Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2018:58

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-01-2018
Datum publicatie
12-01-2018
Zaaknummer
15/3320 WIA-T
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Uit de informatie van de behandelaars zijn geen aanknopingspunten te vinden dat er een verwachting bestaat dat de belastbaarheid van werkneemster ten aanzien van het verrichten van werkzaamheden nog kan toenemen. De volledige arbeidsongeschiktheid van werkneemster was in november 2013 niet duurzaam, is onvoldoende gemotiveerd. De Raad draagt het Uwv op om binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2018/39
USZ 2018/66
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/3320 WIA-T

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

14 april 2015, 15/1793 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 10 januari 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft J.A.M. Houberg hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 januari 2017. Voor appellante zijn J.A.M. Houberg en drs. D.C. Heijstek verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.H.G. Boelen.

Het onderzoek ter zitting is geschorst om het Uwv de gelegenheid te geven te reageren op een namens appellante overgelegd rapport van een psychiatrische expertise.

Het Uwv heeft gereageerd met een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep, waarna partijen over en weer reacties hebben ingediend.

Het onderzoek is hervat ter zitting van 29 november 2017. Namens appellante is

J.A.M. Houberg verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

drs. R. Spanjer.

OVERWEGINGEN

1.1.

[werkneemster] (werkneemster), geboren [in] 1952, heeft vanaf 1991 gewerkt in dienst van appellante, laatstelijk als administratief medewerker voor

31,69 uur per week. Op 8 juni 2009 heeft zij zich ziek gemeld met psychische klachten.

1.2.

Een verzekeringsarts heeft werkneemster onderzocht en haar beperkingen tot het verrichten van arbeid vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Een arbeidsdeskundige heeft vervolgens vastgesteld dat werkneemster het werk waarvoor zij is uitgevallen niet meer kan verrichten en dat er geen voorbeelden zijn te vinden van functies die werkneemster met haar beperkingen wel kan uitoefenen. Bij besluit van 18 april 2011 heeft het Uwv vastgesteld dat werkneemster vanaf 6 juni 2011 recht heeft op een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).

De mate van haar arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 100%.

1.3.

Appellante heeft het Uwv op 25 oktober 2013 verzocht het arbeidsvermogen van werkneemster opnieuw te beoordelen, omdat zij volgens appellante volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA en recht heeft op een IVA-uitkering. Ter ondersteuning van haar aanvraag heeft appellante informatie van haar bedrijfsarts overgelegd en van de behandelend psycholoog en psychiater van werkneemster.

1.4.

Een verzekeringsarts van het Uwv heeft blijkens een rapport van 15 november 2013 op basis van de overgelegde informatie geconcludeerd dat bij werkneemster geen sprake is van een ziektebeeld zonder behandelmogelijkheden en dat een redelijke of goede verbetering van de belastbaarheid van werkneemster in of na het komende jaar is te verwachten. Het Uwv heeft vervolgens bij besluit van 25 november 2013 vastgesteld dat de hoogte van de loongerelateerde WGA-uitkering van appellante ongewijzigd blijft.

1.5.

Appellante heeft bezwaar gemaakt en heeft dit nader onderbouwd met informatie van de behandelend psycholoog van werkneemster van 30 januari 2014. Een verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft werkneemster gesproken op een hoorzitting, alle aanwezige informatie beoordeeld en heeft voldoende aanleiding gezien om de verzekeringsarts te volgen in diens visie dat de volledige arbeidsongeschiktheid van werkneemster niet als duurzaam moet worden gekwalificeerd, gelet op de nog lopende behandeling van werkneemster en omdat verbetering niet is uitgesloten. Bij besluit van 29 april 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 25 november 2013 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank geoordeeld dat het medisch onderzoek op zorgvuldige wijze is verricht en dat het bestreden besluit op een juiste medische grondslag berust.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante de stelling herhaald dat werkneemster volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is en in aanmerking dient te komen voor een IVA-uitkering. Appellante heeft haar standpunt onderbouwd met een rapport van psychiater, dr. N. Kaymaz, die werkneemster op 17 juni 2016 bij haar thuis heeft onderzocht. Appellante heeft erop gewezen dat verbetering in de gezondheidstoestand moet leiden tot het weer kunnen verrichten van loonvormende arbeid door werkneemster en dat zo’n verbetering niet valt te verwachten.

3.2.

Volgens het Uwv is er geen reden om op grond van het rapport van dr. Kaymaz tot een ander oordeel te komen omtrent de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid van werkneemster op de beoordelingsdatum 15 november 2013. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat werkneemster volledig arbeidsongeschikt is. Zij zijn uitsluitend verdeeld over het antwoord op de vraag of werkneemster, gezien haar beperkingen, voor het verrichten van arbeid volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is, zodat zij ingevolge artikel 47 van de Wet WIA recht heeft op een IVA-uitkering in plaats van een WGA-uitkering.

4.2.

Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is volgens artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA, hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Ingevolge het tweede lid wordt onder duurzaam verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie. Volgens het derde lid wordt onder duurzaam mede verstaan een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat.

4.3.

Volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 4 februari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1896) dient de verzekeringsarts zich een oordeel te vormen over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 4 van de Wet WIA. Hierbij moet hij een inschatting maken van de toekomstige ontwikkelingen van de arbeidsbeperkingen. De inschatting van de verzekeringsarts van de kans op herstel in het eerste jaar na het ontstaan van het recht op uitkering en in de periode daarna, dient te berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de betreffende individuele verzekerde aan de orde zijn. Indien die inschatting van de kans op herstel berust op een (ingezette) medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de individuele verzekerde.

4.4.

