Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:585

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-02-2018
Datum publicatie
01-03-2018
Zaaknummer
16/1730 WIA
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2016:820, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schadevergoeding wegens onrechtmatig besluit, toe te rekenen aan het Uwv. De schade geacht wordt te zijn vergoed met betaling van de wettelijke rente door het Uwv, zodat voor afzonderlijke vergoeding van deze schade geen plaats is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 1730 WIA

Datum uitspraak: 16 februari 2018

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

5 februari 2016, 15/4801 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.G.J. Smit, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 december 2017. Namens appellant is
mr. Smit verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. P.A.L. Nieuwenhuis, advocaat.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant ontving een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) en een toeslag ingevolge de Toeslagenwet. Bij besluit van

19 februari 2014 heeft het Uwv de WIA-uitkering en de toeslag met ingang van
24 september 2012 beëindigd. Bij besluit van 1 juli 2014 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 19 februari 2014 gegrond verklaard en de WIA-uitkering en toeslag met ingang van 22 mei 2013 beëindigd. Bij besluit van 14 augustus 2014 heeft het Uwv het besluit van 1 juli 2014 gewijzigd in die zin dat de WIA-uitkering en toeslag met ingang van 20 mei 2014 zijn beëindigd. Hierna heeft het Uwv het besluit van
14 augustus 2014 ingetrokken en aan appellant bij besluit van 9 december 2014 meegedeeld dat hij met ingang van 20 mei 2014 ongewijzigd recht heeft op een WIA-uitkering en een toeslag. Over de periode van 20 mei 2014 tot 1 januari 2015 heeft het Uwv aan appellant een nettobedrag van € 6.626,75 aan WIA-uitkering en toeslag nabetaald. Wegens de vertraagde uitbetaling van de WIA-uitkering en toeslag heeft het Uwv aan appellant tevens een bedrag aan wettelijke rente betaald.

1.2.

Bij brief van 2 juni 2015 heeft appellant het Uwv verzocht om de schade, die hij als gevolg van het langere tijd niet beschikken over inkomsten heeft geleden, te vergoeden. Het Uwv heeft dit verzoek bij brief van 2 juli 2015 afgewezen, omdat het verzoek niet was onderbouwd.

2.1.

Appellant heeft op 3 augustus 2015 de rechtbank verzocht het Uwv te veroordelen tot vergoeding van de door hem als gevolg van het besluit van 14 augustus 2014 geleden materiële schade. Volgens appellant heeft hij door dit besluit over de periode van 20 mei 2014 tot 1 januari 2015 geen inkomen gehad, waardoor hij een aantal van zijn bezittingen onder de marktwaarde heeft moeten verkopen en een aantal bezittingen heeft moeten verpanden, die hij niet heeft kunnen terugkopen. De schade is door appellant begroot op een bedrag van € 5.873,54.

2.2.

De rechtbank heeft op het verzoek van appellant titel 8.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing geacht en het verzoek in de aangevallen uitspraak afgewezen. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv met toekenning van een bedrag aan wettelijke rente heeft voldaan aan zijn verplichting om de door appellant als gevolg van het niet tijdig uitbetalen van de WIA-uitkering en toeslag geleden schade, te vergoeden. Volgens de rechtbank is er, gelet op vaste jurisprudentie van de Raad over artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek, naast vergoeding van wettelijke rente op grond van dit artikel geen plaats voor vergoeding van de door appellant beweerdelijk geleden schade, nu deze het gevolg is van de vertraging in de voldoening van een geldsom.

3.1.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat op het verzoek van appellant titel 8.4 van de Awb van toepassing is, nu het volgens appellant schadeveroorzakende besluit dateert van na 1 juli 2013, de datum waarop genoemde titel van de Awb in werking is getreden.

4.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat het besluit van 14 augustus 2014 als een onrechtmatig besluit moet worden aangemerkt. Daarmee is ook de toerekening van die onrechtmatigheid aan het Uwv gegeven. In geschil is of er naast de reeds aan appellant toegekende wettelijke rente nog plaats is voor vergoeding van de door appellant beweerdelijk geleden schade.

4.3.

Met de invoering van Afdeling 4.4.2 van de Awb heeft de wetgever specifiek voor de vaststelling van schadevergoeding die is verschuldigd wegens vertraging in de voldoening van een geldsom een eigenstandige regeling in de Awb opgenomen, waarbij in artikel 4:102 van de Awb een regeling is gegeven voor de situatie dat een betalingsverplichting ontstaat van een bestuursorgaan jegens een belanghebbende als gevolg van een wijziging of een vernietiging van een beschikking.

4.4.

De door appellant beweerdelijk geleden schade is terug te voeren op een tijdelijk gemis aan geld als gevolg van de onrechtmatige intrekking van de WIA-uitkering en toeslag. Het gaat hier dus om vermogensschade als gevolg van vertraging in de voldoening van een geldsom. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat deze schade geacht wordt te zijn vergoed met betaling van de wettelijke rente door het Uwv, zodat voor afzonderlijke vergoeding van deze schade geen plaats is. De rechtbank heeft het verzoek terecht afgewezen.

5. Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.4 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen als voorzitter en D. Hardonk-Prins en C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van R.H. Budde als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2018.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) R.H. Budde

SS