Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:586

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-02-2018
Datum publicatie
01-03-2018
Zaaknummer
15/4049 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Studiefinanciering ten onrechte herzien. Brp-adres. Een naar aanleiding van de confrontatie met onrechtmatig verkregen bewijs afgelegde verklaring kan pas als bewijsmiddel worden gebruikt, indien en nadat de studerende deugdelijk is voorgelicht over welk bewijsmateriaal als onrechtmatig verkregen bewijs wegvalt, over het feit dat de eigen verklaring als bewijsmiddel wordt gebruikt en over de gevolgen van die verklaring. De van appellante verkregen verklaring voldoet niet aan de voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/4049 WSF

Datum uitspraak: 21 februari 2018

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

28 april 2015, 14/4758 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.W. de Gruijl, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juli 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. L.H.E.M. Berendse-de Gruijl, kantoorgenoot van mr. De Gruijl. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. E.H.A. van den Berg.

De Raad heeft het onderzoek heropend.

Een nader onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 april 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Berendse-de Gruijl. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. P.M.S. Slagter.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante stond van 11 november 2008 tot 26 februari 2014 in de basisregistratie personen (brp) ingeschreven onder het [adres] te [woonplaats].

1.2.

De minister heeft, voor zover hier van belang, aan appellante voor het jaar 2012, voor de maanden januari en februari 2013, voor de periode september tot en met december 2013 en voor het jaar 2014 studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000

(Wsf 2000) toegekend, berekend naar de norm die geldt voor een uitwonende studerende.

1.3.

Op verschillende dagen hebben controleurs geprobeerd een huisbezoek af te leggen op het brp-adres, maar zij troffen telkens niemand thuis. Na de laatste poging hebben de controleurs geprobeerd een huisbezoek af te leggen op het ouderlijk adres van appellante, maar ook daar werd niet opengedaan. Nadien hebben de controleurs diverse verklaringen opgenomen en hebben zij een buurtonderzoek gestart bij het ouderlijk adres van appellante en bij het brp-adres. Zij hebben vervolgens, op 21 februari 2014, telefonisch contact gehad met appellante, waarbij zij heeft verklaard dat zij sinds anderhalve week niet meer op het

brp-adres woonde. Deze verklaring is telefonisch door de hoofdbewoonster van het brp-adres bevestigd. Van het onderzoek is een rapport opgemaakt.

1.4.

Bij besluit van 21 maart 2014 heeft de minister, op basis van het onder 1.3 genoemde rapport, de aan appellante toegekende studiefinanciering met ingang van 1 januari 2012 herzien, in die zin dat zij vanaf die datum als thuiswonende studerende is aangemerkt. Daarbij is van appellante een bedrag van € 3.476,89 teruggevorderd.

1.5.

Bij besluit van 3 juli 2014 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van appellante tegen het besluit van 21 maart 2014 ongegrond verklaard. Daaraan is ten grondslag gelegd dat uit het op 21 februari 2014 verrichte onderzoek is gebleken dat appellante op dat moment niet woonde op het brp-adres.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat de minister met de bevindingen van het onder 1.3 vermelde onderzoek voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat appellante ten tijde van dat onderzoek niet op het brp-adres woonde. De rechtbank is verder van oordeel dat appellante niet met onomstotelijk bewijs heeft aangetoond dat zij tot

21 februari 2014 wel op het brp-adres heeft gewoond.

3.1.

Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

3.2.

De minister heeft ter zitting van 20 juli 2016 te kennen gegeven dat het onder 1.3 vermelde rapport niet als bewijs kan dienen voor de herziening omdat het onderzoek naar de woonsituatie van appellante is verricht door onbevoegde controleurs. De minister stelt zich op het standpunt dat het bestreden besluit desalniettemin kan worden gehandhaafd. De door appellante, reeds in de bezwaarfase, gegeven verklaringen over haar woonsituatie, inhoudende dat erkend wordt dat zij op het moment van het onderzoek al enige tijd niet meer woonde op het brp-adres, worden aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd. Gelet op die verklaringen is bij het bestreden besluit terecht vastgesteld dat appellante ten tijde van het onderzoek niet voldeed aan de voorwaarden van artikel 1.5 van de Wsf 2000. Voorts heeft appellante geen onomstotelijk bewijs geleverd dat zij eerder wel op het brp-adres heeft gewoond.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Niet in geschil is dat de bevindingen van het onderzoek naar de woonsituatie van appellante onbevoegd zijn verkregen en moeten worden gekwalificeerd als onrechtmatig verkregen bewijs.

4.2.

Dat betekent dat het bestreden besluit alleen rust op de erkenning van appellante dat zij op het moment van het onderzoek niet meer op het brp-adres woonde.

4.3.1.

Een studerende die verklaart wel op zijn brp-adres te hebben gewoond, maar kort voorafgaand aan de controle naar zijn woonsituatie te zijn verhuisd, terwijl die verhuizing niet in de brp is geregistreerd, voldoet op de controledatum niet aan de vereisten voor toekenning van studiefinanciering, berekend naar de norm die geldt voor een uitwonende studerende. Het wettelijk vermoeden brengt in dat geval mee dat ook indien de studerende erkent dat hij in een (klein) deel van de periode voorafgaand aan het huisbezoek niet op het brp-adres woonachtig was, de herziening toch betrekking heeft op de periode die teruggaat tot de laatste overschrijving in de brp.

4.3.2.

Naar het oordeel van de Raad kan in een zaak als hier aan de orde een naar aanleiding van de confrontatie met onrechtmatig verkregen bewijs afgelegde verklaring pas als bewijsmiddel worden gebruikt, indien en nadat de studerende deugdelijk is voorgelicht over welk bewijsmateriaal als onrechtmatig verkregen bewijs wegvalt, over het feit dat de eigen verklaring als bewijsmiddel wordt gebruikt en over de in 4.3.1 beschreven gevolgen van die verklaring. Is aan deze voorwaarden voldaan, dan staat de verklaring immers voldoende op zichzelf. Is hieraan niet voldaan, dan staat de verklaring in een te direct verband met het onrechtmatig verkregen bewijs en wordt deze daardoor als bewijsmiddel onbruikbaar. De Raad wijst in dit verband ook op zijn uitspraken van 19 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1508, en van 29 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4626.

4.4.

In deze procedure is niet aan de in 4.3.2 beschreven voorwaarden voldaan, zodat de verklaringen van appellante niet kunnen worden gebruikt als bewijs.

4.5.

Aangezien zonder de bevindingen van het onderzoek en zonder de door appellante gegeven verklaringen niet een voldoende feitelijke grondslag bestaat voor het standpunt van de minister dat appellante op het moment van de controle niet woonde op het adres waaronder zij in de brp stond ingeschreven, berust het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering. Dat betekent dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven.

4.6.

De Raad zal, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dat besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Raad ziet verder aanleiding om het besluit van 21 maart 2014 met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb te herroepen, nu daaraan hetzelfde gebrek kleeft en niet aannemelijk is dat dit gebrek kan worden hersteld.

5. Aanleiding bestaat de minister te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 1.002,- in beroep en op € 1.252,50 in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 2.254,50,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 3 juli 2014;

- herroept het besluit van 21 maart 2014 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van

het besluit van 3 juli 2014;

- veroordeelt de minister in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 2.254,50;

- bepaalt dat de minister aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht

vergoedt van in totaal € 168,-.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van N. van Rooijen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2018.

(getekend) J. Brand

(De griffier is verhinderd te ondertekenen)

HD