2012, 12 februari 2012 tot en met 18 juli 2012, 18 september 2012 tot en met 20 maart 2013, 13 juni 2013 tot en met

21 juni 2013, 2 juli 2013 tot en met 9 oktober 2013 en de periode vanaf 10 december 2013 tot het einde van de WW-uitkering met ingang van 3 februari 2014. Op basis van deze nadere standpuntbepaling heeft het Uwv het terugvorderingsbedrag nader vastgesteld op € 44.734,02.

3.3.

Appellant heeft onder handhaving van zijn in 3.1 weergegeven beroepsgronden ook dit nadere standpunt van het Uwv bestreden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1.

Op grond van artikel 19, eerste lid, aanhef en onder e, van de WW heeft de werknemer die buiten Nederland woont of verblijf houdt anders dan wegens vakantie geen recht op uitkering.

4.1.2.

Op grond van artikel 20, eerste lid, aanhef en onder d, van de WW eindigt het recht op uitkering zodra de werknemer geen recht op uitkering heeft op grond van artikel 19.

4.1.3.

Op grond van artikel 22a, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW herziet het Uwv een besluit tot toekenning van uitkering of trekt hij dat in indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de mededelingsplicht van artikel 25 van de WW heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering.

4.1.4.

Op grond van artikel 25 van de WW is de werknemer verplicht op verzoek van het Uwv of uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee te delen aan het Uwv, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering.

4.1.5.

Op grond van artikel 36, eerste lid, van de WW wordt de uitkering die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 22a of 27 onverschuldigd is betaald door het Uwv teruggevorderd. Op grond van het zesde lid kan het Uwv indien daarvoor dringende redenen zijn besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

4.2.1.

Allereerst zal worden ingegaan op de door appellant betwiste rechtmatigheid van het door het Uwv ingestelde onderzoek en de daarbij gedane bevindingen.

4.2.2.

Appellant acht het onderzoek door het Uwv onrechtmatig, omdat dat is gebaseerd op door het Openbaar Ministerie (OM) aan het Uwv verstrekte processen-verbaal van verhoren van [A.] van 10 januari 2014 en [B.] van 20 maart 2014, afgelegd in het kader van een strafrechtelijk onderzoek jegens appellant. Deze verstrekking was volgens appellant onrechtmatig omdat hij op basis van die verklaringen niet als verdachte kon worden aangemerkt, nu uit de afgelegde verklaringen geen redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit als vermeld in artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering naar voren is gekomen. Om die reden moeten die verklaringen worden uitgesloten van het dossier. Als gevolg daarvan moet ook het naar aanleiding van de bedoelde processen-verbaal op

5 juni 2014 afgenomen verhoor van hem, als verdachte, worden uitgesloten van het dossier.

4.2.3.

Hoewel in het onderzoeksrapport van het Uwv melding is gemaakt van de in 4.2.2 bedoelde processen-verbaal en verklaringen, alsmede van de inhoud van die verklaringen, vormden die, anders dan appellant heeft betoogd, niet de aanleiding voor het onderzoek door het Uwv. Op bladzijde 3 van het onderzoeksrapport staat immers dat de in 1.2 weergegeven anonieme melding de aanleiding is geweest voor het onderzoek. Dat het Uwv bevoegd was om na ontvangst van deze anonieme tip een onderzoek in te stellen naar de rechtmatigheid van de aan appellant verstrekte uitkering is niet in geschil. Het Uwv heeft appellant gehoord in het kader van dat onderzoek, wat in overeenstemming is met de vereiste zorgvuldigheid. Daarbij is appellant gewezen op zijn zwijgrecht, in verband met de mogelijkheid dat een boete opgelegd zou worden. Dat het van de door appellant afgelegde verklaring opgemaakte

proces-verbaal als onderwerp vermeldt “Verhoor verdachte [appellant]” maakt in de gegeven omstandigheden niet dat appellant op basis van onrechtmatig verkregen informatie van het OM is gehoord als verdachte van een strafbaar feit. Er is dan ook geen aanleiding om het onderzoek door het Uwv onrechtmatig te achten en de verklaring van appellant buiten beschouwing te laten. Gelet hierop slaagt de beroepsgrond dat geen onderzoek mocht worden verricht omdat appellant niet werd verdacht van het plegen van een strafbaar feit, als vermeld in artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering, niet.

4.3.1.

Appellant heeft erkend dat hij in de periode waarin hij een WW-uitkering ontving veelvuldig en langdurig in Indonesië is geweest en dat hij het Uwv daarover niet bij elke reis afzonderlijk heeft geïnformeerd. Hiermee heeft appellant de mededelingsplicht van artikel 25 van de WW geschonden.

4.3.2.