Uit de gedingstukken blijkt dat werkneemster al lange tijd lijdt aan een obsessief compulsieve stoornis. Met deze stoornis en haar angstklachten heeft zij haar werkzaamheden als administratief medewerkster bij de GGZ steeds kunnen verrichten. Na een wijziging van haar takenpakket, als gevolg waarvan de mentale belasting van haar functie aanzienlijk is toegenomen, is zij in juni 2009 uitgevallen met psychische klachten. De arbeidsbeperkingen van werkneemster als gevolg van haar psychische klachten, zijn door de verzekeringsartsen zodanig zwaar beoordeeld, dat er geen geschikte functies voor werkneemster konden worden geselecteerd en zij vanaf 6 juni 2011 volledig arbeidsongeschikt is geacht. Deze volledige arbeidsongeschiktheid bestond volgens de verzekeringsartsen ook nog ten tijde van de beoordeling in november 2013 en overigens ook nadien.

4.5.

De opvatting dat de volledige arbeidsongeschiktheid van werkneemster in november 2013 niet als duurzaam kon worden beschouwd, hebben de verzekeringsartsen gebaseerd op informatie over de behandeling van de klachten van werkneemster van de bedrijfsarts van appellante en van haar behandelend psycholoog en psychiater. Appellante wordt vanaf februari 2010 behandeld voor haar dwangstoornis. In de brief van 16 augustus 2013 van de behandelend psycholoog en psychiater wordt gemeld dat de therapie bestaat uit cognitieve gedragstherapie, dat de verwachting bestaat dat de opgaande lijn wordt voortgezet met terugvalmomenten, dat de vooruitgang met kleine stappen gaat en dat de behandeling nog meerdere jaren gaat duren. De behandeling is gericht op het verminderen van de last bij de algemene dagelijkse handelingen (ADL) en de thuissituatie. De bedrijfsarts van appellante heeft in een reactie van 30 september 2013 geschreven dat wel sprake is van enige opgaande lijn bij de behandeling, maar met kleine stapjes. De bedrijfsarts wijst er op dat werkneemster bijna 62 jaar is en dat niet verwacht kan worden dat zij voor de pensioengerechtigde leeftijd dusdanig zal herstellen dat ze praktisch in enig werk aan de slag kan.

4.6.

Psychiater Kaymaz heeft werkneemster in 2016 onderzocht en heeft geconcludeerd dat sprake is van een definitieve medische eindsituatie, waarbij veranderingen en verbeteringen niet haalbaar zijn en de belastbaarheid van werkneemster niet vergroot kan worden, noch door appellante, noch door werkneemster. De belastbaarheid van werkneemster is volgens de psychiater zeer gering en het enige wat in therapie gedaan wordt is voorkomen dat werkneemster verder achteruit gaat en depressief of suïcidaal wordt. In een latere aanvulling van 27 maart 2017 heeft de psychiater geschreven dat de enige verbetering die werkneemster sinds haar ziekmelding heeft getoond, is dat de angstklachten en de depressieve klachten meer naar de achtergrond zijn gegaan. In november 2013 was de dwangstoornis bij werkneemster onverminderd aanwezig, met daarbij angstklachten en depressieve klachten in matige vorm. Volgens de psychiater was er ook in die periode sprake van een minder dan geringe kans op verbetering van de belastbaarheid van werkneemster. Volgens appellante moet uit de rapportage en de aanvulling daarop van de psychiater worden geconcludeerd dat als er in november 2013 nog mogelijk sprake was van een positieve verwachting op verbetering bij werkneemster, maar dat die geen betrekking had op vermindering van haar arbeidsbeperkingen en verbetering van haar belastbaarheid om te kunnen werken.

4.7.

Dat de verzekeringsartsen gelet op de beschikbare informatie in november 2013 hebben geconcludeerd dat door de behandeling van werkneemster er nog enige verbetering van haar gezondheidstoestand verwacht kon worden, kan gelet op vooral de brief van 16 augustus 2013 van de behandelend psycholoog en psychiater van werkneemster uit die informatie worden afgeleid. Omdat het gaat om de verwachting in november 2013, leidt de beoordeling door psychiater Kaymaz in 2016 op zich ook niet tot de conclusie dat in 2013 al de conclusie had moeten worden getrokken dat de volledige arbeidsongeschiktheid van werkneemster duurzaam was. Het gaat er echter niet om dat in november 2013 nog enige verbetering van de gezondheidstoestand van werkneemster verwacht kon worden, maar of terecht de verwachting bestond dat haar mogelijkheden om weer te gaan werken, haar belastbaarheid, zouden kunnen toenemen. Die conclusie hebben de verzekeringsartsen niet kunnen trekken uit de voorhanden informatie en in het bijzonder niet uit de meergenoemde brief van 16 augustus 2013 van haar behandelend psycholoog en psychiater. Ook in andere informatie van de behandelaars zijn geen aanknopingspunten te vinden dat er een verwachting bestaat dat de belastbaarheid van werkneemster ten aanzien van het verrichten van werkzaamheden nog kan toenemen. Dat die verwachting niet aanwezig kon worden geacht in november 2013, is door appellante bovendien onderbouwd via het rapport van psychiater Kaymaz. Zoals in 4.3 van deze uitspraak is overwogen, dient inschatting van de verzekeringsarts van de kans op herstel te berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de betreffende individuele verzekerde aan de orde zijn. Gelet op alle voorhanden gegevens wordt geconcludeerd dat de conclusie dat de volledige arbeidsongeschiktheid van werkneemster in november 2013 niet duurzaam was, onvoldoende is gemotiveerd.

4.8.

Er bestaat aanleiding om met toepassing artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv op te dragen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op om binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning als voorzitter en H.G. Rottier en

A.T. de Kwaasteniet als leden, in tegenwoordigheid van J.C. Borman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 januari 2018.

(getekend) M.C. Bruning

(getekend) J.C. Borman

GdJ