In hoger beroep heeft het Uwv gesteld dat het bestreden besluit ten onrechte is gebaseerd op het standpunt dat appellant in de periode van 1 februari 2011 tot en met

2 februari 2014 onafgebroken buiten Nederland heeft verbleven. Het Uwv heeft daarom alsnog een onderzoek gedaan naar het feitelijk verblijf van appellant in de genoemde periode. Daarbij is gebleken dat appellant geen gegevens heeft verstrekt waaruit blijkt wanneer hij in Indonesië was. Zijn paspoort, waarin de aan hem verstrekte visa stonden, was inmiddels vernietigd. Het Uwv heeft meermalen bij de Ambassade van de Republiek Indonesië navraag gedaan naar de visa, maar daarop is geen reactie gekomen. Bij gebreke aan concrete gegevens heeft het Uwv op basis van de voorhanden gegevens een reconstructie gemaakt van het verblijf van appellant in de periode van 1 februari 2011 tot en met 2 februari 2014. Deze handelwijze van het Uwv is in de gegeven situatie aanvaardbaar. Bij het opstellen van het overzicht heeft het Uwv de dag waarop een pinbetaling op Schiphol of in Indonesië heeft plaatsgevonden aangeduid als begin van een periode van verblijf buiten Nederland en een volgende pinbetaling in Nederland als het einde daarvan, waarbij mede betekenis is toegekend aan tussentijdse pinbetalingen in Indonesië, het ontbreken van tussentijdse pinbetalingen die duiden op verblijf in Nederland, aan appellants verklaring van 5 juni 2014 en aan de op het internet gevonden informatie over appellants verblijf in Indonesië en zijn activiteiten aldaar. Aldus is de door het Uwv gemaakte opstelling van appellants verblijven in Indonesië van een voldoende deugdelijke basis voorzien. Appellant heeft de juistheid ervan niet met concrete en verifieerbare gegevens in twijfel getrokken.

4.3.3.

Appellant heeft gedurende zijn verblijven in Indonesië werkzaamheden voor [stichting 1] verricht. Deze bestonden uit het maken van nieuwsbrieven, foto- en filmrapportages, het organiseren van reizen en het laten bouwen van een longhouse. Appellant heeft van de stichting [stichting 1] maandelijks een vergoeding ontvangen van € 100,-. Het Uwv heeft op basis hiervan en gezien de frequentie en duur van appellants verblijven in Indonesië terecht aangenomen dat appellant niet wegens vakantie buiten Nederland verbleef.

4.3.4.

Wat in 4.3.3 is overwogen brengt met zich, dat de stelling van appellant dat hij per jaar aanspraak had op vier weken vakantie en het Uwv zijn uitkering daarom over een overeenkomstig aantal weken niet had mogen intrekken en terugvorderen, niet slaagt.

4.4.

Tegen de terugvordering heeft appellant aangevoerd dat zijn financiële situatie zodanig is, dat hij niet tot terugbetaling in staat is. Hij heeft deze stelling echter niet onderbouwd. Niet gebleken is van dringende redenen op grond waarvan het Uwv van terugvordering had moeten afzien. Er is dan ook geen grond voor het oordeel dat het Uwv de onverschuldigd betaalde uitkering niet mocht terugvorderen.

5. Nu het bestreden besluit ten onrechte is gebaseerd op het standpunt dat appellant van

1 februari 2011 tot en met 2 februari 2014 onafgebroken buiten Nederland verbleef, anders dan wegens vakantie, en om die reden de volledige WW-uitkering over die periode moest worden teruggevorderd, kan dit besluit niet in stand blijven. Het bestreden besluit zal daarom worden vernietigd, evenals de aangevallen uitspraak waarbij het in stand is gelaten. De Raad zal op de hierna aan te geven wijze zelf in de zaak voorzien.

6. Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze worden begroot op € 1.002,- aan kosten van rechtsbijstand in beroep en op € 1.252,50 aan kosten van rechtsbijstand in hoger beroep, wat tezamen een bedrag van € 2.254,50 oplevert. De door appellant gemaakte kosten in bezwaar komen niet voor vergoeding in aanmerking, omdat daarom niet tijdig is verzocht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 1 mei 2015 gegrond en vernietigt dat besluit;

- handhaaft de intrekking van de WW-uitkering van appellant over de in overweging 3.2
genoemde periodes;

- stelt het terug te vorderen bedrag vast op € 44.734,02;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 1 mei 2015;

- herroept het besluit van 23 juni 2014;

- veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.254,50,-;

- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van
in totaal € 169,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door E. Dijt als voorzitter en B.M. van Dun en A.T. de Kwaasteniet als leden, in tegenwoordigheid van J.R. Trox als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2018.

(getekend) E. Dijt

(getekend) J.R. Trox

KS